KU Leuven | Gebaseerd op PowerPoints Lierman & Hooghe en Stuvia-samenvatting
DEEL I – PUBLIEKRECHT IN PERSPECTIEF
Begrip Uitleg
H1: Basisbegrippen & centrale thema's
Eenheidsstaat Staat waarbij de soevereiniteit onverdeeld bij het centrale
niveau berust.
Gecentraliseerde eenheidsstaat Bevoegdheden binnen één laag van het overheidsbestuur;
lagere instanties hebben geen rechtspersoonlijkheid en staan
onder hiërarchisch toezicht.
Gedecentraliseerde eenheidsstaat Bevoegdheden worden gespreid over meerdere
overheidslagen; lagere instanties hebben eigen
rechtspersoonlijkheid en staan onder administratief/bestuurlijk
toezicht.
Territoriale decentralisatie Overheden zijn bevoegd voor een bepaald grondgebied (bv.
gemeenten en provincies); heeft democratische
vertegenwoordiging.
Functionele decentralisatie Overheden zijn bevoegd voor een bepaald beleidsdomein
waarbij zij over de nodige expertise beschikken.
WM / UM / RM Drie overheidsfuncties: Wetgevende Macht, Uitvoerende
Macht, Rechterlijke Macht. Bestuur = voornamelijk UM.
Bureaucratie (Max Weber) Het overheidsapparaat dat vanaf de tweede helft van de 19e
eeuw sterk werd uitgebouwd op basis van Max Webers
model, gekenmerkt door specialisatie en hiërarchie.
Verzelfstandiging van Overdracht van overheidstaken aan gespecialiseerde
overheidstaken diensten en instellingen (intern of extern).
Spoils system Systeem waarbij een nieuw verkozen president de top van de
administratie (of zelfs de volledige administratie) kan
vervangen door vertrouwelingen. Voorbeeld van
partijpolitisering van de ambtenarij.
Administratieve rekenplichtigheid De verplichting van de administratie om rekenschap af te
leggen over genomen beslissingen en verantwoordelijk te
kunnen worden gesteld voor wat misloopt.
Algemeen bestuursrecht Geheel van rechtsregels die de algemene organisatie en
werking van het bestuur beheersen; ontstaan uit het
bijzondere bestuursrecht.
Bijzonder bestuursrecht Geheel van rechtsregels die de verschillende specifieke
bestuursdomeinen beheersen (bv. omgevingsrecht, sociale
zekerheid).
Bestuursdecreet (2018) Overkoepelend Vlaams decreet dat inzet op kwaliteitsvolle en
digitale dienstverlening van de overheid.
Discretionaire bevoegdheid Bestuursbevoegdheid waarbij het bestuur een beleidskeuze
heeft; het objectieve recht laat een zekere
beoordelingsvrijheid tav de te nemen beslissing.
Gebonden bevoegdheid Bestuursbevoegdheid waarbij het bestuur geen beleidsvrijheid
heeft; slechts één wettige beslissing is mogelijk op grond van
strikte wettelijke voorwaarden.
Imperiumbevoegdheid De bevoegdheid van de overheid om eenzijdig bindende
beslissingen te nemen ten aanzien van derden zonder hun
instemming.
, Bestuurlijke verzelfstandiging De overdracht van overheidstaken aan interne of externe
diensten, instellingen of ondernemingen.
Organiek criterium Criterium dat kijkt naar de hoedanigheid van de betrokken
personen om publiek van privaat te onderscheiden.
Inhoudelijk criterium Criterium dat kijkt naar de functie van de rechtsregels om
publiek van privaat te onderscheiden.
Instrumenteel criterium Criterium dat kijkt naar de gehanteerde technieken om publiek
van privaat te onderscheiden.
Privilege du préalable (1e) Het eerste privilege van de overheid: rechtshandelingen
moeten worden nageleefd zonder dat de wettigheid vooraf
door een rechter moet worden vastgesteld (vermoeden van
conformiteit).
Privilege du préalable (2e) Het tweede privilege van de overheid: de uitvoerbare kracht –
de rechtshandeling is op zichzelf uitvoerbaar zonder
voorafgaande rechterlijke tussenkomst.
Hoorplicht (participatie) Het beginsel dat burgers tijdig en doeltreffend bij beleid
moeten worden betrokken. Geen algemeen beginsel tot
participatie, wel een hoorplicht. Verdrag van Aarhus: recht op
inspraak bij milieubeslissingen.
Verdrag van Aarhus Internationaal verdrag dat het recht op inspraak van burgers
bij milieubeslissingen waarborgt.
Bemiddeling Partijen trachten zelf vrijwillig tot een oplossing te komen voor
hun conflict, met hulp van een onpartijdige bemiddelaar.
H2: Bronnen van het publiekrecht
Algemene rechtsbeginselen (ARB) Door de rechter ontdekte fundamentele principes in onze
rechtspraak. Zelfs zonder wetgeving kunnen ze van
toepassing zijn. Kunnen wettelijke waarde of grondwettelijke
waarde hebben.
ARB met wettelijke waarde Staat boven verordeningen en besluiten, maar onder de
formele wet; aanvullende werking bij de wet. Bv. beginselen
van behoorlijk bestuur.
ARB met grondwettelijke waarde De formele wet moet hiermee in overeenstemming zijn; kan
zelfs wetgeving opzijzetten. Bv. gelijkheidsbeginsel.
Pseudo-wetgeving Omzendbrieven, dienstnota's, beleidsregels. Voegen niets toe
aan de wetgeving, vullen enkel in hoe die geïnterpreteerd
wordt. Bindend voor ambtenaren via gezagsstructuur, niet
voor burgers.
Interpretatieve omzendbrief Omzendbrief met instructies over hoe wetten en besluiten
dienen te worden geïnterpreteerd.
Indicatieve omzendbrief Richtlijnen die de overheid voor zichzelf opstelt als leidraad
voor het invullen van discretionaire bevoegdheden.
Verordenende omzendbrief Omzendbrief die nieuwe rechtsregels formuleert via een
omweg; problematisch en aanvechtbaar bij de RvS. Vereist:
nieuwe rechtsregels + dwingend karakter + bevoegde
overheid + handhavingsmiddelen.
Intrekkingsleer Door de RvS ontwikkeld stelsel over de voorwaarden
waaronder een bestuurshandeling door het bestuur kan
worden ingetrokken (ex tunc).
H3: Verhoudingen in de gelaagde rechtsorde
Subsidiariteitsbeginsel Het centrale bestuursniveau stelt zich terughoudend op
wanneer de doelstellingen voldoende door het lokale
bestuursniveau kunnen worden verwezenlijkt.
Duaal systeem (lokale besturen) Formele scheiding van lokale en centrale overheid; lokale