Sociologie als wetenschap: werkelijkheid waarnemen, beschrijven
analyseren en verklaren. Focus op de (maatschappelijke) context.
DEEL 1: OP VERKENNING NAAR DE SOCIOLOGIE
Hoofdstuk 1: sociologie, een poging tot definitie
Sociologie is de wetenschap vd samenlevingen. (enkel de menselijke)
ERVARINGSKENNIS WETENSCHAPSKENNIS
Beperkt Onbeperkt, aselect
Absoluut Altijd aanvechtbaar
Moeilijk verwoordbaar Perfect mededeelbaar
Gericht oh totale object Aspectueel
Selectief en subjectief Strikte voorwaarden bij
verzamelen, verwerken en
analyseren
SOCIALE WETENSCHAPPEN NATUURWETENSCHAPPEN
Onderzoekselementen: niet Onderzoekselementen: identiek
identiek, zelf actief optreden en en volledig reproduceerbaar,
zichzelf veranderen ondergaan hun bestaan
Wetmatigheden: niet universeel Wetmatigheden: altijd en overal
geldig
Onderzoeker: deel vh Onderzoeker: staat buiten het
onderzoeksveld, niet altijd neutraal veld
sociologie moet waardevrij,
objectief en neutraal onderzoek
doen
sociologie moet niet waardevrij
zijn; waarde = essentieel onderdeel
vd sociale werkelijkheid
ALLE SOCIALE WETENSCHAPPEN incl SOCIOLOGIE verschillen met alle sociale
socio wetensch
Studieobject: individuen, mensen, Kijkt naar mensen vanuit de
de mensensamenleving samenleving
Zoektocht naar wetmatigheden Menselijk gedrag verklaren vanuit
maatsch structuur en cultuur
Wetenschappelijke werking Sociaal gedrag via vaste patronen
metafoor: plein met huizen
Definitie: sociologie is de menswetenschap die op een systematische wijze
kennis en inzicht wil verwerven in sociale relaties tussen mensen, meer
bepaald de vaste gedragspatronen.
,Empirisch-analytische taak: wel kennis verzamelen, neutrale manier
gegevens verzamelen vb het beleid
Kritische taak: niet zomaar aannemen wat aangenomen wordt, tegen
vooroordelen ingaan, aantonen dat de werkelijkheid niet is zoals ze lijkt
goede socioloog combineert beiden
Hoofdstuk 2: het ontstaan en de grondleggers vd sociologie
Grondslagen id 18e en 19e eeuw ontstaan id 19e eeuw
Tot 19e eeuw: godsdienst gaf verklaringen
Einde 19e eeuw: verandering, wetenschap neemt zijn plaats in
Industriële revolutie fabriekssysteem vervreemding vh eindproduct +
uitbuiting door de werkgevers solidariteit + opstanden (dit wilden
wetenschappers onderzoeken)
Franse revolutie: vrijheid vh individu idee dat een groep niet
gereduceerd mag worden tot een som individuen (Durkheim)
Industriële revolutie plattelandsvlucht(= urbanisatie/ verstedelijking
sociale problemen (armoede, slechte gezondheid, slechte
woonomstandigheden)
Auguste Compte (1798-1857)
Sociale fysica sociologie (vader vd sociologie)
Zocht naar wetmatigheden, sprak over de positivistische benadering vd
sociale werkelijkheid
Drie ontwikkelingsstadia
1 religieuze stadium: religie, bijgeloof, bovennatuurlijke krachten,
speculatie
2 metafysisch stadium: religie, bijgeloof, bovennatuurlijke krachten,
speculatie
3 wetenschappelijke stadium: menselijke handelen en samenleven geleid
door de rede, door wetenschappelijke kennis (het beste)
Karl Marx (1818-1883)
Conflictsocioloog
Klassenconflict: kapitalisme proletariaat (leidt tot uitbuiting)
Economisch systeem (onderbouw) bepaalt het geloof, waarden, overheid,
… (bovenbouw)
,Emile Durkheim (1858-1917)
Oprichter vd moderne sociologie
Elke samenleving heeft onderliggende gemeenschappelijke ideeën die
zeggen hoe mensen zich moeten gedragen tegen elkaar.
Hechtte belang aan vergelijkende studies
Gekende studie over zelfdodingen: wou aantonen dat er sociale oorzaken
zijn voor zelfdodingen verschillende types van zelfdoding
Max Weber (1864-1920)
Interpretatief begrijpen van sociaal gedrag, dus sociologie is nooit 100%
objectief
Studie over de link tss het protestantisme en het moderne kapitalisme,
wou aantonen dat de economie bepaald w door de waarden en de
geloofsovertuiging van mensen ( Marx)
, DEEL 2: DE BOUWSTENEN VD SOCIOLOGIE
Hoofdstuk 1: sociaal handelen, sociale interactie en communicatie
Mensen ontmoeten elkaar constant, ze reageren op elkaar en stemmen
hun gedrag op elkaar af.
Sociaal handelen: handelen dat zijn zin en betekenis ontleent aan een
betrokkenheid op andere mensen en op het gedrag van anderen is gericht.
(kan ook gaan over een conflict, ook niet-handelen kan sociaal handelen
zijn)
Vier soorten sociaal handelen volgens Max Weber:
- Doelrationeel handelen (rationeel handelen)
Men wil een doel bereiken, men maakt een overwogen beslissing in
de middelen die gebruikt zullen worden en welke gevolgen deze
zouden kunnen hebben (kosten-batenanalyse), het vooropgestelde
doel is vaak een tussenschakel in een reeks van doeleinden.
- Waarderationeel handelen (rationeel handelen)
Handelen dat je stelt omdat het een waarde of betekenis heeft,
onafhankelijk van het resultaat, het handelen is een doel op zich en
geen middel.
- Traditioneel handelen (niet-rationeel handelen)
Handelen dat door de gewoonte bepaald is, geen middel maar een
traditie.
- Affectief/ emotioneel handelen (niet-rationeel handelen)
Handelen uit emoties. Vanuit een instinctieve, zintuiglijke,
emotionele of passionele toestand.
zijn ideaaltypes, kunstmatige constructies. Handelingen zijn vaak
combinaties.
rationalisering vd samenleving volgens Weber: historische verandering
van traditie naar het doelrationeel handelen in onze westerse samenleving
hulpvragers en -verleners (waarderationele) geven een andere
betekenis aan kwaliteitsvolle hulpverlening dan het beleid (doelrationele).
Sociale interactie (uiterlijke component): zintuiglijk waarneembare
handelen
Communicatie (innerlijke component): de boodschap