1. Enkele definities
1.1. Het verschil tussen petrologie en lithologie
Petrologie: subdiscipline binnen geologie die zich bezighoudt met studie van
gesteenten (Gr. petros = steen, lithos = leer)
“Hoe en onder welke omstandigheden is dit gesteente gevormd?””
Lithologie: wetenschap die zich richt op direct waarneembare kenmerken van
gesteenten (Gr. lithos = steen, lithos = leer)
“Wat voor gesteente is dit?”
2. De stollingsgesteenten (magmatische gesteenten)
Stollingsgesteente (magmatisch gesteente): gesteente gevormd door
afkoeling en stolling van magma en lava
2.1. Subgroep 1: dieptegesteenten (plutonische gesteenten)
Dieptegesteenten: ontstaan op grote diepte in aardkorst door zeer langzame
afkoeling van magma (afkoeling duurt soms duizenden jaren)
= Plutonische gesteenten (plutonieten): diep onder aardoppervlak gevormd
vergelijkbaar met onderwereld met Pluto als
Romeinse God
Graniet en gabbro:
Atomen hebben tijd om zich te ordenen en
kristallen te vormen doordat magma zeer traag
afkoelt in diepte (magmakamer) en daardoor is er grofkorrelige
structuur
Vorming vindt plaats onder hoge druk van bovenliggende gesteentelagen,
mineralen worden dicht tegen elkaar geperst en er zijn geen holten en dus
zeer compact
2.2. Subgroep 2: uitvloeiingsgesteenten
Uitvloeiingsgesteenten: ontstaan als vloeibaar
magma aardoppervlak bereikt als lava en stolt
Obsidiaan en puimsteen: verschil in hoeveelheid opgesloten gas
Atomen hebben geen tijd om zich te ordenen en dus geen grote kristallen
doordat magma zeer snel afkoelt op aardkorst en daardoor is er
fijnkorrelige structuur
Atomen hebben geen tijd om rooster te vormen (glasachtig obsidiaan)
en gesteenten zijn zeer licht door gasbellen (poreuze puimsteen)
Puimsteen: gaatjes/holtes ontstaan doordat lucht- en gasbelletjes
vastzitten in lava die snel stolt
, Obsidiaan: glasachtige structuur omdat lava zo snel afkoelt dat er geen
kristallen kunnen vormen
2.3. Subgroep 3: ganggesteenten
Ganggesteenten: overgangsgroep tussen dieptegesteenten en
uitvloeiingsgesteenten, ontstaan wanneer magma op weg naar
aardoppervlak stolt in o.a. spleten, breuken of gangen aardkorst
Porfier:
Porfierische structuur: grote, duidelijke zichtbare kristallen
(fenokristen) die ingebed liggen in zeer fijnkorrelige grondmassa
3. De sedimentaire gesteenten (afzettingsgesteenten)
Sedimentaire gesteente (afzettingsgesteente): gesteente gevormd door
verharding van lagen los materiaal (sediment) dat zich heeft opgehoopt op
aardoppervlak
3.1. Subgroep: biologische sedimentaire gesteenten
Ontstaan door lithificatie: organismen zoals koralen, planten en hun resten
hopen zich op bodem van o.a. meren, rivieren en oceanen op, door druk wordt
organisch materiaal samengeperst tot vast gesteente
3.1.1. De vorming van krijtgesteente
(krijt)
Kalksteen: sedimentair gesteente rijk aan
kalk
Krijtgesteente: zachte, poreuze vorm van kalksteen
Ontstaan in warme, ondiepe zeeën (bv. Krijtzee (70-100 miljoen jaar
geleden)), daar leefden coccolithoforen (eencellige algen) en wanneer deze
sterven zinken hun kalkplaatjes (coccolieten) naar zeebodem
Coccolieten bestaan uit calciumcarbonaat (CaCO3) en vormen pantser om
organismen en zinken na sterfte naar zeebodem
Diepere zeeën: weinig aanvoer van zand of klei zuivere laag witte
kalkmodder ontstond op bodem
4. Metamorfe gesteenten
Metamorfe gesteenten: gesteenten die ontstaan door gedaantewisseling
(metamorfose) van reeds bestaande gesteenten (protolieten)
Kleisteen (protoliet) leisteen (metamorf gesteente)
Kalksteen (protoliet) marmer (metamorf gesteente)
Oorzaken: