Deze notities bieden een uitgebreid overzicht van farmacologie, essentieel voor
verpleegkundigen. Het behandelt de werking van geneesmiddelen binnen het lichaam,
factoren die deze beïnvloeden, verschillende toedieningswijzen en belangrijke aspecten
van medicatieveiligheid.
1. INLEIDING
We worden dagelijks geconfronteerd met medicatie, zowel persoonlijk als professioneel.
Deze cursus is niet bedoeld om alle medicijnen te behandelen, maar om een basis te
leggen voor het begrijpen van hun werking, mogelijkheden en risico's, zodat je een
bekwame verpleegkundige wordt.
2. FARMACOKINETIEK EN FARMACODYNAMIEK
Om medicatiekennis te verwerven en te delen, is inzicht in farmacokinetiek en
farmacodynamiek cruciaal.
2.1 FARMACODYNAMIEK
Farmacodynamiek beschrijft wat het geneesmiddel met het lichaam doet. De
meeste geneesmiddelen binden zich aan specifieke eiwitten in cellen en op
celmembranen, die een rol spelen in fysiologische processen zoals ademhaling,
bloedsomloop en spijsvertering. Invloed op deze eiwitten heeft effect op deze processen,
zowel positief (genezing) als negatief (nevenwerking).
Deze eiwitten, de aangrijpingspunten voor geneesmiddelen, worden ingedeeld in vier
groepen:
Receptoreiwitten (receptoren): Werken als ontvangers; wanneer een stof
bindt, wordt een signaal doorgegeven aan de cel. Dit werkt via het sleutel-
slotsysteem. Medicatie kan als agonist (boots het natuurlijke effect na) of
antagonist (blokkeert de receptor) fungeren.
Ionkanaaleiwitten (ionkanalen): Speciale eiwitten die water, ionen en andere
opgeloste stoffen door het celmembraan laten passeren. Medicatie kan deze
kanalen blokkeren (bijv. Lidocaïne) of moduleren (remmen of stimuleren).
Transporteiwitten: Eiwitten in het celmembraan die via actief transport (met
ATP) opgeloste stoffen transporteren. Ze zijn onderverdeeld in ionpompen
(nieren, maagwand) en neurotransmittertransporters (zenuwstelsel).
Medicatie werkt voornamelijk blokkerend op deze eiwitten.
Enzymen: Grote complexe eiwitten die biochemische reacties katalyseren door
substraten om te zetten zonder zelf te veranderen. Geneesmiddelen werken
meestal remmend op enzymen door te binden aan hun actieve plaats.
2.2 FARMACOKINETIEK
Farmacokinetiek beschrijft wat het lichaam met een geneesmiddel doet. Het omvat
de wijze en snelheid van resorptie, distributie, metabolisme en excretie, met betrekking
tot de farmacologische, therapeutische en toxische werking. Het
compartimentenmodel stelt het lichaam voor als een verzameling compartimenten.
2.2.1 ABSORPTIE
Absorptie (of resorptie) is de opname van het geneesmiddel in de systemische circulatie
(bloedbaan). Dit kan via slijmvliezen, injectie, of de huid.
2.2.2 HET CENTRALE COMPARTIMENT
Het centrale compartiment omvat de bloed- en lymfebanen en is de spil van de
farmacokinetiek.
Biologische beschikbaarheid: Het gedeelte van de dosis dat onveranderd in de
circulatie komt en beschikbaar is. Bij intraveneuze toediening is dit het hoogst.
Distributie: De verspreiding van het geneesmiddel vanuit het centrale
compartiment door het hele organisme.
Vrije fractie farmacon: De kleine deeltjes geneesmiddel die beschikbaar zijn in
de bloedbaan.
, Gebonden fractie farmacon: Een deel van de vrije fractie dat bindt aan plasma-
eiwitten (vooral albumine), waardoor het tijdelijk minder beschikbaar is.
2.2.3 HET TARGETORGAAN
Het targetorgaan is de plaats waar het geneesmiddel zijn effectieve werking uitoefent
(farmacodynamiek). De vrije fractie wordt hier via de systemische circulatie naartoe
gebracht.
2.2.4 DEPOTFUNCTIE
De vrije fractie wordt ook opgenomen in andere weefsels (bijv. vet- en spierweefsel),
waar het wordt opgeslagen in een reservoir of depot, waardoor het niet langer
beschikbaar is in de systemische circulatie.
