Introductie
Politieke economie wordt gevormd door drie vragen
(1) Waarom en hoe politieke factoren de inrichting van de economie bepalen en de economische
resultaten beïnvloeden: de meeste belangrijke economische gebeurtenissen hebben een politieke
oorzaak
o Voorbeeld: de grote financiële crisis van 2008 was het gevolg van de ingrijpende liberalisering
van het bankwezen
(2) Hoe economische factoren de politiek en beleidsresultaten beïnvloeden
o Voorbeeld: de opkomst van zowel rechtse als linkse populistische partijen kan grotendeels
worden toegeschreven aan structurele economische veranderingen zoals globalisering en de-
industrialisering, die veel banen in de productiesector voor laaggeschoolde tot middelbaar
geschoolde blanke mannelijke werknemers hebben weggevaagd
(3) Wie heeft er baat bij of lijdt er nadeel van een bepaalde economische regeling of beleidskeuze?
Neoklassieke economisten
- Gebruiken mathematische modellen en kwantitatieve methodes die loshangen van de sociale,
politieke en historische context van economische dynamieken in de echte wereld
- Kritiek
o De aannames achter deze wiskundige modellen zijn vaak simplistisch en onrealistisch, en
laten een conservatieve vooringenomenheid zien die overdreven optimistisch is over de
efficiëntie van vrije markten en pessimistisch over de effectiviteit van overheidsingrijpen
“Homo economicus” = individuen die worden gezien als ‘rationele’ en
eigenbelangrijke actoren die hun nut maximaliseren door beslissingen te nemen op
basis van volledige informatie
- The globale financiële crisis van 2008 heeft de meeste neoklassieke economisten verrast
- Politieke economen staan kritisch tegenover de neoklassieke veronderstelling dat economische
verschijnselen los kunnen worden gezien van machtsverhoudingen en politiek
o Neoklassieke economen zijn bijvoorbeeld van mening dat iemands loon of inkomen een
afspiegeling is van de marginale productiviteit van zijn of haar arbeid (= de extra output die
een bedrijf produceert door die specifieke persoon in dienst te nemen)
Neoliberalisme = een reeks beleidsmaatregelen die is gebaseerd op de neoklassieke economische theorie en
die erop gericht is de rol van de “markten” bij de toewijzing van economische middelen te
maximaliseren en de rol van de staat te beperken tot die van de belangrijkste handhaver van
“marktefficiëntie” in de economie
- Talrijke beleids- en institutionele veranderingen hebben de politieke macht verschoven van
werknemers naar de topmanagers van bedrijven en hun aandeelhouders, en hebben bijgedragen aan
de toename van de inkomens- en vermogensongelijkheid
- Het neoliberalisme probeerde de Keynesiaanse compromissen uit het naoorlogse tijdperk van het
egalitaire kapitalisme ongedaan te maken door middel van een proces van marktwerking
o Zoals het opheffen van beperkingen op internationale economische transacties en het
onderwerpen van overheden en werknemers aan de discipline van de marktkrachten
1
,Het Keynesiaanse tijdperk = de consensus dat actieve overheidsingrijpen in de economie en een
rechtvaardigere verdeling van inkomen en rijkdom de meest effectieve manieren waren om duurzame welvaart
te bereiken
- Een grote vraag vereiste massaconsumptie, wat op zijn beurt een rechtvaardige verdeling van de
koopkracht vereiste
- Door te zorgen voor voldoende inkomen voor minder welgestelde consumenten kon de overheid de
markten voor bedrijven voortdurend uitbreiden en zowel de winsten als de lonen verhogen
Deze Keynesiaanse consensus raakte tijdens de economische crisis van de jaren zeventig in het slop, wat leidde
tot een neoliberale ommezwaai in het economisch denken en de beleidsvorming. Deze ommezwaai versterkte
de inkomens- en vermogensongelijkheid en droeg uiteindelijk bij aan de wereldwijde financiële crisis van 2008.
