HOOFDSTUK 1 – INLEIDING
1.1. ACADEMISCHE GESCHIEDENIS – TERMINOLOGIE, DEFINITIE, THEORIE:
THERMINOLOGIE
Orthopedagogiek= wetenschap van het handelen in moeilijke opvoedingssituaties. Zij heeft
een lange traditie die haar oorsprong vindt in enkele europese landen:
Klinisch orthopedagogiek= psycho-pedagogiek en meer uitgaat van het kind met lichte
stoornissen in het normaalonderwijs en/of de typische observatie en diagnose van één kind
binnen de opvoedkundige interactie.
3 namen:
1. HEILOPVOEDKUNDE/ HEILPEDAGOGIEK
‣ het helen/ genezen van bepaalde moeilijkheden
o MAAR kreeg doorheen de jaren een zeer negatieve connotatie
o de Duitsers onder bewind van Hitler in WO2 gebruikten die term ook
o DUS geen gebruik van deze term
‣ In Duitsland en andere Duitstalige gebieden: term nog steeds gebruikt
o Heilpedagoog: groot beroep + veel universiteiten die de opleiding van
heilpedagogiek aanbieden
→ pedotherapie
→ focus op genezen & herstellen en de implicatie van een gebrek of een
stoornis
→ term Orthopedagogiek in NL en BE: 1949
→ afstudeeroptie Orthopedagogiek UGENT: 1964
2. PEDOLOGIE
‣ = studie van het kind vanuit verschillende perspectieven → medisch,
pedagogisch, psychologisch, sociaal,…)
‣ vanuit de medische wetenschappen: voornamelijk artsen als uitvoerders.
o omschreven als ‘artsen die zich bezighielden met kinderen met
psychische moeilijkheden’
3. ORTHOPEDAGOGIEK
‣ ‘Ortho’ komt uit het Grieks → betekent ‘een moeilijke/scheve situatie recht
zetten’
‣ De term ‘orthopedagogiek’ komt niet uit het niets: in Amerika kende men het
begrip ‘orthopsychiatrie’ en van daaruit komt het begrip orthopedagogiek
‣ Vanaf 1949 heeft onze discipline dus een naam
‣ De discipline heeft internationaal weinig grond
,3 connotaties:
1. HEILOPVOEDKUNDE: medische visie
2. SPECIALE PEDAGOGIEK: specialiseren in bepaalde doelgroepen
‣ ‘Deelpedagogieken’ van bijzondere deelgroepen
‣ Nu kritisch: de bijzondering en het in hokjes brengen van doelgroepen
‣ eerder ‘bijzondere’ pedagogiek dan ‘speciale’ pedagogiek
3. ORTHOPEDAGOGIEK: Special Needs Education
DEFINITIE
̶ METHODISCH ̶ HANDELEN
̶ DOELGERICHT ̶ MOEILIJKE OPVOEDINGSSITUATIES
̶ ZINVOL
‣ Methodisch:
o Evidence based practice: we weten van de methoden dat ze werkzaam zijn
o Spanningsveld: werken met protocollen en het algemene zodat we meer vanuit
een grondhouding kunnen vertrekken, MAAR kritiek op dat overmatig inzetten
van methodieken alleen
‣ Doelgericht:
o Naar doelen werken → HANDELINGSPLANNING
o Doelen moeten besproken worden met cliënt(systemen)
‣ Zinvol:
o verbeteringen van doelen nastreven
o Ethisch verantwoord
‣ Handelen: de wetenschap van het handelen
o Geïnteresseerd in achterliggende van observeerbaar gedrag
‣ Moeilijke opvoedingssituaties
o Niet enkel over werken met kinderen en jongeren, maar ook met volwassenen
DIFFERENTIATIE
Organisatorische orthopedagogiek
‣ laatste jaren minder aandacht
‣ Het ORGANISEREN en AANSTUREN VAN HET BELEID
o steeds complexer!
o Hoe maakt het beleid bepaalde vormen van handelen (on)mogelijk?
o Hoe kan je vanuit theoretische ideeën het beleid aansturen en omgekeerd?
Theoretische orthopedagogiek
2
, ‣ De theoretici gaan vrij denken en zich over diepe theorieën buigen.
‣ Er zijn echter niet heel veel theoretische orthopedagogen, aangezien de
orthopedagogiek een handelingswetenschap is.
