Renaissance
Vlaamse Primitieve herhaling:
In de late middeleeuwen, rond de 14de en 15de eeuw, veranderde de beeldende kunst
ingrijpend, vooral in het Noorden van Europa. Deze vernieuwing kwam voort uit de
internationale gotiek, een elegante en gedetailleerde stijl die zich over heel Europa
verspreidde. Maar in het Noorden ontstond een groep kunstenaars die de beeldende
kunst een nieuwe richting gaf: de Vlaamse Primitieven. Deze kunstenaars, zoals Jan van
Eyck en Robert Campin, brachten een ongeziene realiteit en verfijning in hun werken.
Een belangrijke reden voor deze verandering lag in de sociale context van de
handelssteden. In tegenstelling tot eerdere periodes, waarin de Kerk en de adel de
belangrijkste opdrachtgevers waren, begonnen rijke burgers en handelaren kunst te
bestellen. Zij wilden niet alleen religieuze taferelen, maar ook kunst die het dagelijks
leven weerspiegelde. Hierdoor begonnen kunstenaars religieuze scènes te verweven
met alledaagse details: een Mariaverkondiging kon bijvoorbeeld plaatsvinden in een huis
dat eruitzag als een typisch Vlaams interieur. Dit was een groot verschil met de
vroegmiddeleeuwse kunst, waarin heiligen vaak afgebeeld werden tegen een abstracte,
gouden achtergrond.
Een andere sleutel tot deze vernieuwing was de technische vooruitgang. In plaats van
tempera (een verf op basis van eigeel), gingen kunstenaars olieverf op houten panelen
gebruiken. Olieverf droogt langzamer, waardoor schilders veel meer details en subtiele
overgangen in licht en schaduw konden aanbrengen. Dit zorgde voor een verbluSend
realisme: stoSen leken tastbaar, gezichten kregen een echte huidstructuur en
weerspiegelingen in glas en metaal werden nauwkeurig weergegeven. Deze combinatie
van gedetailleerde weergave, realistische settingen en nieuwe schildertechnieken
betekende een revolutie in de beeldende kunst en legde de basis voor latere
ontwikkelingen in de Renaissance.
,Van Vlaamse Primitieve naar de vroege Renaissance:
In het begin van de 15de eeuw kwamen de kunstwerken uit het noorden van Europa,
zoals die van Robert Campin en Jan van Eyck, ook in het zuiden terecht. Rond diezelfde
tijd begon daar een grote culturele verandering: de Renaissance.
De Renaissance was anders dan de Middeleeuwen. Kunstenaars en denkers uit de 15de
eeuw zagen hun tijd als een nieuw tijdperk, dat verschilde van de eeuwen ervoor. De
veranderingen gebeurden stap voor stap, maar na verloop van tijd werden de verschillen
duidelijker.
De Renaissance vond plaats tussen ongeveer 1400 en 1540, niet alleen in Italië, maar
ook in andere delen van Europa. Dit was een periode van grote vooruitgang, en daarom
wordt het ook wel het "vroegmoderne tijdperk" genoemd.
Wat was er anders? Mensen geloofden dat de samenleving kon verbeteren door te leren
van de oude Grieken en Romeinen. Dit idee werd "rinascita" genoemd,
wat "wedergeboorte" betekent. De Italiaanse schrijver Giorgio Vasari (1511-1574)
gebruikte deze term in zijn boek “Le vite de più eccellenti pittori, scultori, e architettori
(1550)”, (de levens van meest voortreSelijke schilders, beeldhouwers en architecten).
Hij wou er iets mee aanduiden à de aristieke ontwikkelingen van de italiaanse
kusntenaars in de 13de eeuw.
Later, in de 19de eeuw, geeft historici Jean Michelet ( 1858) de naam "Renaissance" om
een geheel van een periode aan te duiden. en Jakob Burckhardt brengt in 1860 een
belangrijk werk (boek) uit over de cultuur van de Renaissance in italië.
, Francesco Petrarca (1304-1374)
Francesco Petrarca wordt gezien als de grondlegger van het humanisme. Hij
bestudeerde oude Griekse en Romeinse teksten, niet alleen om hun inhoud, maar
vooral om hun manier van schrijven en hun ideeën over hoe mensen goed kunnen leven.
In tegenstelling tot de middeleeuwen, waarin de nadruk vooral op godsdienst lag, richtte
hij zich meer op literatuur, geschiedenis en filosofie met de mens als centraal
onderwerp. Hoewel kennis in de middeleeuwse universiteiten ook belangrijk was, lag de
focus daar vooral op theologie (godsdienstige aspecten). Tijdens de Renaissance
verschoof dit, en werd kennis steeds meer gebruikt voor het dagelijks leven en voor
beroepen zoals diplomaten, handelaren, kunstenaars en volksliederen.