In dit boek volgen we de neoliberale veranderingen op vier beleidsterreinen die de afgelopen vier decennia een
cruciale rol hebben gespeeld bij het aanwakkeren van economische ongelijkheid en financiële instabiliteit:
(1) Macro-economisch beleid = de instrumenten van de overheid om de conjunctuurcyclus te beheersen
en economische recessies te bestrijden
(2) Sociaal beleid en arbeidsverhoudingen = de organisatie van de verzorgingsstaat en de arbeidsmarkt
(3) Corporate governance = formele en informele regels en normen die de bedrijfsstrategieën van
ondernemingen en de verdeling van winsten tussen hun belangrijkste belanghebbenden (d.w.z.
aandeelhouders, managers en werknemers) bepalen
(4) Financieel beleid = de regulering van het bank- en kredietsysteem
2
, Hoofdstuk 1: De toename van ongelijkheid in het geavanceerde kapitalisme
1. Maatstaven voor economische ongelijkheid
1.1 Verdeling van het persoonlijk inkomen
Gini-coëfficiënt = de mate waarin de feitelijke verdeling van het beschikbare gezinsinkomen afwijkt van de
situatie waarin elk gezin hetzelfde inkomen heeft, variërend van 0 (wat “volmaakte gelijkheid” aangeeft) tot 1
(wat “volledige ongelijkheid” betekent)
Lorenzcurve = het cumulatieve percentage huishoudens (van arm naar rijk) op de horizontale X-as en het
cumulatieve inkomensaandeel van deze huishoudens op de verticale Y-as
- Voorbeeld: de armste 20% van de huishoudens verdient 5% van het totale inkomen
- De Gini-coëfficiënt wordt vervolgens berekend door de verhouding te nemen tussen de oppervlakte
tussen de lijn van perfecte gelijkheid (de diagonale lijn van 45°) en de waargenomen Lorenz-curve
enerzijds, en de oppervlakte tussen de lijn van perfecte gelijkheid en de lijn van perfecte ongelijkheid
anderzijds
o Gini-index = A / (A+B)
- Hoe hoger de coëfficiënt, hoe ongelijker de verdeling
3
,De Gini-coëfficiënt wordt gebruikt door de OECD. Bovenstaande figuur meet de verdeling van het besteedbaar
inkomen nadat alle belastingen zijn betaald en overheidsuitkeringen zijn ontvangen. Omvat inkomen uit
- Arbeid = lonen en salarissen, winstdelingsbonussen en andere vormen van winstgerelateerde
beloning, afkomstig uit zelfstandig ondernemerschap
- Kapitaal = inkomen uit niet-financiële activa zoals onroerend goed en financiële activa zoals
bankrekeningen, obligaties en aandelen
Hoewel de toename van de inkomensongelijkheid een vrijwel universeel verschijnsel was in de geavanceerde
kapitalistische wereld, bestaan er aanzienlijke verschillen tussen de OESO-landen, zowel wat betreft de omvang
van de ongelijkheid als het tempo waarin deze sinds de jaren tachtig is toegenomen:
- Angelsaksische landen hebben doorgaans een grotere inkomensongelijkheid dan de meeste landen op
het Europese vasteland en Japan
o De ongelijkheid nam sneller toe in de Angelsaksische landen dan in de landen op het
Europese vasteland en Japan
- Finland en Zweden vormen een uitzondering op deze trend en behoren volgens deze maatstaf nog
steeds tot de landen met de grootste gelijkheid
- Frankrijk en België zijn de enige twee landen waarvan de Gini-coëfficiënt in deze periode min of meer
gelijk is gebleven
Probleem met statistische indices zoals de Gini-index: ze vatten de gehele inkomensverdeling in één enkel getal
samen, waardoor het een relatief abstracte maatstaf voor ongelijkheid is
Om die reden is het nuttiger om uit te gaan van “verdelingstabellen” = gegevens over het aandeel van
verschillende inkomensgroepen in het totale inkomen dat jaarlijks in een bepaald land wordt verdiend,
en over hoe deze aandelen zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld
o Piketty en Saez hebben dergelijke gegevens verzameld
Er is een aanzienlijk verschil tussen de Angelsaksische landen en andere rijke OESO-landen wat betreft het
inkomensaandeel van de top 1 procent
Aandeel van de top 1% in het totale inkomen in Aandeel van de top 1% in het totale inkomen in
Angelsaksische landen Europa en Japan
U-vorm L-vorm
1980-2007: stijging inkomensaandeel top 1% Het inkomensaandeel van de top 1% is de afgelopen
- VS en VK: 135% jaren in deze landen eveneens gestegen, maar ligt
- Australië: 105% vandaag de dag niet veel lager dan eind jaren veertig
- Canada: 76%
Volgens deze maatstaf is de inkomensongelijkheid
het grootst in de VS, waar het inkomensaandeel van
de top 1% is gestegen van 8% (jaren 70) naar 18,3%
(2007)
4
,Piketty merkt terecht op dat “het aandeel van het inkomen (of vermogen) dat naar het bovenste deciel of
percentiel gaat, een nuttige maatstaf is om te beoordelen hoe ongelijk een samenleving is, omdat het niet
alleen het bestaan van extreem hoge inkomens of extreem grote vermogens weerspiegelt, maar ook het aantal
personen dat van dergelijke voordelen profiteert”
- Deze groep is een zeer kleine minderheid van de populatie, maar is toch veel groter dan de tientallen
of honderden “superelites” die de meeste publieke aandacht krijgen
- Voorbeeld: VS met 250 miljoen volwassenen à 2,5 miljoen individuen maken deel uit van de top 1%
Dit zijn numeriek gezien grote groepen mensen die onvermijdelijk de grootste sociale en politieke invloed in
hun land hebben
= dominante klasse (Piketty)
Soortgelijke verschillen tussen de regio’s komen naar voren als we kijken naar de ontwikkeling van het
inkomensaandeel van de mensen in de onderste 50% (= “lagere klassen”) en de middelste 40%
(= “middenklasse”):
De reële groei van het nationaal inkomen per volwassene (= voor inflatie gecorrigeerde inkomensgroei)
bedroeg in deze periode
- 40% in Europa
- 63% in Noord-Amerika
In beide regio’s is de inkomensgroei systematisch hoger voor de hogere-inkomensgroepen, maar in Europa is de
groeikloof tussen de onderste 50% en de totale bevolking veel kleiner, evenals de kloof tussen de onderste 50%
en de hoogste inkomensgroepen
Het is relevant om naar het aandeel van de totale groei dat door elke groep gedurende de gehele periode is
gerealiseerd te kijken
- Top 1%
o 35% totale groei in VS-Canada
o 18% in Europa
- In Europa zijn de vruchten van de inkomensgroei ook gelijker verdeeld over de onderste 50%: 14% vs.
een magere 2% in Noord-Amerika
5
, Hoewel de middelste 40% in Europa ook een groter aandeel in de totale geaccumuleerde inkomensgroei voor
haar rekening nam dan in de VS en Canada (38% tegenover 32%), is het vooral de situatie van de onderste 50%
die opvallend anders is.
De ongelijkheid in Noord-Amerika is ook aanzienlijk groter aan de bovenkant van de inkomensverdeling. Het
verschil wordt groter naarmate we hoger in de hiërarchie komen:
- Het aandeel van het totale inkomen dat door de top 1% wordt vergaard, is in de VS en Canada 2x zo
groot als in Europa
- Voor de top 0,01% (in de VS 25.000 personen) is dit aandeel 3x zo groot
- Het is 4x zo groot voor de top 0,001% (in de VS 2.500 personen)
! Mensen die tot deze groepen behoren, zijn “superelites” die het grootste deel van hun inkomen uit kapitaal
halen > uit hun arbeid
Het belangrijkste punt hierbij is dat inkomsten uit vermogen steeds belangrijker worden voor groepen
aan de top van de inkomenshiërarchie
1.2 Functionele inkomensverdeling
Het relatieve belang van kapitaalinkomen voor de top 1% – en met name voor de top 0,1% en 0,01% – wijst
erop dat deze groepen de belangrijkste begunstigden zijn van het dalende aandeel van de arbeid en het
daarmee gepaard gaande stijgende aandeel van het kapitaal in het nationaal inkomen
- Persoonlijke inkomensverdeling = de verdeling van het inkomen over de verschillende personen of
huishoudens in een land
- Functionele inkomensverdeling = de verdeling van het inkomen tussen de twee productiefactoren –
d.w.z. de inputs die bedrijven nodig hebben om goederen en diensten te produceren: kapitaal
(waaronder ook grond) en arbeid
In kapitalistische economieën maken bedrijven winst door “waarde toe te voegen” aan grondstoffen en
intermediaire goederen die in het productieproces worden verbruikt, waarbij zowel arbeid (werknemers en
managers) als kapitaal (fabrieks- en administratieve gebouwen, machines en apparatuur) worden ingezet.
Het “bruto binnenlands product” (BBP) = de marktwaarde van alle eindproducten en diensten die binnen een
land in een bepaalde periode worden geproduceerd, waarbij “eindproducten” betekent dat de waarde van
intermediaire goederen niet is meegerekend
- Probleem met BBP en nationaal inkomen is dat het ons niks verteld over de verdeling van dat inkomen
- Maatstaven van persoonlijke inkomensverdeling (zoals Gini of het inkomensaandeel van de top 1%)
moeten altijd ook in acht genomen worden samen met BBP (per capita) omdat ze ons iets vertellen
over de mate van inkomensongelijkheid om een volledig beeld te krijgen van het economisch welzijn
van een land
6
Politieke economie wordt gevormd door drie vragen
(1) Waarom en hoe politieke factoren de inrichting van de economie bepalen en de economische
resultaten beïnvloeden: de meeste belangrijke economische gebeurtenissen hebben een politieke
oorzaak
o Voorbeeld: de grote financiële crisis van 2008 was het gevolg van de ingrijpende liberalisering
van het bankwezen
(2) Hoe economische factoren de politiek en beleidsresultaten beïnvloeden
o Voorbeeld: de opkomst van zowel rechtse als linkse populistische partijen kan grotendeels
worden toegeschreven aan structurele economische veranderingen zoals globalisering en de-
industrialisering, die veel banen in de productiesector voor laaggeschoolde tot middelbaar
geschoolde blanke mannelijke werknemers hebben weggevaagd
(3) Wie heeft er baat bij of lijdt er nadeel van een bepaalde economische regeling of beleidskeuze?
