Vloeiendheidsstoornissen
1. Wat is vloeiendheid?
• Treedt minder op bij melodische spraak of zingen
• Grootste deel van het probleem is cognitief-emotioneel, niet puur spreektechnisch
o Bv. niet durven spreken, spanning, angst…
• Vaak gepaard met bijbewegingen (ticks) om het stotteren te ontsnappen
o Aangeleerd gedrag à kunnen afgeleerd worden
• Heeft niets te maken met spreeksnelheid
• Verschillende gradaties (mild-ernstig)
• Prevalentie: ± 1 à 2% van de bevolking
• Geen gevolg van psychologisch trauma
o Stress kan het wel verergeren, maar niet veroorzaken
• Enkel stotteren als er een genetische aanleg/aandoening aanwezig is
• Ontstaat altijd op jonge leeftijd (± 2;10 jaar)
• “Ontwikkelingsstotteren” is een misleidende term:
o Het sugereert dat het iets te maken heeft met de ontwikkeling
o In werkelijkheid is het gewoon tijdens de vroege ontwikkeling ontstaan
• Wanneer is een spreken vloeiend?
o Tempo
o Prosodie, ritme, intonatie
o Voldoende pauzes op de juiste momenten
o Vlotte woordvinding
o Weinig haperingen, onderbrekingen, aarzelingen
• Videos dia 3
1.1. Vloeiend, normaal niet vloeiend, stotteren
ASHA guidelines (1999): Fluency is the aspect of speech production that refers to the continuity, smoothness, rate and
eZort with which phonologic, lexical, morphologic, and/or syntactic language units are spoken.
Starkweather (1984): Vloeiende spraak
1. Het praten verloopt met een zekere snelheid (rate = tempo)
2. De klanken volgen elkaar vloeiend op (continuity = continuïteit) à vlotte overgang tussen verschillende klanken
3. Er is een normaal ritme in de spraak (rhythm = ritme)
4. De spreker ervaart relatief weinig inspanning (e5ort = inspanning) à fysieke en mentale inspanning; eZortlesness
is een kenmerk van stotteren
“Vloeiende sprekers zijn diegenen die zonder merkbare inspanning lange reeksen van syllaben kunnen produceren, door
een adequate combinatie van snelheid en continuiteit”(Starkweather & Givens-Ackerman, 1997)
Spraakvloeiendheid: vloeiende motorische spraakproductie
Taalvloeiendheid: m.b.t. woordvinding en zinsformulering
• Semantische vloeiendheid: vlotheid waarmee men woorden kan oproepen uit een pool van lexicale items
• Syntactische vloeiendheid: vlotheid waarmee sprekers complexe zinnen opbouwen die linguïstisch complexe
structuren bevatten
• Pragmatische vloeiendheid: vlotheid waarmee men kent en kan uitvoeren wat men wil zeggen in reactie op een
gamma van situatieve elementen (snel wisselen in taalregisters: bv. informeel vs formeel)
• Fonologische vloeiendheid: het gemak waarmee men binnen betekenisvolle en complexe taalunits lange en
complexe klankketens kan produceren
à PDS kunnen stotteren maar tegelijk talig wél vloeiend zijn (bv. schrijvers kunnen zeer sterk stotteren)
1
,Ham (1990): definitie afwijkende vloeiendheid
“De vloeiendheid is afwijkend wanneer de inspanning voor planning en uitvoering overmatig is, wanneer onvloeiendheden
optreden aan een frequentie en/of in een mate die niet past bij de leeftijd van de spreker, of wanneer het spreekritme
atypisch is of van die aard dat het de spraakproductie belemmert of verstoort.”
à Niet-vloeiendheid = kost te veel moeite, hogere frequentie onvloeiendheden dan verwacht voor de leeftijd (continuïteit is
verstoord)
à Meer onvloeiendheden bij kinderen want nog volop in hun taalontwikkeling
Uitdagingen:
• Wanneer wordt afwijkende vloeiendheid abnormaal?
• Wanneer is afwijkende vloeiendheid stotteren?
• Kunnen we een kind diagnosticeren als “stotterend”, gegeven het feit dat onvloeiendheid een verwacht en relatief
normaal onderdeel vormt van de spraak- en taalverwerving?
