🌟 OVERZICHT VAN MODULE 2
De module richt zich op:
Het bewust omgaan met informatie die je ontvangt en verwerkt als
orthopedagogisch begeleider.
Je leert reflecteren op jezelf en je professionele handelen.
Je maakt kennis met belangrijke thema’s zoals referentiekader,
waarden en normen, observatie versus interpretatie en het
reflectiemodel van Korthagen.
Deze inzichten zijn cruciaal om professioneel te functioneren binnen de
orthopedagogische praktijk en om bewustwording en groei als hulpverlener te
stimuleren.
1. REFERENTIEKADER
Wat is een referentiekader?
Je referentiekader is jouw persoonlijke bril waardoor je naar de wereld kijkt. Het
wordt beïnvloed door:
Opvoeding
Cultuur
Persoonlijkheid
Ervaringen
Leeftijd en sociale context
Belangrijk inzicht: Iedereen kijkt anders naar eenzelfde situatie. Je geeft er
betekenis aan vanuit je eigen achtergrond. Objectiviteit bestaat niet volledig
– daarom is het belangrijk om je hier bewust van te zijn.
Toegepast op de praktijk Als begeleider moet je:
Je bewust zijn van je eigen referentiekader
Andere perspectieven durven in te nemen (meerzijdige partijdigheid)
Openstaan voor andere interpretaties binnen gezinnen, cliënten, collega’s
Casus en oefening: Een YouTube-video over de “6 blinde mannen en de olifant”
wordt gebruikt om het belang van perspectief te illustreren.
2. WAARDEN EN NORMEN
Wat zijn waarden?
Idealen of principes die jij belangrijk vindt (bijv. respect, veiligheid,
autonomie)
Richtinggevend voor hoe jij beslissingen neemt
Wat zijn normen?
Concrete gedragsregels afgeleid uit je waarden (bijv. “ik kom op tijd” =
uiting van respect)
Waarom belangrijk in het werkveld?
Je waarden en normen beïnvloeden hoe je situaties beoordeelt.
Soms botsen jouw waarden met die van een cliënt, collega of organisatie.
Casus Jan:
Beschrijft een complexe gezinssituatie in een thuisbegeleiding
Vragen helpen je om na te denken over je gevoelens, gedachten,
interpretaties en persoonlijke waarden
, Oefeningen:
Fotodagboek van waarden
Waardensorteeropdracht
Fragment “Durf te vragen” over vluchtelingen en inburgering
3. OBSERVATIE EN INTERPRETATIE
Verschil:
Observatie = feitelijke, objectieve waarneming (bijv. “L niest in haar
mouw”)
Interpretatie = betekenisgeving (bijv. “L is ziek”)
Gevaren:
Interpretaties kunnen leiden tot fouten of zelfvervullende voorspellingen
(self-fulfilling prophecy)
Je vult zaken onbewust in vanuit je eigen referentiekader
Doel:
Leer professioneel objectief rapporteren
Gebruik neutrale taal (geen ‘moeilijk’, ‘vaak’, ‘zielig’, …)
Oefeningen:
Kamertekening
Interpretatie vs observatie op basis van casus Jan
Herformuleren van subjectieve uitspraken naar objectieve
4. REFLECTEREN
Wat is reflecteren?
Systematisch nadenken over eigen handelen, denken, voelen en willen
Een ervaring analyseren en er betekenis aan geven om te leren
Voorwaarden voor reflectie (Groen, 2006):
Tijd, rust, veiligheid, zelfonderzoek, leerhouding, durf tot confrontatie
Reflectie ≠ Evaluatie:
Reflectie is leren zonder te oordelen
Evaluatie is meten: goed/fout, geslaagd/niet geslaagd
Belang van reflecteren:
Zelfbewust functioneren als hulpverlener
Zicht krijgen op je eigen sterktes en werkpunten
Bewust worden van de invloed van waarden en emoties op je handelen
Verbeteren van professionele competenties
5. DE CIRKEL VAN KORTHAGEN
De cirkel van Korthagen is het reflectiemodel dat centraal staat in de opleiding.
5 stappen:
1. Ervaring opdoen: kies een betekenisvolle situatie
2. Terugblikken: beschrijf de context en feiten zo objectief mogelijk
3. Bewustwording: analyseer wat je dacht, voelde, wilde
4. Alternatieven: wat kan je volgende keer anders doen?
5. Uitproberen: formuleer een concreet doel en voer het uit
De module richt zich op:
Het bewust omgaan met informatie die je ontvangt en verwerkt als
orthopedagogisch begeleider.