2.2.5 METABOLISME
Metabolisme (stofwisseling), voornamelijk in de lever (via cytochroom P450), biochemisch
bewerkt het vrije fractie farmacon. Dit dient om geneesmiddelen te neutraliseren,
ontgiften en af te breken tot metabolieten.
Metabolieten: Afbraakproducten die hydrofiel worden om te kunnen worden
uitgescheiden (voornamelijk via nieren of galwegen).
Pro-drug: Medicatie die pas na metabolisatie in de lever effectief wordt (bijv.
Tramadol®).
First-pass effect: Geneesmiddelen die via het maagdarmstelsel worden
opgenomen, passeren eerst de lever via het portaalsysteem. Een deel wordt daar
afgebroken, wat de biologische beschikbaarheid in het centrale compartiment
verlaagt. Medicatie via mondslijmvlies of rectum omzeilt dit effect.
2.2.6 EXCRETIE
Excretie (eliminatie) is het proces waarbij het organisme het geabsorbeerde
geneesmiddel uitscheidt, voornamelijk via urine, stoelgang, huid of ademhaling.
2.2.7 STREVEN NAAR EVENWICHT
Het lichaam streeft naar een stabiele situatie. Indien de biologische beschikbaarheid
daalt, wordt farmacon uit depotorganen of gebonden fracties weer beschikbaar gemaakt
in het centrale compartiment. Dit is een dynamisch proces met grote variatie per
individu.
2.3 NEVENWERKINGEN VAN GENEESMIDDELEN
Alle geneesmiddelen kunnen bijwerkingen hebben. Observatie is cruciaal.
Factoren die nevenwerkingen bepalen:
Individuele verschillen: Elk lichaam reageert anders op geneesmiddelen.
Te sterke werking: Door leeftijd, genetica of ziekte.
Hypoproteïnemie: Te weinig albumine kan leiden tot overmatige werking en
toxiciteit door minder gebonden fractie.
Verkeerde aangrijpingspunten: Medicatie kan binden aan receptoren in
onbedoelde organen.
Toxische geneesmiddelen: Zoals chemotherapie.
2.4 FARMACOTHERAPEUTISCHE BEGRIPPEN
Deze begrippen zijn essentieel voor interdisciplinaire communicatie, hoewel de
gezondheidszorg geen exacte wetenschap is en individuele reacties sterk kunnen
variëren.
2.4.1 BLOEDSPIEGEL EN BIOLOGISCHE BESCHIKBAARHEID
Curve: Een geneesmiddel wordt via resorptie in de bloedbaan opgenomen,
bereikt een maximum, en wordt vervolgens gemetaboliseerd/uitgescheiden.
Biologische beschikbaarheid: Dosis van medicatie die onveranderd in de
circulatie voorkomt, vaak uitgedrukt in een percentage.
, Bloedspiegel/medicatiespiegel: De concentratie van het geneesmiddel in het
bloed.
2.4.2 HALFWAARDETIJD EN KLARING
Halfwaardetijd: De tijd die het lichaam nodig heeft om de plasmaconcentratie
van een stof te halveren. Vraagt om specifieke kennis van elk geneesmiddel en is
cruciaal voor doseringsschema's.
Klaring: De snelheid waarmee een stof uit het bloed wordt verwijderd, uitgedrukt
in ml/min (meestal via de nieren).
2.4.3 OPTIMALE EFFECTIEVE SPIEGEL OF STEADY STATE CONCENTRATIE
Als de hoeveelheid medicatie die wordt opgenomen gelijk is aan de hoeveelheid die
wordt uitgescheiden, ontstaat een optimale effectieve spiegel of steady state
concentratie. Dit is in de praktijk zelden constant te houden.
2.4.4 THERAPEUTISCHE VENSTER EN THERAPEUTISCHE BREEDTE
Therapeutisch venster: De bandbreedte tussen de minimale en maximale
bloedspiegel waarbij het geneesmiddel effectief is.
Therapeutische breedte: De grootte van dit venster. Brede vensters vereisen
minder strikte monitoring dan smalle vensters.
2.4.5 TOXISCHE- EN SUBTHERAPEUTISCHE DOSIS
Subtherapeutische dosis: Onvoldoende dosis of verminderde resorptie,
waardoor het geneesmiddel niet effectief is.
Toxische dosis: Overdosis of slecht metabolisme, waardoor het geneesmiddel
schadelijke effecten kan veroorzaken.
