HOOFDSTUK 1: WAT IS PSYCHOLOGIE?
1.1. EEN DEFINITIE VAN DE PSYCHOLOGIE
= de wetenschap
§ Waarbij het gedrag wordt bestudeerd op systematische manier
§ Waarbij gedrag gebruikt wordt om de interne processen te begrijpen die aan de basis liggen
van gedrag
Vragen stellen zoals:
§ Hoeveel keer komt een individu in een gevecht terecht?
§ Zijn er omstandigheden (genetisch, sociaal, individuele geschiedenis)
o Die dit beïnvloeden?
o Waardoor we mogelijk iets meer te weten kunnen komen over mogelijke interne
processen die meespelen?
Bestuderen op wetenschappelijke manier
Opgelet: observeerbaar is een relatief begrip
Het niet zien is relatief; veel minder dan vroeger want nu hersenscans
Pionier psychologie: Hermann Ebbinghaus (Über das Gedächtnis (1885))
1.2. ONTWIKKELINGEN DIE DE PSYCHOLOGIE MOGELIJK GEMAAKT HEBBEN
1.2.1. REDE, INTUÏTIE EN GELOOF
Vragen nu, werden vroeger ook al gesteld ó toch lang voor start wetenschappelijke studies
Filosofen in het Oude Griekenland dachten hier wel al over na (intuïtief: nadenken en naar zichzelf
kijken, maar niet observeren van andere mensen):
§ Plato (428 – 347 v.C.)
o Onderscheid maken tussen de ware, onzichtbare wereld van onveranderlijke, ideale
vormen en de zichtbare, veranderlijke wereld rondom ons, die een onvolmaakte
afspiegeling is van de ware wereld
o Geheugen = waxplaat => ervaringen worden hierop geschreven (Tabula Rasa)
o Echte kennis kwam voort uit de menselijke geest
§ Socrates
o Geheugen is als een vogelkooi: vogels samen/alleen; stil/bewegen => proberen
vangen hiervan kan makkelijk of moeilijk zijn
§ Aristoteles (384 – 322 v.C.)
o Ware kennis niet op observatie gebaseerd
o Uitgaan van axioma’s => herkennen hiervan = demonstratie
Vb. water en aarde willen naar centrum aarde
1
,De kerk => Rooms-katholieke kerk = hoeder van de kennis in de wereld
ð Geschriften Plato en Socrates omgezet naar de kerkelijke leer (hemel & goddelijke ingevingen)
Waarom zo lange tijdsperiode?
§ Complexiteit van het fenomeen (veel verschillende processen aan de gang vooraleer we zaken
zien
§ Eerbied voor de mens (=uniek); geheugen en emoties = ziel (heilig)
1.2.2. DE WETENSCHAPPELIJKE REVOLUTIE
Kerk: centrale rol in middeleeuwen
§ Na val Romeins Rijk => Kerk = enigste instantie die onderwijs stimuleerde
Gevolg: geloofswaarden primair -> ziel niet aards!
§ Tot en met de reformatie in 16e eeuw
ð Opening van wetenschap
Wetenschappelijke revolutie (kennisvergaring in Europa in 16e-17e eeuw) op zelfde moment als
reformatie
§ Belang van systematische observatie & actief ingrijpen in de wereld
§ “Problemen” hiermee (Donders: mentale chronometrie)
Van geocentrisme naar heliocentrisme = de Copernicaanse revolutie (aarde niet centrum)
Copernicus (1473 – 1543)
§ Kalender klopt niet (einde 15e eeuw = 11 dagen achter) => nieuwe Juliaanse kalender
§ Zon staat centraal, niet de aarde/mensen
§ Centrale plaats van de mens in vraag stellen want onderworpen aan natuurwetten
§ Later:
o Galilei (1564 – 1642): boek (1632) waar hij copernicaans model verdedigde + met
reeks van nieuwe observaties onderbouwde
o Newton (1643 – 1727): beschreef bewegingen van de planeten rond de zon
Nieuwe kennis
§ Uit observatie en experimenten
§ Veel kennis was nog voor het eerst te ontdekken
1.2.3. DE GROEIENDE MACHT VAN DE WETENSCHAPPEN EN HET ONTSTAAN VAN TWEE
CULTUREN
Ontwikkelingen waren groter in landen die NIET onder invloed van de rooms-katholieke Kerk zaten ->
invloed wetenschap groeide -> groeien van prestige van de nieuwe wetenschappen
o Twee culturen volgens Snow (1959)
De klassieke, humanistische cultuur ó de nieuwe, natuurwetenschappelijke cultuur
o Spanning nu: onderscheid tussen α- (geestes) en β-wetenschappen (natuur)
2
,1.2.4. DE TOEPASSING VAN DE WETENSCHAPPELIJKE METHODE OP HET MENSELIJKE
FUNCTIONEREN
De persoonlijke fout: verschillen tussen astronomen waren standaard (Duitsland)
De snelheid van informatietransmissie in de zenuwen:
Hermann von Helmholtz (1821 – 1894) mat snelheid van zenuwimpulsen in de zenuwvezels
Vaststelling: snelheid NIET oneindig groot, maar wel = 30m/s
Het onderzoek van Donders
Donders (1818 – 1889) publiceerde artikel (1868) => hoeveel tijd hebben mensen nodig om
eenvoudige taken op te lossen => hoe fysiologische tijd van mentale processen meten?