Cijfers niet vanbuiten kennen
NS = niet significant
Het verschil zit niet enkel in de hoeveelheid onvloeiendheden,
maar vooral in het type onvloeiendheden
Iedereen vertoont onvloeiendheden, maar bij stotteren gaat het
om specifieke types
Toelichting bij tabel:
• Soorten onvloeiendheden:
o Interjections: tussenvoegsels/opgevulde pauzes (bv. uhmmm)
o Phrase repititions: herhaling van zinsdelen
o Revisions: zin beginnen, stoppen, herformuleren en verdergaan
o Incomplete phrases: zin niet afmaken
o Broken words: onderbrekingen in woorden
o Prolonged sounds: verleningen (bv. vvvvvvis)
• Typisch(er) voor stotteren:
o Syllabe-, klank- en woordherhalingen (groot verschil t.o.v. normale sprekers)
§ Word repititions vooral bij monosyllabische woorden à bij meerlettergrepige woorden geen
verschil tussen PDS en normale sprekers
o Prolonged sounds
o Blokkeringen en blokkades: vastzitten op een klank
§ Vaak bij plosieven en initiële klinkers (bv. a-…-appel)
§ Staat niet expliciet in tabel, maar is typisch voor stotteren
Cijfers niet vanbuiten kennen, indeling wel!
Disrythmic phonation: klankverlengingen en blokkades
SLD: stuttering like disfluencies
OD: other disfluencies = normale onvloeiendheden
2
, à Duidelijk overzicht van de types
• # onvloeiendheden:
o KDNS op peuter-kleuterleeftijd gemiddeld 6-8 onvloeiendheden (alle types)/100 syllaben
o Volwassenen: gemiddeld 5%
o KDS op peuter-kleuterleeftijd: gem. 17 onvloeiendheden/100 syllaben
à Volwassenen zijn niet veel vloeiender dan kinderen
• Hogere percentages (19-20%) werden gevonden dichter bij de aanvang (“onset”) van het stotteren
• Met stijgende leeftijd treedt er een afname op van het aantal woordherhalingen, stille pauzes en zinsrevisies en een
toename van het aantal opgevulde pauzes (tussenvoegsels)
• Ongeacht hun leeftijd: KDS meer SLD dan KDNS
o KDS minstens 3 à 4 SLD/100 syllaben
o KDNS minder dan 3% SLD
o Ten minste 3 SLD/100 syllaben = KDS of “at risk” voor stotteren!
o Dit geldt voor monolinguale kinderen
• Bij meertalige kinderen:
o Grens ligt iets hoger dan 3%
o Soms 5% SLD zonder dat er sprake is van echt stotteren
o Meertalige kinderen vertonen vaker woorddeelherhalingen
o Verlengingen en blokkades wijzen ook bij meertaligheid sterker in de richting van stotteren
• Proportioneel tegenover het totale aantal onvloeiendheden is het % SLD bij KDNS steeds <50% en meestal rond
35% (Yairi, 1997)
• Bij KDS maken de SLD gemiddeld voor 65% deel uit van het totale aantal onvloeiendheden, dus bijna het dubbel
van de KDNS (Ambrose & Yairi, 1999)
• Hoe hoger de proportie SLD tegenover het totale aantal spraakonvloeiendheden, hoe groter de kans dat luisteraars
het kind zullen beoordelen als stotterend
2. Wat is stotteren?
2.1. DSM 5 (2013)
Childhood-onset fluency disorder* is a communication disorder characterized by a disturbance in the flow and timing of
speech that is inappropriate for an individual’s age.
à Kritiek: *In het Nederlands: ”ontwikkelingsstotteren” (opgelet: misleidende term!)
Also referred to as stuttering, this condition includes the repetition or prolongation of speech sounds, hesitations before
and during speaking, long pauses in speech, e5ortful speech, and/or monosyllabic whole-word repetitions.
à Kritiek: hoeveelheid van onvloeiendheden ontbreekt; hesitations before en during speaking ≠ stotteren; long
pauses in speech is niet automatisch stotteren (wel als de stilte het gevolg is van vastzitten op een klank)
This condition is typically accompanied by anxiety about speaking and can place limitations on how comfortable a child
feels participating in social or academic environments.
