Hoofdstuk 1
Begrip / Theorie / Naam Korte omschrijving
Cultureel perspectief benadering die cultuur niet als externe “factor” ziet, maar als constitutief
voor menselijke ontwikkeling.
Ontogenese de ontwikkeling van een individueel organisme van conceptie tot dood.
Fylogenese de evolutionaire ontwikkeling van een soort.
Socioculturele evolutie de verandering van menselijke samenlevingen/cultuurpraktijken door de
tijd.
Ahistorisch los van tijd/geschiedenis beschouwd; klassieke ontwikkelingspsychologie
behandelde ontwikkeling vaak ten onrechte als ahistorisch en universeel.
Institutional facts (institutionele feiten) sociale realiteiten (geld, huwelijk, eigendom) die alleen bestaan door
collectieve erkenning (Searle).
Intentional stance de houding waarbij gedrag van anderen verklaard wordt door
overtuigingen/verlangens toe te schrijven.
Normative stance (normatieve houding) het vermogen om gedrag te begrijpen in termen van regels, gewoonten
en wat “zou moeten” gebeuren.
Levensfasen infancy (zuigelingenfase, 0-1 jr), toddlerhood (peuterfase, 1-3 jr), early
childhood (3-6 jr), middle childhood (6-12 jr), adolescence (12+ jr).
Hoofdstuk 2
Begrip / Theorie / Naam Korte omschrijving
Nature/nurture-debat discussie over de relatieve rol van aanleg (biologie) versus
omgeving/opvoeding in ontwikkeling.
Genetic Psychology vroege ontwikkelingspsychologie (Hall, Gesell) die ontwikkeling als
biologisch rijpingsproces zag.
Recapitulatietheorie (Hall) idee dat individuele ontwikkeling de evolutionaire geschiedenis van de
soort “herhaalt”.
Storm and stress Hall’s karakterisering van de adolescentie als periode van emotionele
turbulentie.
Maturatie (rijping) ontwikkeling die wordt aangedreven door biologisch programma, los van
leerervaring.
Erikson’s psychosociale model uitbreiding van Freuds stadia met aandacht voor sociale/culturele
context; elk stadium heeft een specifieke “crisis”.
,Moratorium bij Erikson: een periode van uitgestelde keuze/verantwoordelijkheid (bv.
adolescentie).
Behaviorisme stroming die ontwikkeling verklaart als product van leren via associaties
tussen prikkels en reacties, zonder interne mentale processen.
Klassieke conditionering (Pavlov) leren door associatie tussen een neutrale prikkel en een
onvoorwaardelijke prikkel/reactie.
Operante conditionering (Skinner) leren door de gevolgen (beloning/straf) van gedrag.
Mands en tacts Skinners termen voor verzoekende resp. benoemende taaluitingen,
verklaard als operant gedrag.
Sociaal leren / observerend leren (Bandura) leren door het observeren en imiteren van modellen (bv. Bobo-doll-
studies).
Wederzijds determinisme bij Bandura: gedrag, persoon en omgeving beïnvloeden elkaar
voortdurend en over en weer.
Zelfeffectiviteit (self-efficacy) het geloof van iemand in eigen vermogen om een taak succesvol uit te
voeren.
Cognitieve revolutie verschuiving (vanaf jaren ’50) naar onderzoek van interne mentale
processen, geïnspireerd door de computer als metafoor.
Informatieverwerkingsmodel model dat de geest beschrijft als systeem dat informatie ontvangt,
verwerkt, opslaat en gebruikt, analoog aan een computer.
Universele grammatica (Chomsky) de hypothese dat mensen een aangeboren, taalonafhankelijke
grammaticale basisstructuur hebben.
Nativisme de positie dat bepaalde kennis/vaardigheden aangeboren zijn, niet
aangeleerd.
Constructivisme (Piaget) de opvatting dat kinderen actief hun eigen kennis construeren door
interactie met de wereld.
Schema een mentale structuur/handelingspatroon waarmee een kind de wereld
begrijpt en organiseert.
Assimilatie nieuwe informatie inpassen in bestaande schema’s.
Accommodatie bestaande schema’s aanpassen aan nieuwe informatie die niet past.
Equilibratie/equilibrium het proces van evenwicht zoeken tussen assimilatie en accommodatie,
drijvend mechanisme van ontwikkeling.
Piagets stadia sensorimotorisch (0-2,5 jr), preoperationeel (2,5-7 jr), concreet-
operationeel (7-11 jr), formeel-operationeel (vanaf ~11 jr).
Semiotische functie het vermogen om iets (een teken, woord, beeld) te laten staan voor iets
anders.
Reversibiliteit (omkeerbaarheid) het mentaal kunnen “terugdraaien” van een transformatie; kenmerk van
operationeel denken.
, Hypothetico-deductief redeneren redeneren met “als…dan”-proposities over mogelijkheden, los van de
concrete werkelijkheid; kenmerk van formeel-operationeel denken.
Culturele-historische psychologie (Vygotsky) benadering die psychologische functies verklaart als product van
culturele/historische ontwikkeling, gemedieerd door tekens en
gereedschappen.
Dualisme de (door Vygotsky bekritiseerde) scheiding tussen geest/lichaam,
individu/maatschappij, of lagere/hogere functies als gescheiden
domeinen.
Lagere psychologische functies basale, biologisch gegeven functies (bv. reflexen, elementaire perceptie)
die mens met dier deelt.
Hogere psychologische functies cultureel gevormde, bewuste/doelgerichte functies (bv. doelbewust
geheugen, conceptueel denken).
Algemene wet van culturele ontwikkeling Vygotsky’s wet dat elke psychologische functie eerst interpersoonlijk
(sociaal) verschijnt, en pas daarna intrapersoonlijk (individueel) wordt.
Activiteitstheorie (Leontiev) analysekader dat menselijk handelen beschrijft op de niveaus activiteit
(motief), acties (doelen) en operaties (condities).
Cross-culturele psychologie vs. cultuurpsychologie eerste vergelijkt scores tussen culturen op universele constructen;
tweede onderzoekt hoe psychologische processen zelf cultuurspecifiek
geconstitueerd worden.
Hoofdstuk 3
Begrip / Theorie / Naam Korte omschrijving
Niche construction (nichevorming) het actief veranderen van de eigen omgeving door een organisme,
waardoor selectiedruk en ontwikkelingsmogelijkheden voor volgende
generaties veranderen.
Extended organism het idee dat een organisme inclusief de door hem aangepaste omgeving
beschouwd moet worden.
Australopithecus / Homo habilis / Homo ergaster / opeenvolgende (deels overlappende) hominine-soorten in de menselijke
Homo heidelbergensis / Homo neanderthalensis / evolutie.
Homo sapiens
Oldowan-werktuigen vroegste stenen werktuigen, geassocieerd met Homo habilis.
FOXP2-gen gen geassocieerd met spraak- en taalvermogen.
Protolanguage hypothetische vroege vorm van communicatie, voorafgaand aan volledige
taal met grammatica.
Juveniele fase evolutionair “nieuwe” levensfase tussen zuigeling en volwassene,
kenmerkend voor de mens.
Grootmoederhypothese verklaring voor de lange postmenopauzale levensfase bij vrouwen:
grootmoeders vergroten de overlevingskansen van kleinkinderen.