de Nederlanden
(2026)
LES 1: Inleiding
1. Waarom geschiedenis van de Nederlanden?
- ‘Leo Belgicus’
* kaart van de Nederlanden (begin 17de eeuw)
* term Belgium gebruikt voor de Nederlanden (16de-17de eeuw)
* propaganda voor eenheid (cf. de leeuw)
-> cartografie kan ook ideologisch geladen zijn
- België, Nederland, Vlaanderen, Wallonië en de Nederlanden zijn artificiële constructies
* bv. geen echte natuurlijke grenzen (behalve evt. de Noordzee en de Ardennen)
* de Nederlanden: op 2 momenten verenigd
-> 1815-1830: Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (onder Willem I)
-> 1543-1581: XVII Provinciën (onder de Habsburgers)
* regio met sterke interactie
-> economische dynamiek, vroege verstedelijking
-> culturele dynamiek (kunst)
-> bijzondere politieke cultuur (veel inspraak van onderuit)
2. Het gebied
- belang van water: Noordzee + Rijn, Schelde, Maas (-> dijken, deltawerken)
* toegang tot diep in het hinterland
- snelle mobiliteit, verstedelijking, economie primeert op politiek
- ‘gateway cities’: wisselend economisch zwaartepunt (Brugge -> Antwerpen -> Amsterdam)
- geen taaleenheid: overgang Romaanse en Germaanse talen (meestal eerder als troef gezien)
* spreektaal vs. bestuurstaal (Latijns -> Frans)
3. De vorming van de gewesten
- Prelude: Romeinse tijd en vroege middeleeuwen
* tot ca. 1000 n.C. -> geen spoor van de latere Nederlanden
* verovering Gallië door Julius Caesar (57 v.C.)
-> ‘De Bello Gallico’: “De Belgae zijn de dappersten van allemaal”
-> Belgae: verzameling Keltische stammen (invented tradition vanaf de 16de eeuw)
-> leven tussen de Rijn en de Marne (nabij Parijs): veel groter gebied dan huidige België
* aanleg weg tussen Boulogne en Keulen (wegennetwerk bepalend voor ontwikkeling steden)
* Romeinen besluiten de Rijn als noordgrens te houden (wordt verdedigt door Germanen)
-> ontstaan steden: bv. Utrecht, Nijmegen (Rijn later nooit meer die functie als grens)
, * Romeinse provincies: geen continuïteit met latere staatkundige ontwikkeling
-> behalve de kerkelijke bisdommen (Keulen, Reims, Trier), tot 1559 n.C.
* Verdrag van Verdun (843 n.C.)
-> het Karolingische Rijk van Karel de Grote wordt verdeeld onder zijn 3 kleinzonen
-> West-, Midden- en Oost-Francië
-> Middenrijk: belangrijk gebieden (steden als Aken, Luik, Maastricht, enz.)
- versnipperd snel -> alleen noordelijk deel blijft (-> Koninkrijk Lotharingen)
- speelt belangrijke rol in het latere Bourgondië (wordt politiek ideaal)
* Lotharingen door de Duitse koning veroverd (925 n.C.)
-> Schelde wordt de grens tussen FR en het HRR (tot begin 16de eeuw)
-> merendeel latere Nederlanden behoort tot het HRR
- Noordelijke Nederlanden: tot 1648
- Zuidelijke Nederlanden: tot 1795
- De vorming van de gewesten (ca. 10de-14de eeuw)
* vanaf de 9de-10de eeuw: geleidelijk ontstaan van gewesten
-> koningen FR en HRR: niet de middelen en macht om hun gebied te besturen
+ macht koning FR (tot 12de eeuw) en keizer HRR (tot 19de eeuw) beperkt
+ dreiging en invallen van de Noormannen
-> noordelijke gebieden werden als minder belangrijk beschouwd
-> territoria versnipperen (feodaliteit, aanstelling graven en hertogen)
- wordt al heel snel erfelijk -> krijgen eigenlijk vrij spel
- bisschoppen: verkrijgen eveneens wereldlijke macht
* vorming gewesten gaat langzaam
-> in het zuidwesten sneller dan in bv. het noordoosten
- komt door de snelle verstedelijking (landheren profiteren daarvan, bv.
