Les 1 Protorenaissance
De Protorenaissance, een periode in de 13de en 14de eeuw, was de voorloper of voorbereidende
fase van de Italiaanse Renaissance. In deze tijd werden de basisprincipes en ideeën ontwikkeld
die later zouden uitgroeien tot de bekende bloeiperiode van kunst en cultuur in Italië (de
Renaissance).
Om te begrijpen waarom de Protorenaissance zo belangrijk was, is het handig om te kijken naar
de historische gebeurtenissen die eraan voorafgingen. Deze gebeurtenissen — zoals politieke en
economische veranderingen — creëerden de omstandigheden die het mogelijk maakten dat
kunst en cultuur in deze periode konden opbloeien.
(lees dit zin per zin, dan begrijp je het wel)
De politieke en economische gebeurtenissen legden de basis voor de Protorenaissance.
1. Val van het West-Romeinse Rijk (476): Dit leidde tot de middeleeuwen in West-Europa,
terwijl het Byzantijnse Rijk bleef bestaan.
2. Herstelpogingen door Byzantijnse keizer Justinianus (6de eeuw): Hij heroverde
tijdelijk delen van het oude Rijk, maar deze gebieden werden opnieuw bedreigd door
invallende volkeren.
3. Karel de Grote (9de eeuw): Hij herstelde eenheid in het Frankische Rijk en werd door
paus Leo III tot keizer gekroond, wat hem de titel "Pater Europae" gaf.
4. Heropleving van handel in de 11de eeuw: Steden zoals Florence groeiden door handel.
Families zoals de Medici werden rijke beschermers van kunst en cultuur, wat de weg
vrijmaakte voor de latere bloei van de Renaissance.
Deze context van politieke eenheid en economische groei legde de basis voor de culturele bloei
van de Renaissance.
,In de 13e eeuw begon de economische en sociale structuur van Europa te veranderen door de
groei van steden en handel. Deze stedelijke groei leidde tot een toename van rijkdom onder
handelaars, ambachtslieden en stedelijke elites. Deze nieuwe rijke burgerklasse speelde een
belangrijke rol in de samenleving en had de middelen om projecten en organisaties te
financieren, waaronder religieuze instellingen.
Geestelijke Ordes en Bedelordes:
In deze tijd ontstonden de bedelordes, die nieuwe vormen van religieuze gemeenschappen
waren. Anders dan traditionele kloosterordes zoals de benedictijnen of cisterciënzers, die vooral
buiten de steden in kloosters woonden en zelfvoorzienend waren, kozen bedelordes ervoor om
midden in de stedelijke omgeving te leven. Ze preekten, onderwezen, en verspreidden hun
boodschap direct onder de stedelijke bevolking.
De twee belangrijkste bedelordes waren:
Franciscanen:
De Franciscanen, pgericht door Sint Franciscus van Assisi (1182-1226), stonden voor een leven
van armoede en nederigheid. Ze legden de nadruk op de menselijke kant van het christelijke
geloof, zoals medeleven, liefde voor de natuur, en zorg voor de armen. De Franciscanen
verwierpen alle vormen van persoonlijk bezit en vertrouwden op giften van stadsbewoners en
rijke handelaars om te overleven.
Dominicanen:
De Dominicanen, gesticht door de heilige (Sint) Dominic van Osma (1170-1221), legden sterk
de nadruk op onderwijs. Hun doel was het verdedigen van het geloof en het bestrijden van
geloofsafwijkingen. Zij waren vooral actief in steden, waar ze lesgaven aan zowel de gewone
bevolking als aan de intellectuele elite. Net als de Franciscanen leefden ze van giften en
financiële steun van rijke stedelingen.
Het Westerse Schisma (1378-1417) was een periode van verdeeldheid binnen de Katholieke
Kerk, waarin er tegelijkertijd een paus in Rome en een tegenpaus in Avignon waren. Dit
veroorzaakte veel verwarring en conflict binnen de kerk. Het schisma werd uiteindelijk beëindigd
door het Concilie van Konstanz (1414-1418), waar één paus werd gekozen om de eenheid te
herstellen.
Afhankelijkheid van Stedelijke Rijkdom:
Bedelordes zoals de franciscanen en dominicanen leefden in armoede en vestigden zich in
steden. Ze hadden geen eigen inkomen en waren afhankelijk van giften van rijke stadsbewoners,
vooral handelaars. Deze rijke mensen steunden de bedelordes financieel om kerken te bouwen
en in ruil daarvoor kregen ze een goede reputatie en sociale status.
Geestelijke ordes zijn religieuze gemeenschappen met leden ( volgers) die een specifiek geloofsleven
volgen, vaak afgezonderd in kloosters buiten de stad. Voorbeelden zijn de benedictijnen en
cisterciënzers, die zelfvoorzienend waren.
Bedelordes, zoals de franciscanen en dominicanen, ontstonden in de 13e eeuw en kozen voor een
andere aanpak. In plaats van afgezonderd te leven, vestigden ze zich in steden. Ze leefden in armoede
en vertrouwden op giften, terwijl ze predikten, onderwezen, en de stedelijke bevolking hielpen.
, In de 13e en 14e eeuw was het leven op het Italiaanse schiereiland sterk verbonden door grote
handelssteden zoals Genua, Pisa, Venetië en Florence. Deze steden waren belangrijk voor de
handel, maar het bestuur was niet centraal georganiseerd. De paus had invloed op de politiek,
maar sommige steden, zoals Pisa, weigerde hem te volgen.
De keizers van het Heilige Roomse Rijk moesten door de paus erkend worden. In de 14e eeuw
verhuisde de paus naar Avignon, wat ook invloed had op de situatie.
Pisa was een belangrijke havenstad en kende een bevolkingsgroei tot 15.000 mensen in de 13e
eeuw. De stad was trots op haar Romeinse verleden. De opkomst van handel en ambachten
zorgde voor economische en sociale groei in de steden, in tegenstelling tot het platteland waar
de feodaliteit nog sterk was.
Echter, rond 1340 kwam de pestepidemie die tussen de 75 en 200 miljoen mensen doodde, en
veel banken gingen failliet. Toch was deze periode ook een tijd van culturele bloei, vooral door de
invloed van een rijke en opgeleide elite.
Dante, Petrarca en Boccaccio waren belangrijke Italiaanse schrijvers die oude boeken
bestudeerden. In hun werk legden ze de nadruk op menselijke kwaliteiten en wat mensen
kunnen bereiken, in plaats van alleen op religieuze thema's. Dit leidde tot het humanisme, een
beweging die de waarde en mogelijkheden van de mens centraal stelde.