INLEIDING
De samenleving = een feest maar ook een drama
Bv.sterven in woonzorgcentrum in isolatie (Corona).
• Feest = mogelijkheden die de samenleving bied & positieve sociale interacties
• Drama = alle tegenslagen = conflict of spanning tussen mensen
→ staan in contrast met elkaar
• Statica = waar de SL traag in evolueert = stabiele structuren
• Dynamica = de SL evolueert en ontwikklet
Er zijn superveel paradoxen in onze samenleving. Het is allemaal 1 groot raadsel.
→ De studie van onze samenleving is een jonge wetenschap én het is een bewegend
object wat je probeert te bestuderen.
Enkele fenomenen:
• ontgroening en vergrijzing
• denataliteit = er worden minder kinderen geboren in de SL
• migranten
• discriminatie
• echtscheiding
• covid-19
• …
uit het leven stappen als een “sociaal feit”
“Suicide” – Durkheim
,NA-OORLOGS SAMENLEVINGSMODEL
In de middeleeuwen: weinig unctionele diversiteit (90% is boer)
• Ligitimiteitsproblemen (machtsconflicten tussen edelen)
• Gewone mensen zijn afhankelijk van de goodwill van de edelen (voor overleven + geen
risicobescherming via sociale zekerheid tegen armoede, werkloosheid..)
• Alleen edellieden hebben de luxe van: bescherming (burcht/kasteel), vrije tijd, geneg
voedsel, hovelingen die voor hen fysieke taken vervullen
• Godsdienst om status quo te bestendigen en kans op verbetering ligt in Gods handen
Industriële revolutie
Welvaartsstaat:
• Kapitalistisch productiesysteem →Kapitalisme maakt welvaartssprong mogelijk door
belastingen etc. maar geeft de overheid ook meer macht.
• Toenemende rol van de overheid →Verzorgingsstaat
Er zijn altijd maar 6 stappen nodig om iedereen met elkaar te connecteren. Denk aan COVID-19. Begon in
Wuhan en wij dachten “dat komt nooit tot hier” en een paar weken later lag het land plat.
Kenmerken van de verzorgingsstaat:
1. Economische groei (the Golden Sixties)
2. Emancipatie (vooral vrouwen en jongeren)
3. Industrialisering (grote spreiding van industriële vestigingen, ook buiten de traditionele
industriële centra
4. Complexiteit, differentiatie (steeds meer gespecialiseerde instituties, die deeltaken van de
meer diffuse klassieke instituties overnemen)
5. Bureaucratisering (door specialisatie ontstaat de behoefte aan coördinatie en toenemende
complexiteit veroorzaakt een streven naar een efficiënte beheersing van de in het leven geroepen
en uitdijende organisaties)
6. Urbanisering (almaar verder afnemend aandeel van personen dat werkzaam is n de agrarische
sector)
7. Massamedia en pluriformiteit (via massamedia vindt confrontatie plaats met andere leefwijzen,
normen en waarden. Leidt tot de aanvaarding van pluriforme samenleving)
8. Verwetenschappelijking (bevordert mentaliteit om te streven naar beheersing en planning +
rationele houding)
9. Secularisering (scheiding kerk en staat. Vb.: niet enkel nog katholieke scholen, ook
staatsscholen)
10. Democratisering (gezag moet zich zelf steeds opnieuw waarmaken en rechtvaardigen, niet op
basis van traditie, maar op grond van prestatie en deskundigheid)
De gemeenschappelijke noemers waarin de belangrijkste processen en ontwikkelingen worden
samengevat:
1. Economische groei
2. Individualisering (meer dan ooit is iedereen afhankelijk van iedereen MAAR tegelijk zijn we steeds
vrijer om onze eigen keuzes te maken)
3. Pluriformering
Merk op; deze transities geburen geleidelijk + materiële randvoorwaarden (de in toenemende mate
aanwezige wens van mensen om hun relaties naar eigen inzicht en keuze in te richten, impliceert
een streven naar een grotere onafhankelijkheid ten opzichte van anderen)
,DEEL 1: DE SL ALS GEMEENSCHAP
HOOFDSTUK 1: PRIMAIRE RELATIES
• Spectaculaire otwikkelingen op het terrein van de relatievorming tussen mannen en vrouwen
beschrijven
• Ontwikkelingen verklaren aan de hand van maatschappelijke processen vanaf ‘60
“VROEGER WAS HET ANDERS”
→ Vaak gehanteerde referentiepunt: het naoorlogse kern-of standaardgezin:
• ‘veel ‘ en ‘jong’ huwen
• Spoedig na het huwelijk drie tot vier kinderen (binnen het huwelijk)
→ is nu veranderd (zie laurent en delphine)
• Geen zijpistes (zoals onwettige kinderen)
• geen tussenstations (zoals ongehuuwd samenwonen)
• Echtscheiding = zeldzaam
• Seksspecifieke rolverdeling
= triomf van het klassieke kerngezin (het boomergezin)
= nu veel minder van toepassing maar we basseren ons nog steeds op dit systeem
o Woningmarkt: te duur om alleen te wonen, je moet bijna een partner hebben
o Winkels (vlees)
o …
“vandaag” = SL is nogsteeds ontworpen op deze simpelheid:
• Dinks = twee samenwoonende zonder kinderen die alles inzetten op professioneel vlak
• Lat relaties = living apart togheter
• Hola’s = gescheiden ouders die op loopafstand van elkaar wonen = makkelijk voor kinderen
• Vogelnestgezinnen = gescheiden ouders veranderen van huis en kinderen blijven in hetzelfde huis
• Mozaiekgezinnen = samengesteld uit mensen die minimum een tweede relatie hebben die beide
kinderen hebben uit een vorige relatie & nu ook samen kinderen hebben
• Singles in alle vormen
• Generatiegezinnen = kinderen komen terug thuis wonen na scheiding
• Polyamorie = meerdere relaties tegelijk
= traditioneel beeld is veranderd naar zeer veel diversiteit
LIEFDE IN CIJFERS
, = evolutie aantal huwelijken
brutohuwelijkscijfer = aantal huwelijken op 1000
personen
• In 1960 = 7,10
• In 2015 = 3,56
→ huwelijk als basis voor de primaire relatie heeft
veel belang verloren
covid-knik = vermindering aantal huwelijken =
enkel een rimpeling in de statistieken & daarna
weer omhhog
sinds 2000 = aantal huwelijken redelijk stabiel
= aantal huwelijken dalen voor mannen & voor
vrouwen
huwelijk = een sociaal feit
er zijn landen waar het huwelijk wel nog een
institutie is waar de SL op gebasseerd is
Bij het zien van deze cijfers, stel de vraag:
• In welke mate worden ze beïnvloed door bevolkingsomvang?
• In welke mate worden ze beïnvloed door bevolkingsstructuur en ‘population at risk’?
• In welke mate zijn ze tijdsgebonden, een momentopname? Of welke contextuele/temporele
factoren zijn van invloed?