oefenexamen, gebasseerd op het examen in juni 2025
Vraag 1
Op maandag 1 juni van het jaar X stelt het hoofd van de boekhouding van een
onderneming vast dat Mevrouw Y, commercieel vertegenwoordigster, voor een
totaalbedrag van 13.567 euro aan persoonlijke kosten en uitgaven betaalde met
de creditcard van de onderneming, waarbij zij de facturen "creatief aanpaste"
zodat dit ongemerkt zou blijven.
Op de ochtend van 2 juni brengt hij per mail, met in bijlage het bewijs, de CEO en
CFO van de onderneming op de hoogte, evenals het hoofd van de HR-afdeling.
Vermits de CEO en CFO op zakenreis zijn, vindt een bespreking plaats op
donderdagochtend 4 juni. Men gaat snel tot actie over en op maandag 8 juni
wordt Mevrouw Y bij de verantwoordelijke van HR geroepen, met de feiten
geconfronteerd en onmiddellijk ontslagen. Zij ontvangt alle correcte documenten
die haar ontslag door de werkgever met onmiddellijke ingang en zonder
opzegvergoeding bevestigen.
Mevrouw Y is 38 jaar oud en is op die dag precies 5 jaar en 1 week actief als
werkneemster binnen de onderneming.
Duid de correcte bewering aan:
a) Dit is een ontslag om dringende reden, zodat Mevrouw Y geen recht heeft op
een opzegperiode of een opzegvergoeding.
b) Dit is een ontslag gegeven door de werkneemster, zodat zij slechts recht heeft
op een vergoeding overeenstemmend met een opzegperiode van 9 weken.
c) Dit is een ontslag gegeven door de werkgever waarop de bijzondere regeling
niet correct werd toegepast, zodat Mevrouw Y recht heeft op een vergoeding
overeenstemmend met een opzegperiode van 18 weken.
d) Alle voorgaande beweringen zijn fout.
Vraag 2
Duid de juiste bewering aan. Duid d aan indien alle drie uitspraken foutief zijn.
a) De meerwaarde die ik realiseer bij de verkoop, 4 jaar na aankoop, van mijn
gezinswoning vormt geen onroerend inkomen en blijft dus vrij van
personenbelasting aangezien deze verkoop een normale verrichting van het
beheer van mijn privévermogen uitmaakt.
b) Indien een onderneming (of een winst behaalde vennootschap) gebruik wenst
te maken van de tijdelijke vrijstelling van gerealiseerde lange termijn
meerwaarden, is vereist dat het bedrag van de meerwaarde wordt belegd in een
afschrijfbaar vast actief.
,c) Ik koop op 3 januari van het jaar X met een deel van mijn eindejaarspremie
voor 30.000 euro aandelen van AB InBev. Deze aandelen stijgen sterk op de
beurs en op 4 maart van hetzelfde jaar verkoop ik ze voor 56.000 euro. Gezien
deze meerwaarde gerealiseerd is op korte termijn, is de verkoopwinst belastbaar
aan 33%.
d) Alle drie uitspraken zijn fout.
Vraag 3
U houdt 100% van de aandelen aan van de BV Manco. De balans ziet er als volgt
uit:
Actief
Materieel vast actief: 2 miljoen euro
Portefeuillebeleggingen: 1 miljoen euro
Cash op de bankrekening: 2 miljoen euro
Passief
Werkelijk gestort kapitaal: 2 miljoen euro
Belaste reserves: 1 miljoen euro
Belastingvrije reserves: 2 miljoen euro
Duid de correcte uitspraak aan. Duid d aan indien alle drie voorgaande uitspraken
foutief zijn.
a) Een dividenduitkering ten belope van 1,2 miljoen euro kan belastingvrij
geschieden.
b) Een kapitaalvermindering ten belope van 600.000 euro, waarvan 200.000 euro
onderworpen is aan roerende voorheffing.
c) De incorporatie van 1 miljoen euro aan belaste reserves in het kapitaal van de
vennootschap, waardoor dit kapitaal 3 miljoen euro bedraagt, maakt het mogelijk
om na een voldoende lange wachttijd tot een kapitaalvermindering ten belope
van 2,5 miljoen euro over te gaan die niet onderworpen is aan roerende
voorheffing.
d) Alle voorgaande uitspraken zijn fout.
Vraag 4
Welke van deze stellingen is correct?
, a) Een Belgisch rijksinwoner, natuurlijke persoon, betaalt in Frankrijk
inkomstenbelasting (onder de vorm van een Franse voorheffing) op interesten die
hem worden uitbetaald door een in Frankrijk gevestigde vennootschap. Ook in
België worden deze interesten belast, zodat sprake is van juridische dubbele
belasting.
b) Een niet-inwoner van België die in Nederland woont en werkzaam is als
werknemer bij de Albert Heijn-topvennootschap in Amsterdam, is belastbaar in
België op het proportionele deel van zijn salaris (20%) indien hij één dag per
week naar België komt om hier als vertegenwoordiger van de Nederlandse
vennootschap de kwaliteit van de Belgische winkels te onderzoeken. Deze
persoon geniet hierbij van wat men noemt een fiscaal efficiënte "salary split"-
regeling.
c) De Italiaanse wijnboer die vanuit Italië wijn verkoopt aan Belgische klanten, zal
op de winst behaald op deze verkopen aan Belgen in België inkomstenbelasting
verschuldigd zijn indien hij in België een magazijn huurt van waaruit hij de wijn
levert aan Belgische kopers.
d) Alle voorgaande uitspraken zijn fout.
Vraag 5
Welke van onderstaande voordelen is belastbaar als beroepsinkomen?
a) Een walking dinner georganiseerd door de onderneming, gecombineerd met
een concert.
b) De terugbetaling van een treinabonnement tweede klasse voor woon-
werkverkeer.
c) Een werknemer die 10 jaar in dienst is, ontvangt van zijn werkgever een
iPhone, iPad en Mac met een totale waarde van 8.000 euro.
d) Geen van bovenstaande voordelen is belastbaar.
Vraag 6
Openbare orde – welke uitspraak is fout?
a) Er kunnen geen akkoorden met de fiscus worden gesloten, behalve over
feitelijke kwesties; een ruling vormt hierop niet echt een uitzondering.
b) Het principe dat de belastingwet van openbare orde is, verhindert niet dat het
vertrouwensbeginsel wijzigingen kan doorvoeren over de toepassing van een
bepaalde wet voor slechts het komende fiscale jaar.