à Kritiek: er zijn mensen die helemaal geen spreekvrees hebben
3
, Symptoms of childhood-onset fluency disorder develop between the ages of 2 and 7, with 80 to 90 percent of cases
developing by age 6. While mild stuttering is common in children who are learning to speak, this behavior becomes a
fluency disorder when it persists over time and causes distress in the child. Stuttering is more commonly found among
males than females.
à Kritiek: hier staat dat licht stotteren normaal is in de ontwikkeling van de spraak; dat is niet waar, want 95% van
de kinderen doen dat nooit in de ontwikkeling
“Symptoms”:
• Repetition of syllables, sounds, or monosyllabic words
• Prolonging the vocalization of consonants and vowels
• Broken words (e.g., pauses within a word)
• Filled or unfilled pauses in speech
• Word substitution to avoid problematic words
• Words produced with an excess of physical tension (e.g., head jerking, fist clenching)
• Frustration or embarrassment related to speech
2.2. ICF
• Anatomische functies
o Stotteren is een vloeiendheidsstoornis t.h.v. het brein
o Problemen zoals snelheid, continuïteit en ritme = basale hersenfuncties die spraak aansturen
• Persoonlijke factoren (ABC’s):
o Reacties van de persoon op het stotteren (bv. spreekvrees)
o ABC-model:
§ AZectief: emoties (bv. schaamte, angst)
§ Behaviour: gedrag (bv. vermijden van woorden)
§ Cognitief: gedachten (bv. “ik kan dit niet zeggen”)
• Participatie:
o Problemen in sociale interacties
o Bv. zich inhouden in gesprekken, minder deelnemen aan klasgesprekken
• Externe factoren:
o Invloeden uit omgeving
o Bv. gepest worden, reacties van leerkrachten of ouders
• Temperament (gevoelig, minder gevoelig, extravert, intravert…) is aangeboren en valt binnen anatomische functies
o Belangrijk onderscheid:
§ Temperament = biologisch/aangeboren; geen bewuste reactie op het stotteren
§ Reacties op stotteren (ABC) = persoonlijke factoren
4
1. Wat is vloeiendheid?
• Treedt minder op bij melodische spraak of zingen
• Grootste deel van het probleem is cognitief-emotioneel, niet puur spreektechnisch
o Bv. niet durven spreken, spanning, angst…
• Vaak gepaard met bijbewegingen (ticks) om het stotteren te ontsnappen
o Aangeleerd gedrag à kunnen afgeleerd worden
• Heeft niets te maken met spreeksnelheid
• Verschillende gradaties (mild-ernstig)
• Prevalentie: ± 1 à 2% van de bevolking
• Geen gevolg van psychologisch trauma
o Stress kan het wel verergeren, maar niet veroorzaken
• Enkel stotteren als er een genetische aanleg/aandoening aanwezig is
• Ontstaat altijd op jonge leeftijd (± 2;10 jaar)
• “Ontwikkelingsstotteren” is een misleidende term:
o Het sugereert dat het iets te maken heeft met de ontwikkeling
o In werkelijkheid is het gewoon tijdens de vroege ontwikkeling ontstaan
• Wanneer is een spreken vloeiend?
o Tempo
o Prosodie, ritme, intonatie
o Voldoende pauzes op de juiste momenten
o Vlotte woordvinding
o Weinig haperingen, onderbrekingen, aarzelingen
• Videos dia 3
1.1. Vloeiend, normaal niet vloeiend, stotteren
ASHA guidelines (1999): Fluency is the aspect of speech production that refers to the continuity, smoothness, rate and
eZort with which phonologic, lexical, morphologic, and/or syntactic language units are spoken.