è 3 verschillende condities
1) Aanbieden van telkens dezelfde stimulus (bv. ki) => pp. zo snel mogelijk herhalen
= a-reactie (eenzelfde reactie op zelfde stimulus)
2) Aanbieden van 5 lettergrepen door elkaar => pp. zo snel mogelijk herhalen
= b-reactie (zowel discriminatie (stimulus) als keuze(antwoord))
3) Aanbieden van 5 lettergrepen door elkaar => pp. alleen stimulus ‘ki’ herhalen
= c-reactie (discriminatie van de stimulus)
è Begin van de mentale chronometrie
1.2.5. DE EVOLUTIETHEORIE
Door Charles Darwin (1809 – 1882): “Origin of species” (1859)
è Afstamming met verandering
aanwezigheid van genetische variatie
è Natuurlijke selectie of “survival of the fittest”/”struggle for life”
• Soorten die zich het best aanpassen hebben meer succes
• Gevolg:
o Mensen ontstaan uit dieren (zeer goed aangepast aan omgeving)
(start: comparatieve psychologie: leren en conditioneren)
o Mens onderhevig aan die natuurwetten
Onderzoek P. en R. Grant (1991): vinkenpopulatie op Galapagoseilanden
è Eerst: half jaar = droogteperiode => kleinere vinken sterven uit want konden grotere en
hardere zaden niet openbreken i.t.t. grotere vinken
è Dan: langdurige nattigheid => grotere vinken sterven uit want voedseltekort door kleiner
zaden
1.3. HET ONTSTAAN VAN DE PSYCHOLOGIE
1.3.1. ONTWIKKELINGEN BINNEN DE FILOSOFIE
Eerste wetenschappers = natuurfilosofen => 15e – 16e eeuw kritisch nadenken
Descartes (1596 – 1650)
Uitgaan van 3 principes
3
, • Dualisme: mensen bestaan uit twee onafhankelijke elementen: lichaam & geest ≈
beschouwingen Plato + katholieke kerk
Geest = vrije wil (niet onderhevig aan natuurwetten) + kern menselijk denken
Lichaam = omhulsel van de geest + geen invloed op de geest
• Rationalisme: ware kennis is gebaseerd op de rede dus goed nadenken => veel
ontdekken over mens en wereld => observatie is niet nodig
• Nativisme: sommige kennis is aangeboren ≈ invloed Plato, Aristoteles en kerk
=> zorgt voor discussie: wat is aangeboren/ beïnvloed door de omgeving?
Een extra nieuwe overtuiging:
Dualistisch interactionisme: lichaam is niet langer de slaaf van de geest => beiden gaan
interageren in de pijnappelklier (wetenschappelijk onderzoek)
MAAR in Engeland: onvrede met nativisme en rationalisme => tegenbeweging = empirisme
§ Observatie is noodzakelijk
§ Geest komt tot stand via sensorische processen
o Dus NIET aangeboren (cfr. Descartes)
o Tabula Rasa
o Ook de geest kan bestudeerd worden
Grondlegger empirisme: John Locke (1632 – 1704)
Volgens Locke: alle menselijke kennis kwam voort uit ervaringen met externe, voelbare
voorwerpen en niet vanuit aangeboren ideeën
=> associaties van ideeën = associationisme= hogere ordekennis kwam tot stand door
combinaties van eenvoudigere ideeën = als 2 dingen tegelijk ervaren worden => mentale
associaties (hond en beet, dokter en verpleegster)
=> lichaam en geest zijn machines en volgen de natuurwetten (dus opensnijden mag)
=> psychologie wordt belangrijk thema binnen de filosofie
1.3.2. PSYCHOLOGIE ALS NIEUWE WETENSCHAP
Eerst in Europa dan in de VS
IN EUROPA
1) Structuralisme met Wundt en Titchener
Wilhelm Wundt (1832 – 1920, Europa) en het structuralisme
§ 1e psychologisch labo aan unief Leipzig, DL
§ Grote invloed door vele publicaties => ook in andere landen labo’s (bv. Michotte)
§ Buitenlanders uitgenodigd => één daarvan = Titchener => richtte ook labo op in VS
§ In 1874: publicatie boek “Grundzüge der psysiologischen Psychologie” => kijken naar het eigen
bewustzijn van binnenuit (= introspectie)
Edward Titchener (1867 – 1927, VS) lanceerde term structuralisme
= elk complex proces kan gereduceerd worden tot een combinatie van elementaire
componenten (sensaties, beelden of sensaties)
4