Week 1: Hoorcollege 1........................................................................................ 2
Week 2: Hoorcollege 2........................................................................................ 6
Week 2: Artikel – Coolen et al. (2020)...............................................................13
Week 2: Artikel – Thomas, G., Zolin, R. and Hartman, J.L. (2009).....................17
Week 3: Hoorcollege 3...................................................................................... 22
Week 3: Artikel – Murphy (2001) organisatie als constitutie ............................27
Week 3: Artikel – Taylor (2000) – organisatie als cultuur...................................31
Week 5: Hoorcollege 4...................................................................................... 34
Week 5: Artikel – Turner et al. (2006)................................................................36
Week 5: Artikel – Kapitz & Cowell (2011)..........................................................46
Week 6: Artikel – Coombs, Hollayday (2008)....................................................49
Week 6: Artikel – Coombs (2006)......................................................................53
Week 6: Artikel – Janssen & Gerards (2016)......................................................58
Week 7: Artikel – Zwijze-Koning & De Jong (2007)............................................63
Week 7: Artikel – Hargie (2002)........................................................................67
Page 1 of 71
,Week 1: Hoorcollege 1
3 centrale vragen:
1. Hoe ‘werkt’ organisationele communicatie precies?
2. Hoe is organisationele communicatie te onderzoeken?
3. Hoe is organisationele communicatie te verbeteren?
Functie van communicatie
Smeermiddel in organisaties
Verbindt organisaties met hun omgeving
Let op: Communicatie is zowel een gevolg van de structuur en de cultuur als
een determinant van de structuur en de cultuur
Gevolg: bestaande structuur (hiërarchie) en cultuur bepalen hoe
informatie wordt doorgegeven
Determinant: communicatie vormt de organisatie, er ontstaan regels
(structuur) en er ontstaat een manier van denken (open of gesloten
cultuur)
Organisatie als transmissief proces: zender kanaal ontvanger
Organisatie als constitutief proces: yellow brich road, de communicatie maakt
wat de organisatie is
2 aspecten van organisaties:
1. Expliciete organisatie, ‘formeel’: organisatie zoals ‘bedacht’ op papier
2. Impliciete organisatie, ‘informeel’: organisatie zoals hij daadwerkelijk
werkt
Historische ontwikkeling van organisaties en gevolgen voor
communicatie
Aanbod- naar vraageconomie: tweerichtingsverkeer, organisaties gaan
beter luisteren naar de wens van klanten
Emancipatie werknemer: het creëren van intern draagvlak
Democratisering: verwachting van werknemers dat er meer inspraak komt
Economische groei ➔ toegenomen welvaart: klant wordt kritischer dus is
er meer aandacht voor imago reputatie
Connectiviteit / medialiteit: door opkomst media hebben organisaties
minder controle over de boodschap die ze uitbrengen
Globalisering: communicatie beter afgestemd op internationale relaties
Conclusie: organisaties worden complexer, communicatie ook
- Karl Weick: succesvolle organisatie(communicatie) moet zo complex zijn
als de problemen waar ze mee te maken heeft (= requisite variety)
Wat verandert er in organisaties?
