Deel 1
HOOFDSTUK 1 LEREN
P1: Leren = wanneer er, in wisselwerking met de omgeving, een duurzame
verandering in het denken en/of handelen van een lerende plaatsvindt
P2: Behaviorisme = leren als een blijvende verandering in het gedrag als gevolg van
een reactie van de lerende op gebeurtenissen in de omgeving (= associationisme)
P3: black box = een systeem waarvan de interne opbouw en de interne mechanismen
principieel buiten beschouwing blijven
P3: Klassieke conditionering = een onvoorwaardelijke stimulus die automatisch tot
een onvoorwaardelijke reactie leidt
P4: operante conditionering = het feit dat dieren en mensen voortdurend gedrag
vertonen waarbij dat specifieke gedrag meer of minder zal plaatsvinden afhankelijk
van de consequenties
P5: Cognitivisme = stroming vanaf 1960 die focust op mentale processen die instaan
voor het verwerven, opslaan en gebruiken van informatie (mens als actieve verwerker
van informatie)
P6: Chunking = materiaal structureren of bewerken om de capaciteit van het
werkgeheugen uit te breiden
P6 : Declaratieve kennis = kennis die je verbaal kan uitdrukken
P7 : Procedurele kennis = kennis die moeilijker onder woorden uit te drukken is omdat
ze sterk geautomatiseerd is
P9: Metacognitie = de kennis die een persoon heeft van zijn eigen cognitief
functioneren en vaardigheden om het eigen functioneren te reguleren
P15/ P21: metacognitieve kennis = de kennis die iemand heeft van zijn eigen
cognitieve functioneren en taak- en situatiekenmerken waarbinnen het leren
plaatsvindt
P15/ P21: metacognitieve vaardigheden = zelfregulatievaardigheden =
vaardigheden om dit cognitieve functioneren op te volgen en waar nodig bij te
sturen
P10: Socio-constructivisme = situated cognition = tegenreactie op het individu
gerichte behaviorime en cognitivisme
P19: procedures = handelingen waardoor leerlingen welbepaalde taken kan uitvoeren
P19: algoritmen = een bepaald soort procedurele voorschriften om een
welomschreven opgave op te lossen
P23: Motivatie (verschillende vormen: autonome motivatie bevorderen!)
, P24: Attituden = een verzameling van gedachten, emoties en gedragsintenties die het
gedrag van het individu of de groep bepaalt
HOOFDSTUK 2 : ONDERWIJZEN IS EEN DIDACTISCH PERSPECTIEF
P31: Onderwijzen = het geheel aan maatregelen en interventies die in een
leeromgeving genomen worden om doelgericht leeractiviteiten bij leerlingen uit te
lokken, op te volgen en te ondersteunen
P34: Werkvormen = manieren om leertaken (met leerinhouden) aan leerlingen aan te
bieden (soorten werkvormen p51)
P34: Media = de concrete middelen aan de hand waarvan leerlingen en leraren in
aanraking komen met werkvormen en leerinhouden = een breed gamma van
hulpmiddelen dat wordt ingezet om werkvormen concreet gestalte te geven (soorten
media p53)
P35: evaluatie = alle inspanningen die erop gericht zijn na te gaan of de doelen
gerealiseerd worden
= alle inspanningen met betrekking tot de opvolging, rapportering en bespreking van
leerresultaten (soorten evaluatie: P39)
P36: Doelen = bepalen wat er dient geëvalueerd te worden (soorten doelen: P36)
P38: metacognitieve kennis = kennis over het eigen weten
P44: validiteit = mate waarin de methode meet wat die beoogt te meten
P44: betrouwbaarheid = de vraag of de resultaten vertekend of niet
P46: Transparantie = duidelijk voor de leerlingen wat er wordt geëvalueerd , hoe die
evaluatie zal plaatsvinden en welke criteria bij de beoordeling wordt gebruikt
P47: leerinhouden = waarover de leerlingen zullen werken, het selecteren van de
inhouden en de volgorde ervan (niet alleen theorie, ook welke vaardigheden)
P47: leertaken = de aard van de activiteiten die de leerlingen zullen doen
P58: Blended learning = leren dat wordt aangestuurd door een weloverwogen mix van
werkvormen, maar ook door een doordacht gebruik van enerzijds contactonderwijs en
anderzijds afstandsonderwijs