tolheffing)
- eveneens ontginning en drooglegging (10de-13de eeuw)
- wouden kappen, indijken en inpolderen
* complexe lappendeken
-> graafschappen: Vlaanderen, Henegouwen, Artesië, Holland, Zeeland, Namen, Loon
-> hertogdommen: Brabant, Luxemburg, Gelre
-> onder een bisschop: Sticht Utrecht, Het Kamerijkse, Prinsbisdom Luik
-> onder onmiddellijk gezag: Rijksstad Nijmegen, Stift Thorn, Land van Cuijk, Batenburg
- Graafschap VLAANDEREN
* 9de-10de eeuw: Pagus Flandrensis (rond Brugge) -> staan sterk tegen de Noormannen
-> graaf wordt leenman van de Franse koning én de Duitse keizer
* 12de eeuw: Vlaams graven Diederik van de Elzas en Filips van de Elzas
-> profiterend van de opkomende steden (7 steden krijgen stadsrechten)
-> ook belangrijke internationale rol (bv. de kruistochten, het Franse hof, …)
* 12de-13de eeuw: personele unie met Henegouwen
-> i.e. één vorst is vorst van 2 graafschappen (kan gemakkelijk uiteen vallen)
* vanaf late 12de eeuw: frequente botsingen met de Franse koning
-> o.a. Guldensporenslag (1302)
* administratieve, culturele en economische voorsprong
* geen echte staatkundige of taalkundige eenheid
-> in 2 delen: Kroon-Vlaanderen (deel FR), Rijks-Vlaanderen (deel HRR)
-> Frans als bestuurstaal van de graven
* historisch Vlaanderen valt niet volledig samen met huidige Vlaanderen
, -> vgl. historisch ook Zeeuws-Vlaanderen (NL) en Frans-Vlaanderen (FR)
* verstedelijking: vooral in Vlaanderen en Artesië
-> in vergelijking met het noorden: Utrecht lang de enige grote stad
-> 12de-13de eeuw: Atrecht (fr. Arras) voornaamste industriële en commerciële centrum
-> 13de-14de eeuw: vooral Gent en Brugge dominant (1300: ca. 64.000 inwoners in Gent)
-> traditie van opstanden (machtsstrijd tussen de steden en de graaf)
* GENT: centrum van nijverheid
-> lakennijverheid (met Engelse wol): zorgt voor onafhankelijkheid
-> tot ca. 1300 politiek monopolie van rijke ondernemers en poorters (=grondeigenaars)
- nadien doorbroken door de ambachten
-> droom van autonomie (cf. Jacob van Artevelde)
-> Belfort: symbool stedelijke autonomie (uniek: is een wereldlijk gebouw)
- privileges (stadsrechten: rechtszekerheid, fiscaliteit) werden er bewaard
* BRUGGE: internationaal handelscentrum
-> vanaf de 12de eeuw toegang tot de zee via het Zwin
- zware storm: vaargeul van de Noordzee naar Sluis en Damme (voorhavens)
-> naties van vreemde kooplui (Venetianen, Florentijnen, Catalanen, Engelsen, …)
- hebben elk een eigen statuut (met weinig beperkingen)
-> eerste wisselbeurs (sleutelrol voor herbergiers/makelaars)
* gewestelijke identiteit
-> vroege sporen van identificatie met het graafschap
-> ontwikkeling gewestelijke geschiedschrijving (maar nadruk op stedelijk perspectief)
Oudste kaart van Vlaanderen
(gemaakt door een Genuaan,
midden 15de eeuw)
- Hertogdom BRABANT
* graafschap Leuven als kern (later: Brussel -> Antwerpen -> ’s Hertogenbosch)
* machtsuitbreiding van de 13de eeuw (1288: Slag bij Woeringen)
-> verovering hertogdom Limburg, wordt een sterke vazal in het HRR
* ‘hertog van Brabant’ wordt een prestigieuze titel
-> rechtstreekse afstamming van Karel de Grote
-> verwijzing naar het oude Lotharingen (cf. ‘Hertog van Neder-Lotharingen’)
* relatief harmonieuze verhouding vorst en steden
-> ontwikkeling traditie soort ‘contract’ -> Blijde Inkomst (1356)
- bepaalt dat het hertogdom Brabant ondeelbaar is
