Madison Vandenberghe 2026-2027
Woordenlijst Methodologie
Deel 1: Grondslagen en Wetenschapsfilosofie
Methodologie: Verwijst niet alleen naar de techniek van
onderzoek (statistiek, dataverzameling), maar naar de wijze
waarop het hele proces van wetenschapsbeoefening functioneert,
inclusief de filosofische inbedding.
Sociaal-wetenschappelijk onderzoek: De productie van
geldige en betrouwbare kennis over de sociale realiteit door het
combineren van theorie en empirie, waarbij methodologische
principes rigoureus worden toegepast.
Theorie: Een geheel van samenhangende uitspraken
(proposities) die fenomenen beschrijven of verklaren door middel
van terugkerende patronen.
Empirie: Het ervaren van de wereld rondom ons door
waarnemingen via onze zintuigen.
Concepten & Proposities: De bouwstenen van een theorie.
Concepten zijn labels voor klassen van fenomenen; proposities
zijn de veronderstelde relaties tussen die concepten.
Deductie: Redeneren van het algemene (theorie) naar het
specifieke (empirie/hypothese).
Inductie: Redeneren van het specifieke (observatie) naar een
algemene regel of theorie.
Falsificatie (Karl Popper): Het principe dat een theorie pas
wetenschappelijk is als deze door empirische observaties
weerlegd kan worden. We kunnen de waarheid nooit definitief
bewijzen, alleen de onjuistheid aantonen.
Causaliteit (David Hume): Vereist covariantie (statistisch
verband), tijdsorde (A voor B) en het uitsluiten van
schijnverbanden door een derde factor C. Hume was sceptisch:
we observeren enkel constant conjunction, geen noodzakelijke
oorzaak.
Positivisme / Naturalisme: Een stroming die de
natuurwetenschappen als model hanteert, streeft naar
wetmatigheden en objectieve, causale verklaringen (Erklären).
Constructivisme / Interpretativisme: Ziet de werkelijkheid als
sociaal geconstrueerd. Het doel is het begrijpen van menselijk
handelen vanuit de specifieke context (Verstehen).
Paradigma (Thomas Kuhn): Een gedeeld kader van ideeën en
kaders binnen een wetenschappelijke gemeenschap. Wetenschap
vordert via schoksgewijze paradigmawissels (revoluties).
, Madison Vandenberghe 2026-2027
Kritisch Realisme (Roy Bhaskar): Een tussenpositie die de
werkelijkheid als gelaagd ziet (empirisch, feitelijk, transfeitelijk)
en focust op generatieve mechanismen.
Logische consistentie: Het vereiste dat de diverse uitspraken en proposities binnen
een theorie elkaar niet mogen tegenspreken, maar onderling logisch moeten
samenhangen.
Verklaringskracht: De mate waarin een theorie er succesvol in slaagt om de
werkelijkheid om ons heen te verklaren.
Veralgemeenbaarheid: Het kenmerk dat een theorie niet over één concrete case
gaat, maar een ruimer toepassingsgebied bezit.
Spaarzaamheid (Parsimonie): Het principe dat hoe minder concepten en
proposities je nodig hebt om een fenomeen te verklaren, hoe beter de theorie is.
Empirische toetsbaarheid: De eis dat men via observatie moet kunnen nagaan of
een theorie overeenstemt met de realiteit; dit omvat zowel verifieerbaarheid als
falsifieerbaarheid.
Verifieerbaar: De theorie moet handelen over fenomenen die daadwerkelijk
waarneembaar of geobserveerd kunnen worden.
Falsifieerbaar (Karl Popper): Het principe dat een theorie pas wetenschappelijk
is als het mogelijk is om observaties in te bellen die de eventuele onjuistheid van
die theorie kunnen aantonen.
Replicatie: Het herhalen van een onderzoek door andere onderzoekers om te
controleren of zij tot dezelfde conclusies komen, wat grote openheid en
transparantie vereist.
Formele theorie: Een klasse van algemene theorieën met een hoog
abstractieniveau die ervan uitgaan dat je sociale fenomenen los van de concrete
inhoud kunt verklaren vanuit enkele vormelijke basisprincipes (bijv. Rational
Choice Theory).
Grand theory: Theorieën met een hoog abstractieniveau die proberen de volledige
maatschappij te vatten vanuit één abstract conceptueel kader en universele wetten
pogen te formuleren voor verschillende domeinen (bijv. het functionalisme van
Talcott Parsons). Ze zijn door hun abstractie vaak moeilijk empirisch te toetsen.
Middle range theory: Een theorie die het midden houdt tussen grand theories en
loutere empirische veralgemeningen; ze focust op één bepaald sociaal fenomeen
waardoor het eenvoudiger is om hypothesen af te leiden en empirisch te testen
Empirische cyclus: Het geïdealiseerde proces waarin wetenschappelijke kennis
zich ontwikkelt via 4 grote opeenvolgende fasen:
o Observatie: Het doelgericht, systematisch verzamelen, groeperen en
beschrijven van gegevens over de werkelijkheid vanuit een bepaalde
theoretische achtergrond.
o Inductie: Het formuleren van een algemene regel of theorie op basis van de
verzamelde observaties.