Neoklassieke economisten
- Gebruiken mathematische modellen en kwantitatieve methodes die loshangen van de sociale,
politieke en historische context van economische dynamieken in de echte wereld
- Kritiek
o De aannames achter deze wiskundige modellen zijn vaak simplistisch en onrealistisch, en
laten een conservatieve vooringenomenheid zien die overdreven optimistisch is over de
efficiëntie van vrije markten en pessimistisch over de effectiviteit van overheidsingrijpen
“Homo economicus” = individuen die worden gezien als ‘rationele’ en
eigenbelangrijke actoren die hun nut maximaliseren door beslissingen te nemen op
basis van volledige informatie
- The globale financiële crisis van 2008 heeft de meeste neoklassieke economisten verrast
- Politieke economen staan kritisch tegenover de neoklassieke veronderstelling dat economische
verschijnselen los kunnen worden gezien van machtsverhoudingen en politiek
o Neoklassieke economen zijn bijvoorbeeld van mening dat iemands loon of inkomen een
afspiegeling is van de marginale productiviteit van zijn of haar arbeid (= de extra output die
een bedrijf produceert door die specifieke persoon in dienst te nemen)
Neoliberalisme = een reeks beleidsmaatregelen die is gebaseerd op de neoklassieke economische theorie en
die erop gericht is de rol van de “markten” bij de toewijzing van economische middelen te
maximaliseren en de rol van de staat te beperken tot die van de belangrijkste handhaver van
“marktefficiëntie” in de economie
- Talrijke beleids- en institutionele veranderingen hebben de politieke macht verschoven van
werknemers naar de topmanagers van bedrijven en hun aandeelhouders, en hebben bijgedragen aan
de toename van de inkomens- en vermogensongelijkheid
- Het neoliberalisme probeerde de Keynesiaanse compromissen uit het naoorlogse tijdperk van het
egalitaire kapitalisme ongedaan te maken door middel van een proces van marktwerking
o Zoals het opheffen van beperkingen op internationale economische transacties en het
onderwerpen van overheden en werknemers aan de discipline van de marktkrachten
1
,Het Keynesiaanse tijdperk = de consensus dat actieve overheidsingrijpen in de economie en een
rechtvaardigere verdeling van inkomen en rijkdom de meest effectieve manieren waren om duurzame welvaart
te bereiken
- Een grote vraag vereiste massaconsumptie, wat op zijn beurt een rechtvaardige verdeling van de
koopkracht vereiste
- Door te zorgen voor voldoende inkomen voor minder welgestelde consumenten kon de overheid de
markten voor bedrijven voortdurend uitbreiden en zowel de winsten als de lonen verhogen
Deze Keynesiaanse consensus raakte tijdens de economische crisis van de jaren zeventig in het slop, wat leidde
tot een neoliberale ommezwaai in het economisch denken en de beleidsvorming. Deze ommezwaai versterkte
de inkomens- en vermogensongelijkheid en droeg uiteindelijk bij aan de wereldwijde financiële crisis van 2008.
In dit boek volgen we de neoliberale veranderingen op vier beleidsterreinen die de afgelopen vier decennia een
cruciale rol hebben gespeeld bij het aanwakkeren van economische ongelijkheid en financiële instabiliteit:
(1) Macro-economisch beleid = de instrumenten van de overheid om de conjunctuurcyclus te beheersen
en economische recessies te bestrijden
(2) Sociaal beleid en arbeidsverhoudingen = de organisatie van de verzorgingsstaat en de arbeidsmarkt
(3) Corporate governance = formele en informele regels en normen die de bedrijfsstrategieën van
ondernemingen en de verdeling van winsten tussen hun belangrijkste belanghebbenden (d.w.z.
aandeelhouders, managers en werknemers) bepalen
(4) Financieel beleid = de regulering van het bank- en kredietsysteem
2
, Hoofdstuk 1: De toename van ongelijkheid in het geavanceerde kapitalisme
1. Maatstaven voor economische ongelijkheid
1.1 Verdeling van het persoonlijk inkomen
Gini-coëfficiënt = de mate waarin de feitelijke verdeling van het beschikbare gezinsinkomen afwijkt van de
situatie waarin elk gezin hetzelfde inkomen heeft, variërend van 0 (wat “volmaakte gelijkheid” aangeeft) tot 1
(wat “volledige ongelijkheid” betekent)
Lorenzcurve = het cumulatieve percentage huishoudens (van arm naar rijk) op de horizontale X-as en het
cumulatieve inkomensaandeel van deze huishoudens op de verticale Y-as
- Voorbeeld: de armste 20% van de huishoudens verdient 5% van het totale inkomen
- De Gini-coëfficiënt wordt vervolgens berekend door de verhouding te nemen tussen de oppervlakte