Je leert reflecteren op jezelf en je professionele handelen.
Je maakt kennis met belangrijke thema’s zoals referentiekader,
waarden en normen, observatie versus interpretatie en het
reflectiemodel van Korthagen.
Deze inzichten zijn cruciaal om professioneel te functioneren binnen de
orthopedagogische praktijk en om bewustwording en groei als hulpverlener te
stimuleren.
1. REFERENTIEKADER
Wat is een referentiekader?
Je referentiekader is jouw persoonlijke bril waardoor je naar de wereld kijkt. Het
wordt beïnvloed door:
Opvoeding
Cultuur
Persoonlijkheid
Ervaringen
Leeftijd en sociale context
Belangrijk inzicht: Iedereen kijkt anders naar eenzelfde situatie. Je geeft er
betekenis aan vanuit je eigen achtergrond. Objectiviteit bestaat niet volledig
– daarom is het belangrijk om je hier bewust van te zijn.
Toegepast op de praktijk Als begeleider moet je:
Je bewust zijn van je eigen referentiekader
Andere perspectieven durven in te nemen (meerzijdige partijdigheid)
Openstaan voor andere interpretaties binnen gezinnen, cliënten, collega’s
Casus en oefening: Een YouTube-video over de “6 blinde mannen en de olifant”
wordt gebruikt om het belang van perspectief te illustreren.
2. WAARDEN EN NORMEN
Wat zijn waarden?
Idealen of principes die jij belangrijk vindt (bijv. respect, veiligheid,
autonomie)
Richtinggevend voor hoe jij beslissingen neemt
Wat zijn normen?
Concrete gedragsregels afgeleid uit je waarden (bijv. “ik kom op tijd” =
uiting van respect)
Waarom belangrijk in het werkveld?
Je waarden en normen beïnvloeden hoe je situaties beoordeelt.
Soms botsen jouw waarden met die van een cliënt, collega of organisatie.
Casus Jan:
Beschrijft een complexe gezinssituatie in een thuisbegeleiding
Vragen helpen je om na te denken over je gevoelens, gedachten,
interpretaties en persoonlijke waarden
, Oefeningen:
Fotodagboek van waarden
Waardensorteeropdracht
Fragment “Durf te vragen” over vluchtelingen en inburgering
3. OBSERVATIE EN INTERPRETATIE
Verschil:
Observatie = feitelijke, objectieve waarneming (bijv. “L niest in haar
mouw”)
Interpretatie = betekenisgeving (bijv. “L is ziek”)
Gevaren:
Interpretaties kunnen leiden tot fouten of zelfvervullende voorspellingen
(self-fulfilling prophecy)
Je vult zaken onbewust in vanuit je eigen referentiekader
Doel:
Leer professioneel objectief rapporteren
Gebruik neutrale taal (geen ‘moeilijk’, ‘vaak’, ‘zielig’, …)
Oefeningen:
Kamertekening
Interpretatie vs observatie op basis van casus Jan
Herformuleren van subjectieve uitspraken naar objectieve
4. REFLECTEREN
Wat is reflecteren?
Systematisch nadenken over eigen handelen, denken, voelen en willen
Een ervaring analyseren en er betekenis aan geven om te leren
Voorwaarden voor reflectie (Groen, 2006):
Tijd, rust, veiligheid, zelfonderzoek, leerhouding, durf tot confrontatie
Reflectie ≠ Evaluatie:
Reflectie is leren zonder te oordelen
Evaluatie is meten: goed/fout, geslaagd/niet geslaagd
Belang van reflecteren:
Zelfbewust functioneren als hulpverlener
Zicht krijgen op je eigen sterktes en werkpunten
Bewust worden van de invloed van waarden en emoties op je handelen
Verbeteren van professionele competenties
5. DE CIRKEL VAN KORTHAGEN
De cirkel van Korthagen is het reflectiemodel dat centraal staat in de opleiding.
5 stappen:
1. Ervaring opdoen: kies een betekenisvolle situatie
2. Terugblikken: beschrijf de context en feiten zo objectief mogelijk
3. Bewustwording: analyseer wat je dacht, voelde, wilde
4. Alternatieven: wat kan je volgende keer anders doen?
5. Uitproberen: formuleer een concreet doel en voer het uit