Woordenlijst Methodologie
Deel 1: Grondslagen en Wetenschapsfilosofie
Methodologie: Verwijst niet alleen naar de techniek van
onderzoek (statistiek, dataverzameling), maar naar de wijze
waarop het hele proces van wetenschapsbeoefening functioneert,
inclusief de filosofische inbedding.
Sociaal-wetenschappelijk onderzoek: De productie van
geldige en betrouwbare kennis over de sociale realiteit door het
combineren van theorie en empirie, waarbij methodologische
principes rigoureus worden toegepast.
Theorie: Een geheel van samenhangende uitspraken
(proposities) die fenomenen beschrijven of verklaren door middel
van terugkerende patronen.
Empirie: Het ervaren van de wereld rondom ons door
waarnemingen via onze zintuigen.
Concepten & Proposities: De bouwstenen van een theorie.
Concepten zijn labels voor klassen van fenomenen; proposities
zijn de veronderstelde relaties tussen die concepten.
Deductie: Redeneren van het algemene (theorie) naar het
specifieke (empirie/hypothese).
Inductie: Redeneren van het specifieke (observatie) naar een
algemene regel of theorie.
Falsificatie (Karl Popper): Het principe dat een theorie pas
wetenschappelijk is als deze door empirische observaties
weerlegd kan worden. We kunnen de waarheid nooit definitief
bewijzen, alleen de onjuistheid aantonen.
Causaliteit (David Hume): Vereist covariantie (statistisch
verband), tijdsorde (A voor B) en het uitsluiten van
schijnverbanden door een derde factor C. Hume was sceptisch:
we observeren enkel constant conjunction, geen noodzakelijke
oorzaak.
Positivisme / Naturalisme: Een stroming die de
natuurwetenschappen als model hanteert, streeft naar
wetmatigheden en objectieve, causale verklaringen (Erklären).
Constructivisme / Interpretativisme: Ziet de werkelijkheid als
sociaal geconstrueerd. Het doel is het begrijpen van menselijk
handelen vanuit de specifieke context (Verstehen).
Paradigma (Thomas Kuhn): Een gedeeld kader van ideeën en
kaders binnen een wetenschappelijke gemeenschap. Wetenschap
vordert via schoksgewijze paradigmawissels (revoluties).
, Madison Vandenberghe 2026-2027
Kritisch Realisme (Roy Bhaskar): Een tussenpositie die de
werkelijkheid als gelaagd ziet (empirisch, feitelijk, transfeitelijk)
en focust op generatieve mechanismen.
Logische consistentie: Het vereiste dat de diverse uitspraken en proposities binnen
een theorie elkaar niet mogen tegenspreken, maar onderling logisch moeten
samenhangen.
Verklaringskracht: De mate waarin een theorie er succesvol in slaagt om de
werkelijkheid om ons heen te verklaren.
Veralgemeenbaarheid: Het kenmerk dat een theorie niet over één concrete case
gaat, maar een ruimer toepassingsgebied bezit.
Spaarzaamheid (Parsimonie): Het principe dat hoe minder concepten en
proposities je nodig hebt om een fenomeen te verklaren, hoe beter de theorie is.
Empirische toetsbaarheid: De eis dat men via observatie moet kunnen nagaan of
een theorie overeenstemt met de realiteit; dit omvat zowel verifieerbaarheid als
falsifieerbaarheid.
Verifieerbaar: De theorie moet handelen over fenomenen die daadwerkelijk
waarneembaar of geobserveerd kunnen worden.
Falsifieerbaar (Karl Popper): Het principe dat een theorie pas wetenschappelijk
is als het mogelijk is om observaties in te bellen die de eventuele onjuistheid van
die theorie kunnen aantonen.
Replicatie: Het herhalen van een onderzoek door andere onderzoekers om te
controleren of zij tot dezelfde conclusies komen, wat grote openheid en
transparantie vereist.
Formele theorie: Een klasse van algemene theorieën met een hoog
abstractieniveau die ervan uitgaan dat je sociale fenomenen los van de concrete
inhoud kunt verklaren vanuit enkele vormelijke basisprincipes (bijv. Rational
Choice Theory).
Grand theory: Theorieën met een hoog abstractieniveau die proberen de volledige
maatschappij te vatten vanuit één abstract conceptueel kader en universele wetten
pogen te formuleren voor verschillende domeinen (bijv. het functionalisme van
Talcott Parsons). Ze zijn door hun abstractie vaak moeilijk empirisch te toetsen.
Middle range theory: Een theorie die het midden houdt tussen grand theories en
loutere empirische veralgemeningen; ze focust op één bepaald sociaal fenomeen
waardoor het eenvoudiger is om hypothesen af te leiden en empirisch te testen
Empirische cyclus: Het geïdealiseerde proces waarin wetenschappelijke kennis
zich ontwikkelt via 4 grote opeenvolgende fasen:
o Observatie: Het doelgericht, systematisch verzamelen, groeperen en
beschrijven van gegevens over de werkelijkheid vanuit een bepaalde
theoretische achtergrond.
o Inductie: Het formuleren van een algemene regel of theorie op basis van de
verzamelde observaties.