Hoofdstuk 1
Waarover gaat de economie?
= Het is een economische wetenschap die inzicht geeft in menselijk gedrag
in de maatschappelijke organisatie vanuit een specifieke invalshoek en
economische relaties.
Betere dagelijkse beslissingen
Problemen in de wereld beter te gebruiken
Beter beleid voeren
Economische goederen:
1) Nuttig
2) Schaars
3) Alternatief aanwendbaar
4) Zowel materieel als immaterieel
3 grote problemen in de economie (T. Scitovonnsky 1910-2002)
1) Allocatie – toewijzing
2) Verdeling – distributie
3) Nastreven van een volledige aanwending – stabilisatieprobleem
Productie
= Alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht
en op een gepaste tijd en plaats ter beschikking worden gesteld van
consumenten door inzet van schaarse middelen (de productiefactoren:
arbeid, natuur, kapitaal en ondernemersinitiatief.
Consumptiegoederen: alle producten die worden gebruikt door
huishoudens, bedrijven en maatschappelijke instellingen
Kapitaalgoederen: een goed waarmee een onderneming zijn
productie en diensten kunnen uitvoeren
Productiefactoren
, 1) Arbeid (L)
2) Natuur (N)
3) Kapitaal (K)
4) Ondernemingsinitiatief
Productiefunctie
= De technische relatie tussen de hoeveelheid productiefactoren (inputs) en
de maximale hoeveelheid economische goederen (output) die men daarmee
kan produceren.
Marginaal product
= De verandering van het outputniveau ten gevolge van een kleine
verandering in de inzet van arbeid.
Afnemend marginaal product
Constant marginaal product
Oplossingsmethode allocatie- en distributieprobleem
1) Centraal geleide economie
2) Markteconomie
3) Onzichtbare hand (A. Smith)
4) Gemengde economie
Hypothese economische wetenschap
1) Mensen reageren op prikkels
2) Rationele beslissingen
3) Ceteris paribus redenering
Hoofdstuk 2
Markt (A. Marschall)
= Theoretisch concept van confrontatie van belangstellende vragers en
potentiële aanbieders.
Marktvormen
, 1) Monopolie
2) Oligopolie
3) Monopolistische concurrentie
4) Zuivere/ perfecte mededinging
Mechanisme om economie te organiseren
1) Marktmechanisme
2) Prijs heeft een signaalfunctie
3) Overheidsinterventies
Marktvraag
= De totale hoeveelheid die alle consumenten samen bereid zijn te kopen
afhankelijk van determinanten zoals prijs en inkomen.
Wet van de vraag
= Als alle andere zaken constant blijven, dan zal de gevraagde hoeveelheid
van een goed dalen als de prijs stijgt.
Negatief verband tussen vraag en prijs
Soorten goederen
1) Normaal goed ↔ inferieur goed
2) Substituten ↔ complementaire goederen
Prijselasticiteit
= De mate waarin de gevraagde hoeveelheden reageren op
prijsverandering.
Determinanten van E vp
1) Beschikbaarheid van substituten
Waarover gaat de economie?
= Het is een economische wetenschap die inzicht geeft in menselijk gedrag
in de maatschappelijke organisatie vanuit een specifieke invalshoek en
economische relaties.
Betere dagelijkse beslissingen
Problemen in de wereld beter te gebruiken
Beter beleid voeren
Economische goederen:
1) Nuttig
2) Schaars
3) Alternatief aanwendbaar
4) Zowel materieel als immaterieel
3 grote problemen in de economie (T. Scitovonnsky 1910-2002)
1) Allocatie – toewijzing
2) Verdeling – distributie
3) Nastreven van een volledige aanwending – stabilisatieprobleem
Productie
= Alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht
en op een gepaste tijd en plaats ter beschikking worden gesteld van
consumenten door inzet van schaarse middelen (de productiefactoren:
arbeid, natuur, kapitaal en ondernemersinitiatief.
Consumptiegoederen: alle producten die worden gebruikt door
huishoudens, bedrijven en maatschappelijke instellingen
Kapitaalgoederen: een goed waarmee een onderneming zijn
productie en diensten kunnen uitvoeren
Productiefactoren
, 1) Arbeid (L)
2) Natuur (N)
3) Kapitaal (K)
4) Ondernemingsinitiatief
Productiefunctie
= De technische relatie tussen de hoeveelheid productiefactoren (inputs) en
de maximale hoeveelheid economische goederen (output) die men daarmee
kan produceren.
Marginaal product
= De verandering van het outputniveau ten gevolge van een kleine
verandering in de inzet van arbeid.
Afnemend marginaal product
Constant marginaal product
Oplossingsmethode allocatie- en distributieprobleem
1) Centraal geleide economie
2) Markteconomie
3) Onzichtbare hand (A. Smith)
4) Gemengde economie
Hypothese economische wetenschap
1) Mensen reageren op prikkels
2) Rationele beslissingen
3) Ceteris paribus redenering
Hoofdstuk 2
Markt (A. Marschall)
= Theoretisch concept van confrontatie van belangstellende vragers en
potentiële aanbieders.
Marktvormen
, 1) Monopolie
2) Oligopolie
3) Monopolistische concurrentie
4) Zuivere/ perfecte mededinging
Mechanisme om economie te organiseren
1) Marktmechanisme
2) Prijs heeft een signaalfunctie
3) Overheidsinterventies
Marktvraag
= De totale hoeveelheid die alle consumenten samen bereid zijn te kopen
afhankelijk van determinanten zoals prijs en inkomen.
Wet van de vraag
= Als alle andere zaken constant blijven, dan zal de gevraagde hoeveelheid
van een goed dalen als de prijs stijgt.
Negatief verband tussen vraag en prijs
Soorten goederen
1) Normaal goed ↔ inferieur goed
2) Substituten ↔ complementaire goederen
Prijselasticiteit
= De mate waarin de gevraagde hoeveelheden reageren op
prijsverandering.
Determinanten van E vp
1) Beschikbaarheid van substituten