tussen de lijn van perfecte gelijkheid (de diagonale lijn van 45°) en de waargenomen Lorenz-curve
enerzijds, en de oppervlakte tussen de lijn van perfecte gelijkheid en de lijn van perfecte ongelijkheid
anderzijds
o Gini-index = A / (A+B)
- Hoe hoger de coëfficiënt, hoe ongelijker de verdeling
3
,De Gini-coëfficiënt wordt gebruikt door de OECD. Bovenstaande figuur meet de verdeling van het besteedbaar
inkomen nadat alle belastingen zijn betaald en overheidsuitkeringen zijn ontvangen. Omvat inkomen uit
- Arbeid = lonen en salarissen, winstdelingsbonussen en andere vormen van winstgerelateerde
beloning, afkomstig uit zelfstandig ondernemerschap
- Kapitaal = inkomen uit niet-financiële activa zoals onroerend goed en financiële activa zoals
bankrekeningen, obligaties en aandelen
Hoewel de toename van de inkomensongelijkheid een vrijwel universeel verschijnsel was in de geavanceerde
kapitalistische wereld, bestaan er aanzienlijke verschillen tussen de OESO-landen, zowel wat betreft de omvang
van de ongelijkheid als het tempo waarin deze sinds de jaren tachtig is toegenomen:
- Angelsaksische landen hebben doorgaans een grotere inkomensongelijkheid dan de meeste landen op
het Europese vasteland en Japan
o De ongelijkheid nam sneller toe in de Angelsaksische landen dan in de landen op het
Europese vasteland en Japan
- Finland en Zweden vormen een uitzondering op deze trend en behoren volgens deze maatstaf nog
steeds tot de landen met de grootste gelijkheid
- Frankrijk en België zijn de enige twee landen waarvan de Gini-coëfficiënt in deze periode min of meer
gelijk is gebleven
Probleem met statistische indices zoals de Gini-index: ze vatten de gehele inkomensverdeling in één enkel getal
samen, waardoor het een relatief abstracte maatstaf voor ongelijkheid is
Om die reden is het nuttiger om uit te gaan van “verdelingstabellen” = gegevens over het aandeel van
verschillende inkomensgroepen in het totale inkomen dat jaarlijks in een bepaald land wordt verdiend,
en over hoe deze aandelen zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld
o Piketty en Saez hebben dergelijke gegevens verzameld
Er is een aanzienlijk verschil tussen de Angelsaksische landen en andere rijke OESO-landen wat betreft het
inkomensaandeel van de top 1 procent
Aandeel van de top 1% in het totale inkomen in Aandeel van de top 1% in het totale inkomen in
Angelsaksische landen Europa en Japan
U-vorm L-vorm
1980-2007: stijging inkomensaandeel top 1% Het inkomensaandeel van de top 1% is de afgelopen
- VS en VK: 135% jaren in deze landen eveneens gestegen, maar ligt
- Australië: 105% vandaag de dag niet veel lager dan eind jaren veertig
- Canada: 76%
Volgens deze maatstaf is de inkomensongelijkheid
het grootst in de VS, waar het inkomensaandeel van
de top 1% is gestegen van 8% (jaren 70) naar 18,3%
(2007)
4
,Piketty merkt terecht op dat “het aandeel van het inkomen (of vermogen) dat naar het bovenste deciel of
percentiel gaat, een nuttige maatstaf is om te beoordelen hoe ongelijk een samenleving is, omdat het niet
alleen het bestaan van extreem hoge inkomens of extreem grote vermogens weerspiegelt, maar ook het aantal
personen dat van dergelijke voordelen profiteert”
- Deze groep is een zeer kleine minderheid van de populatie, maar is toch veel groter dan de tientallen
of honderden “superelites” die de meeste publieke aandacht krijgen
- Voorbeeld: VS met 250 miljoen volwassenen à 2,5 miljoen individuen maken deel uit van de top 1%
Dit zijn numeriek gezien grote groepen mensen die onvermijdelijk de grootste sociale en politieke invloed in
hun land hebben
= dominante klasse (Piketty)
Soortgelijke verschillen tussen de regio’s komen naar voren als we kijken naar de ontwikkeling van het
inkomensaandeel van de mensen in de onderste 50% (= “lagere klassen”) en de middelste 40%
(= “middenklasse”):
De reële groei van het nationaal inkomen per volwassene (= voor inflatie gecorrigeerde inkomensgroei)
bedroeg in deze periode
- 40% in Europa
- 63% in Noord-Amerika
In beide regio’s is de inkomensgroei systematisch hoger voor de hogere-inkomensgroepen, maar in Europa is de
groeikloof tussen de onderste 50% en de totale bevolking veel kleiner, evenals de kloof tussen de onderste 50%
en de hoogste inkomensgroepen
Het is relevant om naar het aandeel van de totale groei dat door elke groep gedurende de gehele periode is
gerealiseerd te kijken
- Top 1%
o 35% totale groei in VS-Canada
o 18% in Europa
- In Europa zijn de vruchten van de inkomensgroei ook gelijker verdeeld over de onderste 50%: 14% vs.