Bijzondere orthopedagogiek
‣ = deelpedagogiek
‣ sterk aangestuurd vanuit de Angelsaksische traditie: Duitstalige en Nederlandstalige
gebieden
‣ In de jaren ’70 sterk tot uiting gekomen + meer focussen op het ontwikkelen van
methodieken voor specifieke doelgroepen
‣ gaat samen met een empirische wending, waarin men deze methoden ging toetsen.
1.2. VAKGROEP UGENT
IN VLAANDEREN: GENT
Vakgroep orthopedagogiek is ontstaan in OC De Nieuwe Vaart:
‣ opgericht door de psychiaters Nyssen en De Busscher die gespecialiseerd waren in
het werken met volwassenen met psychiatrische moeilijkheden.
1. NYSSEN RENE 34-45: PSYCHIATER
‣ zeer sterk gekampt tegen de psychoanalyse
‣ boek over toenmalige heilpedagogiek: leerboek over hoe men om moet gaan
met kinderen en jongeren met een beperking
→ heel moedige daad, aangezien Hitler deze kinderen, jongeren en
volwassenen liet euthanaseren.
2. DE BUSSCHER JACQUES 46-66: PSYCHIATER
‣ Franstalige Gentenaar en arts-psychiater (psychoanalist) in één van de Gentse
hospitalen
‣ was niet thuis in het begeleiden van kinderen (wel van volwassenen),
waardoor hij vrij snel Maria Wens als assistent aannam.
3. WENS MARIA 70-85: PEDAGOOG
‣ In opdracht van Nyssen en De Busscher aan de slag met kinderen en lesgeven
‣ Ze moesten haar ‘juf’ noemen
o Met het plotse overlijden van prof. De Busscher kwam er een gat in de
net opgestarte opleiding orthopedagogiek (’65). Studenten hadden geen
professor orthopedagogiek meer, waardoor ze zelf studiebezoeken
organiseerden.
o Zijn leerstoel werd opgesplitst in drie delen, waarvan de orthopedagogiek
één was. Maria Wens was dus de eerste echte orthopedagoge in Gent.
‣ Ging vooral uit van milieutherapie, de nieuwe schoolbeweging
4. BROEKAERT ERIC 85-16: ORTHOPEDAGOOG
‣ bracht de INTEGRATIEVE HOLISTISCHE ORTHOPEDAGOGIEK binnen
‣ veel werk verricht rond therapeutische gemeenschappen
1.3. STROMINGEN
3
, NEDERLANDSTALIGE GEBIEDEN
1. Fenomenologisch:
‣ Langeveld, Lubbers, Utrechtse school
2. Het medische voorbij:
‣ Vliegenthart: “Kinderen die anders in de wereld staan”
‣ Van Gelder: “De pedagogische situatie van het kind”
3. Handelen en dialoog:
‣ Ter Horst: “Orthopedagogische grondvormen van dialoog”
o Hij was een voorloper van de recovery-beweging: lijkt nieuw in de
geestelijke gezondheidszorg, maar het is wat Ter Horst in de jaren ’60
reeds beschreef.
‣ Kok: “De studie van het handelen zelf”
o Het gaat niet over gestoorde kinderen, maar over de vragen en noden die
deze kinderen naar ons signaleren en hoe wij ons als orthopedagoog
kunnen aanpassen aan deze nood.
o Handelen! Niet behandelen
o Bv. Bestuderen van bepaalde beperkingen is niet perse orthopedagogiek → Maar
wel: welke invloed heeft beperking op opvoedingsproces
4. Kritisch:
‣ Van Gennep
‣ Van Hove
o Was zeer vooruitstrevend en bracht het idee van de AAIDD naar
Vlaanderen → het idee dat een beperking geen individueel kenmerk is,
maar zich bevond in de interactie tussen een individu en zijn/haar
omgeving = HET SOCIAAL ECOLOGISCHE MODEL
o Keken heel kritisch naar de samenleving: het probleem ontstaat niet in de
persoon zelf, maar ontstaat in de bredere sociale structuren → dus
kritisch zijn naar burgerschap
5. Positivistisch:
‣ Rispens, Dumont, Van der Ploeg
o Empirischere gedachte van wereld + trachtten empirische modellen te
ontwikkelen
o ging over het meten, het observeren.
o = DE EMPIRISCHE WENDING: men ging van een kwalitatief verhaal naar
een meer kwantitatief verhaal
6. Integratief:
‣ Broekaert
o integratieve manier van denken: de verschillende paradigma’s moeten
beheerst worden en moeten complementair met elkaar ingezet worden
DUITSTALIGE GEBIEDEN
4