Ander type organisaties (nu: service vs. toen: productie)
Werkprocessen worden complexer: instructies nodig, afstemming nodig en
communicatie dus belangrijker
Grotere onderlinge afhankelijkheid: overleg nodig (ook tussen
organisaties)
Schaalvergroting: media nodig
Multi- en interculturaliteit, grotere mobiliteit: vergroot complexiteit van
communicatie
Page 2 of 71
, Individuen worden belangrijker: werk niet alleen primaire levensbehoefte
om te overleven, ze willen betekenis, erkenning, autonomie en motivatie
5 historische ontwikkelingen
Industrialisatie (1870-1918)
Rationalisatie (1918-1945)
Economische opleving en groei (1945-1975)
Stagnatie (1975-1990)
Digitalisering (na 1990)
Industrialisatie (1870-1918)
Schaalvergroting en opkomst fabrieken veranderen manier van werken:
stappen waren afhankelijk van elkaar
Ingewikkelder productieprocessen
Direct toezicht noodzakelijk (coördinatie en controle van managers)
Medewerkers als ‘lijfeigenen’
o Uitvoerders zonder inbreng, geen ruimte voor dialoog
Communicatie, top down: (mondelinge) instructie en rapportages
Rationalisatie (1918-1945)
Doel: efficiëntie
Verticale arbeidsverdeling (hogere en lagere functies, scheiding denken en
doen)
Horizontale arbeidsverdeling (‘lopende band’ met nadruk op
efficiëntieslag, opsplitsen in kleinere stapjes)
Prestaties tellen (Taylor’s Scientific Management)
Weber’s bureaucratische ideaal: duidelijke regels, functies en hiërarchie
Communicatie, top-down: veel instructies, rapportages voor
vastleggen, direct toezicht maar wel systematisch gestructureerd met
rapportages
Economische opleving en groei (1945-1975)
Mens komt centraal te staan na WOII (Human Relations, sociale relaties,
motivatie en betrokkenheid hebben invloed op prestaties) reactie op
machine metafoor
Veel aandacht voor arbeidsverhouding en motivatie (meer kijken naar de
werknemers)
Streven naar grote betrokkenheid gehele organisatie (cultuur, structuur)
Communicatie, bottom-up: (mondeling) verleg, bottom-up
communicatie
o Niet meer instrumentele rol maar meer sociale functie, hoe
werknemers binden, feedback
Stagnatie (1975-1990)
Mens wordt nog belangrijker
‘Human resource’ management: werknemer als belangrijkste
productiefactor; personeelsbeleid onderdeel van strategische
management
Decentrale verantwoordelijkheden
Flexibeler organisaties
Communicatie, bottom-up: meer en vooral meer bottom-up en
horizontaal
o Medewerkers dragen bij aan besluitvorming, meer mondeling
feedback geven
Page 3 of 71
, Digitalisering (vanaf 1990)
Ontwikkeling internet en intranet
Direct toegang tot mensen en informatie (in- en extern)
Toename van de snelheid van communicatie
Toename van beschikbaarheid van media
Schrift in combinatie met beeld en geluid wordt belangrijker (e-mail)
Gevolgen voor communicatie-afdelingen?
- Verschuiving: van zenden naar faciliteren (evolueert van uitvoerend naar
strategisch en faciliterend)
- Zijn zowel aan het zenden als het kijken wat werknemers doen, hoe
dialoog faciliteren tussen werknemers, interactief
Klassieke benaderingen van organisatiecommunicatie
Communicatie als machine: organisatie is ingericht puur op efficiëntie
Specialisatie: werken in de broodjeszaak Subway, iedereen heeft eigen
taak waar hij zich op moet focussen
Standaardisatie: als 1 radar kapot is, moet dat worden snel vervangen
Voorspelbaarheid: als er iets misgaat, weten we hoe we dat moeten
oplossen omdat we weten op welke manier we werken in de organisatie
Fayol: Theory of Classical Management (formeel en top-down)
Prescriptief = manier waarop organisaties zouden moeten werken
(ideaalbeeld), niet hoe dat in het echt is (staat tegenover desciptief)
Elementen en principes
o Elementen: wat doen we in de organisatie
Vb. Planning, organizing, command, coordination, control
o Principes: hoe het zou moeten
Organizational structure
Organizational power
Organizational reward
Organizational attitude
Principles of organizational power
Centralization: organisatie meest effectief als management
gecentraliseerd is
Authority and responsibility: managers moeten daarvoor gezag houden
Discipline: individuen moeten zich houden aan regels binnen de
organisatie, managers moeten die regels handhaven
Red tape: de grote hoeveelheid aanregels, procedures en formaliteiten
zorgt ervoor dat organisatie juist bijna inefficiënt wordt (doorgeslagen
variant van regels, belemmering)
Weber: Theory of Bureaucracy (formeel en top-down rapportage, veel
voorspelbaarheid & controle)
Niet prescriptief!
Duidelijk vaststellen waar iedereen aan toe is, is het meest eerlijk en
zonder discussie
Kenmerken van een ideaal type organisatie
o Clearly defined hierarchy
o Division of labor: taken zijn verdeeld over de functies
o Centralization (of decision making and power): hogere in de
hiërarchie besluiten
Page 4 of 71