Starkweather (1984): Vloeiende spraak
1. Het praten verloopt met een zekere snelheid (rate = tempo)
2. De klanken volgen elkaar vloeiend op (continuity = continuïteit) à vlotte overgang tussen verschillende klanken
3. Er is een normaal ritme in de spraak (rhythm = ritme)
4. De spreker ervaart relatief weinig inspanning (e5ort = inspanning) à fysieke en mentale inspanning; eZortlesness
is een kenmerk van stotteren
“Vloeiende sprekers zijn diegenen die zonder merkbare inspanning lange reeksen van syllaben kunnen produceren, door
een adequate combinatie van snelheid en continuiteit”(Starkweather & Givens-Ackerman, 1997)
Spraakvloeiendheid: vloeiende motorische spraakproductie
Taalvloeiendheid: m.b.t. woordvinding en zinsformulering
• Semantische vloeiendheid: vlotheid waarmee men woorden kan oproepen uit een pool van lexicale items
• Syntactische vloeiendheid: vlotheid waarmee sprekers complexe zinnen opbouwen die linguïstisch complexe
structuren bevatten
• Pragmatische vloeiendheid: vlotheid waarmee men kent en kan uitvoeren wat men wil zeggen in reactie op een
gamma van situatieve elementen (snel wisselen in taalregisters: bv. informeel vs formeel)
• Fonologische vloeiendheid: het gemak waarmee men binnen betekenisvolle en complexe taalunits lange en
complexe klankketens kan produceren
à PDS kunnen stotteren maar tegelijk talig wél vloeiend zijn (bv. schrijvers kunnen zeer sterk stotteren)
1
,Ham (1990): definitie afwijkende vloeiendheid
“De vloeiendheid is afwijkend wanneer de inspanning voor planning en uitvoering overmatig is, wanneer onvloeiendheden
optreden aan een frequentie en/of in een mate die niet past bij de leeftijd van de spreker, of wanneer het spreekritme
atypisch is of van die aard dat het de spraakproductie belemmert of verstoort.”
à Niet-vloeiendheid = kost te veel moeite, hogere frequentie onvloeiendheden dan verwacht voor de leeftijd (continuïteit is
verstoord)
à Meer onvloeiendheden bij kinderen want nog volop in hun taalontwikkeling
Uitdagingen:
• Wanneer wordt afwijkende vloeiendheid abnormaal?
• Wanneer is afwijkende vloeiendheid stotteren?
• Kunnen we een kind diagnosticeren als “stotterend”, gegeven het feit dat onvloeiendheid een verwacht en relatief
normaal onderdeel vormt van de spraak- en taalverwerving?
Cijfers niet vanbuiten kennen
NS = niet significant
Het verschil zit niet enkel in de hoeveelheid onvloeiendheden,
maar vooral in het type onvloeiendheden
Iedereen vertoont onvloeiendheden, maar bij stotteren gaat het
om specifieke types
Toelichting bij tabel:
• Soorten onvloeiendheden:
o Interjections: tussenvoegsels/opgevulde pauzes (bv. uhmmm)
o Phrase repititions: herhaling van zinsdelen
o Revisions: zin beginnen, stoppen, herformuleren en verdergaan
o Incomplete phrases: zin niet afmaken
o Broken words: onderbrekingen in woorden
o Prolonged sounds: verleningen (bv. vvvvvvis)
• Typisch(er) voor stotteren:
o Syllabe-, klank- en woordherhalingen (groot verschil t.o.v. normale sprekers)
§ Word repititions vooral bij monosyllabische woorden à bij meerlettergrepige woorden geen
verschil tussen PDS en normale sprekers
o Prolonged sounds
o Blokkeringen en blokkades: vastzitten op een klank
§ Vaak bij plosieven en initiële klinkers (bv. a-…-appel)
§ Staat niet expliciet in tabel, maar is typisch voor stotteren
Cijfers niet vanbuiten kennen, indeling wel!
