PLANNING
Overzichtelijke examensamenvatting in bulletpoints
WAT MOET JE UIT DEZE LES KUNNEN?
De historische evolutie van ruimtelijke planning in Vlaanderen uitleggen.
De belangrijkste planningsinstrumenten onderscheiden: APA, BPA, gewestplan, structuurplan, RUP, beleidsplan
en beleidskader.
De drie bestuursniveaus herkennen: Vlaams, provinciaal en gemeentelijk.
Uitleggen waarom beleidsplanning is ontstaan en hoe dit verschilt van structuurplanning.
De beleidsuitdaging rond ruimtebeslag en bouwshift kritisch bespreken.
Belangrijk vakjargon correct gebruiken.
1. KORTE HISTORIEK
Na WO II: weinig sturing
Na de Tweede Wereldoorlog was er een sterke verstedelijking door wederopbouw.
Er kwamen veel infrastructuurprojecten en grote industriële ontwikkelingen.
Er was nog geen echte overkoepelende ruimtelijke visie.
Gevolg: de ruimte werd weinig gestuurd en ontwikkelingen gebeurden versnipperd.
Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Stedenbouw van 1962
De wet van 1962 was het eerste grote nationale wettelijke kader voor ruimtelijke ordening.
Ze introduceerde de bouwvergunning.
Ze introduceerde ook de plannen van aanleg:
Twee soorten plannen:
algemene plannen van aanleg (APA);
bijzondere plannen van aanleg (BPA).
De wet kondigde ook de opmaak van de gewestplannen aan.
EXAMENZIN
De wet van 1962 vormt het startpunt van een systematischer ruimtelijk beleid, met bouwvergunningen, plannen
van aanleg en later ook gewestplannen.
2. PLANNEN VAN AANLEG
APA en BPA
De plannen van aanleg waren de eerste echte planningsinstrumenten om ruimte juridisch te ordenen.
Ze werkten hiërarchisch: een BPA mocht niet in strijd zijn met een APA.
Ze waren verordenend: burgers en overheid moesten de regels volgen.
Instrument Betekenis
APA Algemeen Plan van Aanleg. Globaal plan voor een gemeente of
groot deel ervan. Legde bestemmingen in ruime zin vast, zoals
RPV2 – Les 1 | Overzichtelijke samenvatting
, wonen, industrie, landbouw of groen.
BPA Bijzonder Plan van Aanleg. Gedetailleerder plan voor een
kleiner gebied, wijk of straat. Bevatte vaak concrete
voorschriften over bouwhoogte, bouwdiepte, dakvorm,
inplanting en wegenis.
Gewestplan Gebiedsdekkend bestemmingsplan dat Vlaanderen
systematisch indeelde in bestemmingszones. Bindend voor
burgers en overheid.
Gewestplan
Het gewestplan had als doel Vlaanderen systematisch in bestemmingszones in te delen.
Het plan was gebiedsdekkend en legde vast welke functies waar mochten komen.
Voorbeelden van bestemmingscategorieën:
Bestemmingen:
woongebied;
industriegebied;
landbouwgebied;
natuur- en groengebied;
recreatiegebied;
gemeenschaps- en nutsvoorzieningen;
infrastructuurzones.
De meeste gewestplannen werden opgemaakt in de jaren 70.
Voor Antwerpen werd het gewestplan vastgesteld in 1979 en later geactualiseerd.
KORT GEZEGD
APA, BPA en gewestplan zijn oudere planningsinstrumenten die bestemmingen en bouwmogelijkheden juridisch
vastlegden. Ze waren bindend, maar vaak weinig flexibel.
3. WAAROM STRUCTUURPLANNING ONTSTOND
Probleem met gewestplan en BPA
Het gewestplan en de BPA's ordenden vooral de ruimte via bestemmingen en gedetailleerde voorschriften.
Na verloop van tijd bleek dat deze instrumenten te weinig visie bevatten.
Ze waren ook te rigide: moeilijk aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen.
Er ontstond druk door:
Voorbeelden:
stadsvlucht;
druk op landelijke gebieden;
versnippering van bebouwing;
toenemende verharding;
nood aan samenhang tussen wonen, werken, mobiliteit, natuur en economie.
Structuurplanning als trendbreuk
Structuurplanning moest zorgen voor meer langetermijnvisie.
Het ging niet enkel om bestemming, maar om een algemene visie op hoe Vlaanderen zich ruimtelijk moest
ontwikkelen.
RPV2 – Les 1 | Overzichtelijke samenvatting
, Op Vlaams niveau ontstond in 1997 het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV).
De structuurplanning werd later ook verankerd op Vlaams, provinciaal en gemeentelijk niveau.
Kenmerken van structuurplanning
Sturend en proactief beleid.
Duidelijke visie op lange termijn.
Concrete acties op korte termijn.
Niet rechtstreeks bindend voor burgers.
Wel beleidsmatig bindend voor overheden.
Vaste opbouw:
Drie delen:
informatief deel;
richtinggevend deel;
bindend gedeelte.
EXAMENZIN
Structuurplanning ontstond omdat gewestplannen en BPA's te rigide waren en te weinig langetermijnvisie boden.
Structuurplannen sturen het beleid, maar zijn niet rechtstreeks bindend voor burgers.
4. VOORBEELDEN OP DRIE BESTUURSNIVEAUS
Drie bestuursniveaus
Ruimtelijke planning gebeurt op drie niveaus:
Niveaus:
Vlaams niveau;
provinciaal niveau;
gemeentelijk niveau.