2.4.6 CUMULATIE
Cumulatie (opstapeling): Door overdosering of persoonsgebonden factoren kan
een onevenwicht tussen absorptie en excretie leiden tot een stijging van het
geneesmiddel in het centrale compartiment. Nevenwerkingen kunnen pas na
lange tijd optreden.
2.4.7 OPSTART- EN/OF ONDERHOUDSDOSIS
Sommige geneesmiddelen vereisen een hogere opstartdosis (loading dose) om snel het
gewenste effect te bereiken, waarna een lagere onderhoudsdosis wordt gebruikt.
2.5 FACTOREN DIE DE WERKING VAN GENEESMIDDELEN BEÏNVLOEDEN
De reactie op geneesmiddelen is individueel en wordt beïnvloed door diverse factoren.
2.5.1 ZIEKTE
Maagdarmstelsel: Verminderde resorptie bij aandoeningen (braken,
dundarmatrofie).
Leverfunctie: Vertraagd metabolisme bij leverstoornissen.
Nierfunctie: Verminderde eliminatie bij nierfunctiestoornissen, leidend tot hogere
plasmaspiegels (toxische zone).
Aanpassing van toedieningswijze, dosis of interval kan nodig zijn.
2.5.2 GENETISCHE FACTOREN
Snel of traag metabolisme: Individuele variaties.
Genetische aandoeningen: Zoals mucoviscidose, die resorptie beïnvloeden.
2.5.3 INTERACTIE TUSSEN MEDICATIE
Gelijktijdig gebruik van meerdere geneesmiddelen kan leiden tot:
, Farmacokinetische interactie: Geneesmiddel beïnvloedt de kinetiek van een
ander.
Farmacodynamische interactie: Geneesmiddel beïnvloedt het effect van een
ander.
Gevolgen: Verminderde of vermeerderde werking, verhoogde leveractiviteit
(snellere metabolisatie), beïnvloeding van nierfunctie (klaring), competitie voor
receptoren, of additief effect.
2.5.4 LICHAAMSGEWICHT
Extreme veranderingen in lichaamsgewicht kunnen het therapeutisch effect beïnvloeden,
vooral bij dosisbepaling per gewicht.
2.5.5 OMGEVINGSFACTOREN
Angst, leefwereld en zelfs omgevingstemperatuur kunnen de inname en werking van
medicatie beïnvloeden.
2.5.6 VOEDING
Interacties tussen medicatie en voeding zijn ook van belang.
2.5.7 BIJZONDERE ZORGVRAGER GROEPEN
Oudere zorgvrager: Verminderde orgaanwerking, polyfarmacie.
Jongere zorgvrager: Kwetsbaar (prematuren, pasgeborenen) door onvolledig
ontwikkelde organen en kleine 'compartimenten'.
Zwangere en zogende zorgvrager: Voorzichtigheid is geboden door beperkt
onderzoek.
Sekse- en gender: Verschillen in bijwerkingen tussen mannen en vrouwen.
3. INDELING
3.1 DEFINITIE
Een geneesmiddel is elke substantie met therapeutische of profylactische eigenschappen
bij ziekten, die fysiologische functies kan herstellen, verbeteren of wijzigen door een
farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect, of voor medische diagnose.
3.2 BENAMING
Specialiteitsnaam (merknaam): Door fabrikant gepatenteerde naam (bijv.
Dafalgan®).
Generische geneesmiddelen: Kwalitatief evenwaardig, goedkoper, verwijst naar
het actieve bestanddeel (bijv. Paracetamol EG®).
Stofnaam: Naam van het actieve bestanddeel (bijv. paracetamol).
Als verpleegkundige is het essentieel om deze verschillende benamingen te kennen en
medicatie te kunnen verklaren.
3.3 INDELING O.B.V. WERKZAAMHEID
Geneesmiddelen kunnen ingedeeld worden op basis van hun doel:
3.3.1 CAUSALE MEDICATIE
Bestrijdt de oorzaak van de ziekte (bijv. antibiotica tegen ziektekiemen, cytostatica tegen
tumorgroei).
3.3.2 SYMPTOMATISCHE MEDICATIE
Bestrijdt symptomen, niet de ziekte zelf (bijv. anti-emeticum tegen misselijkheid,
antipyreticum tegen koorts).
3.3.3 SUBSTITUTIE MEDICATIE
Vervangt stoffen die het lichaam zelf niet of onvoldoende aanmaakt (bijv. hormonen,
vitamines).