DEEL 1 – THEORIEVRAGEN (10
punten)
Vraag 1 – Systeemdenken
(2 p)
a) Wat wordt bedoeld met een systeem binnen het systemisch werken? (1 p)
Een systeem is een geheel van personen in een bepaalde context waarbij alle
personen elkaar continu en wederzijds beïnvloeden. Gebeurt er iets bij één
persoon, dan heeft dit invloed op het ganse systeem
b) Leg uit waarom het belangrijk is om niet enkel naar het individu te kijken. (1 p)
Een persoon staat nooit op zichzelf, maar maakt telkens deel uit van meerdere
systemen. Elke persoon wordt beïnvloed door de interactie met zijn omgeving,
door zijn referentiekader en door zijn levensgeschiedenis
Vraag 2 – Basisbegrippen
(4 p)
Leg vier van onderstaande begrippen uit.
Geef telkens een korte uitleg of voorbeeld.
Circulariteit: Circulariteit beschrijft de wederzijdse beïnvloeding die aan de
basis van een systeem ligt. Het staat in contrast met schulddenken.
Bij circulariteit is er niet één oorzaak of een schuldige, maar is het
probleem ontstaan door de interactie. We gaan dus ook kijken hoe we dit
in zijn geheel kunnen oplossen in plaats van één iemand te beschuldigen.
Bv. Moeder roept tegen haar kind omdat het niet luistert, kind luistert niet
omdat moeder roept.
Homeostase: Homeostase is de neiging van een systeem om de balans
tussen verandering (groeien) en het gekende te bewaren. Hierdoor is het
soms moeilijk om over te gaan tot groei, omdat verandering angst met
zich meebrengt. Ook al kan een huidige situatie destructief zijn, toch neigt
het systeem naar behoud van het huidige evenwicht.
Bv. ?
Equifinaliteit: Dit betekent dat een einddoel op verschillende manieren
bereikt kan worden.
Bv. Iedereen ontwikkeld op zijn eigen niveau. In de hulpverlening gaan we
daarom kijken naar de individuele groei en mogelijkheden om ons traject
op maat aan te passen.
Het betekent ook dat het eindresultaat volgens verschillende personen op
een andere manier tot stand is gekomen.
Bv. Tom heeft gedragsproblemen op school. De school legt de scheiding
aan de bron, mama zegt dat dit komt omdat papa te streng is en papa
vindt dat dit komt omdat mama veel te veel toestaat.
Expliciete regels: Expliciete regels zijn duidelijke gemaakte afspraken die
gekend zijn door iedereen in het systeem. Er is geen ruimte voor
, vergissing.
Bv. Na het eten ruimt iedereen zijn eigen spullen op.
Impliciete regels: Impliciete regels bestaan vooral uit verwachtingen,
dromen en wensen in mensen hun hoofd. Ze worden niet uitgesproken,
maar wel verwacht.
Bv. We praten niet over onze gevoelens of Ouders hebben altijd gelijk
Totaliteit: Totaliteit zegt dat een systeem meer is dan de som van zijn
leden. Het zegt iets over de onderlinge relaties van de leden. Het gaat over
het grote geheel, de groep, het systeem, met alles dat erbij hoort.
Bv. ?
(4 begrippen × 1 p)
Vraag 3 – Ieder zijn werkelijkheid
(2 p)
a) Wat betekent het begrip “ieder zijn werkelijkheid”? (1 p)
Iedereen heeft zijn eigen waarheid. We spreken niet over ‘dé waarheid’ omdat
iedereen deze anders beleeft, afhankelijk van zijn referentiekader,
levensgeschiedenis, focus op dat moment.
b) Waarom is dit een belangrijk uitgangspunt voor een orthopedagogisch
begeleider? (1 p)
We moeten als OPB rekening houden met de leefwereld van onze cliënten én zijn
context. Het is belangrijk om te weten hoe onze cliënt de situatie ervaart, maar
zijn context kan een ander licht op de situatie werpen. We moeten hier rekening
mee houden om het volledige plaatje te ontdekken.
Vraag 4 – Netwerkgericht werken
(2 p)
a) Wat verstaan we onder het netwerk van een cliënt? (1 p)
Een netwerk van een cliënt zijn de mensen waarop hij kan rekenen in zijn
ondersteuning. Het gaat over zijn partner, gezin, familie, buren, vrienden,
collega’s, maar ook alle professionals.
b) Geef twee redenen waarom netwerkgericht werken helpend kan zijn. (1 p)
Niemand staat op zichzelf, we hebben ondersteuning nodig van mensen rondom
ons om te kunnen groeien naar de beste versie van onszelf. We hebben steun en
erkenning nodig om vooruit te kunnen.
DEEL 2 – TOEPASSINGSVRAGEN / CASUS
(10 punten)
Casus
Tom (11 jaar) vertoont storend gedrag in de klas: hij roept vaak, kan moeilijk
stilzitten en reageert boos wanneer hij gecorrigeerd wordt.
De school vermoedt ADHD en vraagt aan de ouders om stappen te ondernemen.
Thuis is de situatie gespannen:
Mama voelt zich machteloos en moe.
Papa vindt dat Tom “gewoon strenger aangepakt moet worden”.