WISKUNDIG LESMODEL
Theorie praktijk
CSA-MODEL
o C=
concreet (iets wat je kan waarnemen in het echt
3D)
o S= schematisch (het vervangen van de
sinaasappelen naar een 2D model, dit kunnen ronde schijfjes zijn)
o A= abstract (geen materiaal of schema’s)!!!!
!!!! Gebruik de omgekeerde weg ook van A C, en van C A
Binnen GO is er een andere naam: CPA-model
(ijsberg model)
1) Concreet
2) Picturaal
3) Abstract
DE HANDELINGSTHEORIE VAN GAL’PERIN
4 stappen:
1) Verinnerlijking
a. De materiële handeling
Er wordt gebruik gemaakt van materiaal om de opdracht uit te voeren.
b. De gematerialiseerde handeling
Er wordt gebruik gemaakt van 2-D materiaal. In plaats van echte
voorwerpen gebruiken we tekeningen die de echte voorwerpen voorstellen.
c. De perceptuele handeling
Het materiaal is aanwezig maar mag niet gemanipuleerd worden. Toch is
het een steun. Door te kijken naar het materiaal komt men in gedachte tot
de oplossing.
d. De verbale handeling
, Het materiaal wordt weggenomen. Als ondersteuning mag/ moet men de
redenering verbaal ondersteunen.
e. De mentale handeling
De handeling moet volledig mentaal, dus in het hoofd worden uitgevoerd.
2) Verkorting = stappen die gezet worden verkorten om tot een resultaat te komen
3) Beheersing = het automatiseren, het kind kan de oefening oplossen zonder te
hoeven nadenken
4) Wenbaarheid = gaan gebruiken in verschillende situaties niet alleen de
makkelijke
OKIS-MODEL
Staat voor:
- Oriënteren
- Kern
- Inoefenen
- Slot
ORIENTEREN
Wiskunde is opbouwend, ga nadenken wat de kinderen al kunnen (wat zijn de
bouwstenen).
3 DOELEN VAN ORIENTEREN
1) Kinderen richten op leerstof. Waar zal de les over gaan?
2) Toetsen of basiskennis voor de les voldoende bereikt is.
3) Kort opfrissen van de nodige basiskennis.
KERN
Inzichten aanbrengen in zijn waarde er wordt nieuwe leerstof aangebracht
INOEFENFASE
Variatie van oefeningen = differentiatie voor snelle en trage leerlingen
De leerstof wordt dus ingeoefend.
SLOT
- Remediëren
- Samenvatten
- Afsluitspel
Let goed op timemanagement bij het slot.
, REKENVOORWAARDEN
Er zijn 9 rekenvoorwaarden
1. Het lichaamsschema als basis voor het handelen. Van zichzelf en anderen.
2. Het ordenen van tijd en ruimte en het kunnen toepassen van ruimtelijke begrippen
op voorstellingsniveau.
3. Het ontstaan van bewegings- en handelingsvoorstellingen. Van punt A punt B
4. Het snel visueel (6 picogrammen) kunnen overzien van de willekeurig gestrooide
hoeveelheid vijf, zonder te hoeven tellen(subiteren).
5. Kennis van de vijf onderdelen m.b.t. logisch denken: maatbegrip, conservatie,
correspondentie, classificeren en seriatie.
6. Kennis van relatie-, hoeveelheids- en verhoudingsbegrippen.
7. Kennis van een reeks en bijhorende begrippen als voorste, volgende, middelste,
achterste, …
8. Technische voorwaarden als:
a. Het kennen van de cijfernamen
b. Het kunnen tellen: optellen, doortellen, terugtellen, synchroon tellen
c. Het kennen van cijfer- en bewerkingssymbolen
9. Operationeel bewerkingen kunnen uitvoeren (erbij doen, eraf doen) en kunnen
splitsen verdelen)
HET LICHAAMSSCHEMA ALS BASIS VOOR HET HANDELEN. VAN ZICHZELF
EN ANDEREN.
Observatie bij kleuters
- Kunnen de kleuters de lichaamsdelen aanwijzen, gebruiken en/of benoemen, bij
zichzelf en/of bij andere kleuters?
- Kunnen de kleuters dit ook bij afbeeldingen?
- Kunnen ze de lichaamsdelen na aanraken/ aanwijzen noemen?
- Verstaan de kleuters de begrippen links en rechts?