Dit hangt samen met het subsidiariteitsbeginsel: beslissingen worden genomen op het meest geschikte
niveau.
Een hoger niveau behandelt vooral bovenlokale of strategische ruimtelijke keuzes.
Een lager niveau werkt concreter en dichter bij de lokale situatie.
Niveau Voorbeelden uit de les
Vlaams Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV), Beleidsplan Ruimte
Vlaanderen (BRV), gewestplannen, gewestelijke RUP's.
Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Provincie Antwerpen (RSPA),
Provinciaal Beleidsplan Ruimte Antwerpen (PBRA), provinciale
RUP's.
Gemeentelijk Gemeentelijke structuurplannen, gemeentelijke beleidsplannen
en gemeentelijke RUP's, zoals lokale plannen voor wijken of
projectzones.
Belangrijke voorbeelden
Het RSV wilde Vlaanderen open en stedelijk houden.
Het RSV wilde stadsvlucht keren en steden aantrekkelijker maken.
Het RSV legde de nadruk op behoud van open ruimte, stedelijke gebieden en economische knooppunten.
Het RSPA was het vroegere provinciale beleidskader voor Antwerpen.
RPV2 – Les 1 | Overzichtelijke samenvatting
, Het PBRA is het nieuwe provinciale beleidsplan voor de provincie Antwerpen.
Gemeentelijke structuurplannen, zoals dat van Zaventem of Antwerpen, vertaalden ruimtelijke keuzes op
lokaal niveau.
5. RUIMTELIJKE UITVOERINGSPLANNEN (RUP)
Wat is een RUP?
Een RUP is een juridisch en verordenend plan.
Het geeft uitvoering aan een structuurplan of beleidsplan.
Het legt bestemmingen en stedenbouwkundige voorschriften vast.
Het vormt een belangrijk toetsingskader voor omgevingsvergunningen.
Een RUP kan oudere bestemmingsplannen vervangen, zoals gewestplannen of BPA's.
Waarom was het RUP belangrijk?
Het BPA stond vaak los van een overkoepelende visie.
Een RUP moest juist gekoppeld zijn aan een bredere ruimtelijke visie.
Het RUP verbindt dus beleid met concrete juridische regels.
Daarom past het RUP binnen de logica:
Trapsgewijs:
structuurplan / beleidsplan = visie;
RUP = juridisch kader;
omgevingsvergunning = concrete uitvoering.
KORT GEZEGD
Een RUP vertaalt een ruimtelijke visie naar juridisch bindende regels. Daardoor kan een vergunning eraan worden
getoetst.
6. VAN STRUCTUURPLANNING NAAR BELEIDSPLANNING
Waarom beleidsplanning?
Structuurplannen waren log en moeilijk aanpasbaar.
Informatief, richtinggevend en bindend gedeelte moesten in één geheel worden goedgekeurd.
Het aanpassen van structuurplannen duurde lang en was weinig flexibel.
Er was nood aan een dynamischer systeem dat sneller kon inspelen op nieuwe uitdagingen.
Voorbeelden van nieuwe uitdagingen:
Uitdagingen:
klimaatverandering;
demografische evoluties;
vergrijzing;
hernieuwbare energie;
ruimtebeslag en bouwshift.
Opbouw van beleidsplanning
Beleidsplanning werkt met een strategische visie en beleidskaders.
De strategische visie bevat de lange termijnrichting.
Beleidskaders werken die visie concreter uit voor bepaalde thema's of gebieden.
RPV2 – Les 1 | Overzichtelijke samenvatting
, Dit wordt ook een aanbouwmodel genoemd: later kunnen bijkomende beleidskaders worden toegevoegd.
Beleidsplanning biedt dus meer flexibiliteit dan structuurplanning.
BRV en relatie met RSV
BRV = Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.
Het BRV bouwt verder op het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen.
De strategische visie van het BRV werd opgestart om het verouderde RSV te actualiseren.
Belangrijke ambities zijn:
Ambities:
ruimtebeslag sterk verminderen;
beter ruimtegebruik;
kernversterking;
stoppen met verdere versnippering;
meer hergebruik van bestaande ruimte.
Belangrijk: het RSV blijft historisch en juridisch relevant zolang het BRV niet volledig als nieuw beleidsplan is
afgerond.
EXAMENZIN
Beleidsplanning ontstond omdat structuurplanning te weinig flexibel was. Een beleidsplan werkt met een
strategische visie en beleidskaders, zodat ruimtelijk beleid makkelijker kan worden aangepast aan nieuwe
uitdagingen.
7. RUIMTEBESLAG EN BOUWSHIFT
Wat is ruimtebeslag?
Ruimtebeslag is de ruimte die wordt ingenomen door menselijke functies.
Voorbeelden zijn:
Ruimtebeslag:
huisvesting;
industrie;
handel;
infrastructuur;
recreatie;
verharding.
Ruimtebeslag betekent niet altijd volledig verhard, maar het gaat wel om ruimte die niet meer als open ruimte
functioneert.
Waarom is dit een probleem?
Vlaanderen heeft een grote ruimtelijke voetafdruk en veel verspreide bebouwing.
De inname van open ruimte blijft toenemen, al is het tempo gedaald.
In de les wordt verwezen naar ongeveer 3,8 ha bijkomende ruimte-inname per dag in recente jaren.
Dat komt overeen met meerdere voetbalvelden per dag.
Tegelijk stijgt de bevolking, vergrijst de bevolking en worden gezinnen kleiner.
Daardoor moeten we meer doen met minder ruimte.
RPV2 – Les 1 | Overzichtelijke samenvatting