Evolutieleer
Tree of life: begint bij oercellen (LUCA = laatste gemeenschappelijke voorouder)
Wetenschappelijke naam (binominale naam): geslachtsnaam (genus) +
soortnaam
Genus: theoretische groepering van soorten die zeer sterk op elkaar lijken
en recent een gemeenschappelijke voorouder delen, maar onderling geen
vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen
Biologische soort: morfologie erg gelijkend, onderling voortplanten,
vruchtbaar nageslacht voortbrengen (geen precies punt van splitsen in
verschillende soorten)
Morfologische soort: vergelijkbare, specifieke vorm
Fylogenetische soort: samen voortplanten en meest recente
voorouder als gemeenschappelijke voorouder DNA vergelijken
(Afr. olifant, 2 soorten)
Voorplantingsbarrière tussen verschillende soorten: geen
genenuitwisseling
Geografische ondersoorten: duidelijk onderscheid, kunnen kruisen en
vruchtbare nakomelingen geven (genenuitwisseling (tijger, 6
ondersoorten))
Rassen: binnen elke soort grote variaties licht afwijkende populatie
binnen soort
Fylogenetische stamboom: gemeenschappelijke voorouders zichtbaar
Lamarckisme
Jean-Baptiste de Lamarck geloofde dat krachten ervoor zorgen nakomelingen
lichtjes afwijken van hun ouders nieuwe vormen. Organismen werden
volgens hem door transmutatie steeds complexer (“innerlijk streven” naar)
maximale complexiteit. Hij had het idee dat verworven eigenschappen erfelijk
zijn (modificatie) fout want niet genetisch.
Principe van gebruik en ongebruik van lichaamsdelen (gebruik sterker en
groter worden)
Evolutietheorie Charles Darwin (en Alfred Russel Wallace)
Darwinvinken (Galapagoseilanden): 1000km ten westen van Ecuador (Stille
Oceaan) zijn vinken op elk eiland verschillend (bv. snavel), door aanpassing aan
het voedselaanbod en ecologische omstandigheden en door geografische
scheiding. 13 soorten kwamen elk op meer dan 1 eiland voor en bleken genetisch
nauw verwant.
On the Origin of Spieces (boek): evolutie als proces o.i.v. natuurlijke selectie
Constante verandering aarde niet geschapen
, Gemeenschappelijke voorouder
Multiplicatie van soorten (tree of life met vertakking verschillende
soorten)
Graduele verandering (meestal kleine en subtiele veranderingen)
Natuurlijke selectie
Veronderstellingen:
Overproductie aan nakomelingen (meer dan nodig om soort in stand
te houden)
Struggle for life door te grote populaties (onderlinge concurrentie afh.
van omgeving beter aangepasten hebben grotere overlevingskans)
Variatie binnen 1 soort (individuele verschillen doorgegeven aan
nageslacht)
Betere genencombinaties en gunstige mutaties
Beter passen in omgeving meer overlevingskans meer nakomelingen
overhand in populatie
Survival of the fittest: organismen met voordeligste eigenschappen zullen
meer nakomeling krijgen voordeligste eigenschappen zullen meer voorkomen
Moderne evolutietheorie (neodarwinisme)
Natuurlijke selectie + moderne genetica
Evolutie: verandering van allelfrequenties binnen populatie (door
omgevingsfactoren)
Micro-evolutie: allelfrequenties veranderen meestal in korte periode
Macro-evolutie: ontstaan en verdwijnen van soorten of hogere
fylogenetische groepen over langere periode en op hoger niveau
Variatie is gevolg van recombinatie na seksuele voortplanting (mixing en
crossing-over)
Voordelige mutaties kunnen doorgegeven worden aan volgende generaties, er
zijn dan nieuwe biologische kenmerken en dit verhoogt de variatie in
populatie. Stille mutaties hebben geen invloed. Mutanten die beter aangepast
zijn, hebben een hogere overlevingskans.
Genetische drift: allelfrequenties veranderen door toevallige gebeurtenissen
(hoe kleiner populatie, hoe groter kans mutant kan makkelijker doorzetten in
kleine populatie)
Natuurlijke selectie: organismen verdwijnen uit populatie als ze niet geschikt
zijn om in bepaalde omgeving te overleven of zich voort te planten
Na vele generaties zullen bepaalde nadelige eigenschappen volledig
verdwenen zijn