- steden krijgen controle over het landsbeleid
- buitenlanders worden uitgesloten van bestuurlijke functies
-> Staten van Brabant wordt het overlegorgaan
* sterke historiografische traditie (sterke identificatie met het graafschap)
-> nadruk op het dynastieke
- Graafschap HOLLAND
* meest verstedelijkte gebied in Nederland, dicht netwerk van kleine steden
* kerngebied rond de monding van de Rijn (Leiden, Haarlem, Amsterdam, Delft, …)
-> na drooglegging een erg vruchtbaar gebied
* doorbraak 14de eeuw: visvangst, bierindustrie, kaasproductie, lakennijverheid, scheepsbouw
* bekendste graaf: Floris V (13de eeuw) -> grotere territoriale ambities
-> verovert bv. West-Friesland, wordt uiteindelijk vermoord na een adellijke complot
* personele unie Holland en Henegouwen (14de en 15de eeuw)
, * meer macht van de adel -> allianties (15 de eeuw: partijtwisten tussen de Hoeken en
Kabeljauwen)
- FRIESLAND
* niet gefeodaliseerd (geen landsheer)
-> enkel rijke families die elke een klein gebied beheren
* Friese ‘stinsen’: torens voor veiligheid, ook als woonplaats
* vooral veeteelt, visvangst en handel
* 19de eeuw: nationalisme (idee van de ‘Friese vrijheid’)
- Prinsbisdom LUIK
* bisschop is ook landsheer (i.e. heeft ook wereldlijke macht)
* tot het einde van de 18de eeuw niet formeel onderdeel van de Nederlanden
* versnipperd en tweetalig gebied (merendeel Frans)
-> steden aan de Maas als Luik, Dinant en Hoei (al in de Karolingische tijd belangrijk)
* ontstaan van metaalnijverheid
- De erfenis van de gewesten
* gewesten bewaren doorheen de tijd grotendeels hun autonomie
-> eigen wetten, gewoonten, instellingen en tollen blijven tot einde 18de eeuw
-> vorsten behouden titels en representatieve organen blijven bestaan
* ook stedennetwerk en landschap blijft in relatief ongewijzigde vorm bestaan tot einde 18 de eeuw
-> opeenvolging dominante centra, maar nauwelijks nieuwe steden na 1300
- Atrecht -> Brugge -> Antwerpen -> Amsterdam
LES 2: De eeuw van Bourgondië (1384-1482)
1. Bourgondisch?
- wat betekent ‘bourgondisch’? (Van Dale: ‘overdadig, lekker’)
- ‘Gouden Tijd’ uit de geschiedenis van de België (ankerpunt zoeken) of de Nederlanden
- ‘mislukte’ Bourgondische staat
2. De Bourgondische eenmaking
- 10de-14de eeuw: ingewikkelde verhoudingen tussen de verschillende gewesten
* personele unies: bv. tussen Vlaanderen en Henegouwen, later Henegouwen, Holland en
Zeeland
-> stelt nog niet veel voor (niet territoriaal, maar wel dynastiek denken)
-> gebieden liggen vaak ook ver uit elkaar
* sterke economische interactie: dicht stedennetwerk (vooral Vlaanderen en Brabant)
-> steden ook sterk afhankelijk van elkaar
-> ook contacten met andere regio’s (Duitse Hanzesteden in Noord-Italiaanse steden)
-> Noordwest-Europa 2de zwaarste economische regio (na Noord-Italië)
de de
- 14 -16 eeuw: meeste gewesten in de Bourgondisch-Habsburgse dynastie
* combinatie van toeval en strategie
* blijft een personele unie (tot het einde van het Ancien Régime)
+ prinsbisdom Luik blijft tot 1795 autonoom gebied in het Duitse Rijk
- kan geen personele unie zijn (omdat het door een bisschop bestuurd wordt)
- De hertogen
* 1384: personele unie van Vlaanderen, Artesië en het hertogdom Bourgondië
-> graaf van Vlaanderen heeft geen zonen (enkel dochters: o.a. Margaretha van Male)
-> huwelijke Margaretha van Male met Filips de Stoute (zoon Franse koning)