een magere 2% in Noord-Amerika
5
, Hoewel de middelste 40% in Europa ook een groter aandeel in de totale geaccumuleerde inkomensgroei voor
haar rekening nam dan in de VS en Canada (38% tegenover 32%), is het vooral de situatie van de onderste 50%
die opvallend anders is.
De ongelijkheid in Noord-Amerika is ook aanzienlijk groter aan de bovenkant van de inkomensverdeling. Het
verschil wordt groter naarmate we hoger in de hiërarchie komen:
- Het aandeel van het totale inkomen dat door de top 1% wordt vergaard, is in de VS en Canada 2x zo
groot als in Europa
- Voor de top 0,01% (in de VS 25.000 personen) is dit aandeel 3x zo groot
- Het is 4x zo groot voor de top 0,001% (in de VS 2.500 personen)
! Mensen die tot deze groepen behoren, zijn “superelites” die het grootste deel van hun inkomen uit kapitaal
halen > uit hun arbeid
Het belangrijkste punt hierbij is dat inkomsten uit vermogen steeds belangrijker worden voor groepen
aan de top van de inkomenshiërarchie
1.2 Functionele inkomensverdeling
Het relatieve belang van kapitaalinkomen voor de top 1% – en met name voor de top 0,1% en 0,01% – wijst
erop dat deze groepen de belangrijkste begunstigden zijn van het dalende aandeel van de arbeid en het
daarmee gepaard gaande stijgende aandeel van het kapitaal in het nationaal inkomen
- Persoonlijke inkomensverdeling = de verdeling van het inkomen over de verschillende personen of
huishoudens in een land
- Functionele inkomensverdeling = de verdeling van het inkomen tussen de twee productiefactoren –
d.w.z. de inputs die bedrijven nodig hebben om goederen en diensten te produceren: kapitaal
(waaronder ook grond) en arbeid
In kapitalistische economieën maken bedrijven winst door “waarde toe te voegen” aan grondstoffen en
intermediaire goederen die in het productieproces worden verbruikt, waarbij zowel arbeid (werknemers en
managers) als kapitaal (fabrieks- en administratieve gebouwen, machines en apparatuur) worden ingezet.
Het “bruto binnenlands product” (BBP) = de marktwaarde van alle eindproducten en diensten die binnen een
land in een bepaalde periode worden geproduceerd, waarbij “eindproducten” betekent dat de waarde van
intermediaire goederen niet is meegerekend
- Probleem met BBP en nationaal inkomen is dat het ons niks verteld over de verdeling van dat inkomen
- Maatstaven van persoonlijke inkomensverdeling (zoals Gini of het inkomensaandeel van de top 1%)
moeten altijd ook in acht genomen worden samen met BBP (per capita) omdat ze ons iets vertellen
over de mate van inkomensongelijkheid om een volledig beeld te krijgen van het economisch welzijn
van een land
6