Inleiding en Concepten
Het Begrip Recht
Noodzakelijkheid: Recht ordent de samenleving, structureert deze, zorgt voor legitimatie en
vrijheid, en vermijdt of beheert conflicten die onvermijdelijk zijn.
Definitie: Het geheel van bindende regels dat de samenleving ordent en in stand houdt,
afdwingbaar via het staatsapparaat.
Componenten:
Bindende regels: Geboden, verboden, regels toepasbaar na keuze, regels over termijnen/
procedures/vormvoorschriften.
Ordening en instandhouding: Bekrachtigt bestaande toestanden en schept nieuwe. Recht
is een maatschappelijk gegeven, context-, tijds- en plaatsgebonden.
Gezag en afdwingbaarheid: Naleving vereist gezag, afdwingbaarheid via sancties. De
rechterlijke macht speelt hierin een rol, naast bemiddeling (erkend, vrijwillig, vertrouwelijk,
win-win gericht).
Onderscheid met andere normensystemen: Recht onderscheidt zich van godsdienst, moraal
en beleefdheid.
Indeling van het Recht
Objectief vs. Subjectief Recht:
Objectief recht: Geheel van gedragsregels van toepassing op een bepaald moment in een
bepaalde samenleving. (bv. de huurwet)
Subjectief recht: Rechten en plichten die voortvloeien uit een rechtsregel voor een
individu. (bv. het recht van de huurder op rustig genot van het gehuurde goed)
Publiekrecht vs. Privaatrecht:
Publiekrecht:
Regelt de relatie tussen overheid en burger, en dient het algemeen belang.
Staatsrecht/Grondwettelijk recht: Inrichting, bevoegdheid, werking van de staat en
fundamentele rechten/vrijheden (Grondwet).
Bestuursrecht/Administratief recht: Concrete rechtsrelatie tussen administratie en
burger (bv. bouwvergunning).
Strafrecht: Omschrijving van strafbare gedragingen en sancties (Strafwetboek).
Strafprocesrecht: Procedure bij strafbare feiten (Wetboek van strafvordering).
Fiscaal recht: Regelt belastingen (Wetboek inkomstenbelastingen).
Privaatrecht:
Regelt de relatie tussen burgers onderling (particulier belang).
Burgerlijk recht: Algemene en essentiële rechtsbegrippen (huwelijk, afstamming,
contracten, aansprakelijkheid). Gebaseerd op de Code Napoléon, met een nieuw
Burgerlijk Wetboek.
Gerechtelijk privaatrecht: Procedure voor burgerlijke rechtbanken (Gerechtelijk
wetboek).
Internationaal privaatrecht: Regels wanneer rechtssystemen van meerdere landen van
toepassing zijn op een rechtstoestand.
, Gemengde Rechtstakken:
Combineren elementen van publiek- en privaatrecht.
Ondernemingsrecht: Regels van toepassing op het ondernemingsgebeuren (bv.
vennootschapsrecht, marktrecht). Centraal begrip: ondernemer (Wetboek Economisch
Recht - WER).
Financieel recht: Regels m.b.t. begroting en spaarwezen.
Sociaal recht:
Arbeidsrecht: Verhouding werkgever-werknemer (arbeidsovereenkomst).
Sociale zekerheid: Verplichte sociale verzekering.
Internationaal Recht:
Volkenrecht: Regelt betrekkingen tussen staten en internationale organisaties.
Supranationaal recht: Regels uitgevaardigd door supranationale instellingen (bv. EU).
Bronnen van het Recht
Materiële Bronnen: Factoren die de inhoud van het recht bepalen (historisch, politiek,
filosofisch, bv. politieke machtsverhoudingen, maatschappelijke gebeurtenissen zoals de
zaak Dutroux).
Formele Bronnen:
Waar het recht te vinden is.
1. Wetgeving:
Internationaal niveau:
Verdragen: Overeenkomsten tussen staten (bv. EVRM, verdrag Dubbelbelasting).
Vereisen tekening en ratificatie.
Supranationale wetgeving (EU):
Verordening: Rechtstreeks toepasselijk in lidstaten (bv. GDPR).
Richtlijn: Bindend qua resultaat, lidstaten kiezen vorm en middelen (moet
omgezet worden).
Aanbeveling: Niet-bindend.
Nationaal niveau:
Grondwet (GW):
Fundamentele wetten over staatsinrichting, bevoegdheden, grondrechten en
vrijheden. België sinds 1831. Essentieel voor een democratische rechtstaat.
Democratische rechtstaat: Machtshebbers respecteren regels, individuele
rechten beschermd, volkssoevereiniteit, politiek pluralisme, vrije verkiezingen.
Scheiding der machten:
Wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht (checks and balances).
Wetgevende macht (WM): Parlement. Maakt regels.
Uitvoerende macht (UM): Regering. Voert regels uit (bv. Koninklijke besluiten,
Ministeriële besluiten).
Rechterlijke macht (RM): Rechtbanken. Controleert regels.
Fundamentele rechten en vrijheden (Titel II GW): Gelijkheidsbeginsel, non-
discriminatie, recht op leven (art. 2 EVRM), verbod op foltering (art. 3 EVRM),