Disrythmic phonation: klankverlengingen en blokkades
SLD: stuttering like disfluencies
OD: other disfluencies = normale onvloeiendheden
2
, à Duidelijk overzicht van de types
• # onvloeiendheden:
o KDNS op peuter-kleuterleeftijd gemiddeld 6-8 onvloeiendheden (alle types)/100 syllaben
o Volwassenen: gemiddeld 5%
o KDS op peuter-kleuterleeftijd: gem. 17 onvloeiendheden/100 syllaben
à Volwassenen zijn niet veel vloeiender dan kinderen
• Hogere percentages (19-20%) werden gevonden dichter bij de aanvang (“onset”) van het stotteren
• Met stijgende leeftijd treedt er een afname op van het aantal woordherhalingen, stille pauzes en zinsrevisies en een
toename van het aantal opgevulde pauzes (tussenvoegsels)
• Ongeacht hun leeftijd: KDS meer SLD dan KDNS
o KDS minstens 3 à 4 SLD/100 syllaben
o KDNS minder dan 3% SLD
o Ten minste 3 SLD/100 syllaben = KDS of “at risk” voor stotteren!
o Dit geldt voor monolinguale kinderen
• Bij meertalige kinderen:
o Grens ligt iets hoger dan 3%
o Soms 5% SLD zonder dat er sprake is van echt stotteren
o Meertalige kinderen vertonen vaker woorddeelherhalingen
o Verlengingen en blokkades wijzen ook bij meertaligheid sterker in de richting van stotteren
• Proportioneel tegenover het totale aantal onvloeiendheden is het % SLD bij KDNS steeds <50% en meestal rond
35% (Yairi, 1997)
• Bij KDS maken de SLD gemiddeld voor 65% deel uit van het totale aantal onvloeiendheden, dus bijna het dubbel
van de KDNS (Ambrose & Yairi, 1999)
• Hoe hoger de proportie SLD tegenover het totale aantal spraakonvloeiendheden, hoe groter de kans dat luisteraars
het kind zullen beoordelen als stotterend
2. Wat is stotteren?
2.1. DSM 5 (2013)
Childhood-onset fluency disorder* is a communication disorder characterized by a disturbance in the flow and timing of
speech that is inappropriate for an individual’s age.
à Kritiek: *In het Nederlands: ”ontwikkelingsstotteren” (opgelet: misleidende term!)
Also referred to as stuttering, this condition includes the repetition or prolongation of speech sounds, hesitations before
and during speaking, long pauses in speech, e5ortful speech, and/or monosyllabic whole-word repetitions.
à Kritiek: hoeveelheid van onvloeiendheden ontbreekt; hesitations before en during speaking ≠ stotteren; long
pauses in speech is niet automatisch stotteren (wel als de stilte het gevolg is van vastzitten op een klank)
This condition is typically accompanied by anxiety about speaking and can place limitations on how comfortable a child
feels participating in social or academic environments.
à Kritiek: er zijn mensen die helemaal geen spreekvrees hebben
3
, Symptoms of childhood-onset fluency disorder develop between the ages of 2 and 7, with 80 to 90 percent of cases
developing by age 6. While mild stuttering is common in children who are learning to speak, this behavior becomes a
fluency disorder when it persists over time and causes distress in the child. Stuttering is more commonly found among
males than females.
à Kritiek: hier staat dat licht stotteren normaal is in de ontwikkeling van de spraak; dat is niet waar, want 95% van
de kinderen doen dat nooit in de ontwikkeling
“Symptoms”:
• Repetition of syllables, sounds, or monosyllabic words
• Prolonging the vocalization of consonants and vowels
• Broken words (e.g., pauses within a word)
• Filled or unfilled pauses in speech
• Word substitution to avoid problematic words
• Words produced with an excess of physical tension (e.g., head jerking, fist clenching)
• Frustration or embarrassment related to speech
2.2. ICF
• Anatomische functies
o Stotteren is een vloeiendheidsstoornis t.h.v. het brein
o Problemen zoals snelheid, continuïteit en ritme = basale hersenfuncties die spraak aansturen
• Persoonlijke factoren (ABC’s):
o Reacties van de persoon op het stotteren (bv. spreekvrees)
o ABC-model:
§ AZectief: emoties (bv. schaamte, angst)
§ Behaviour: gedrag (bv. vermijden van woorden)
§ Cognitief: gedachten (bv. “ik kan dit niet zeggen”)
• Participatie:
o Problemen in sociale interacties
o Bv. zich inhouden in gesprekken, minder deelnemen aan klasgesprekken
• Externe factoren:
o Invloeden uit omgeving
o Bv. gepest worden, reacties van leerkrachten of ouders
• Temperament (gevoelig, minder gevoelig, extravert, intravert…) is aangeboren en valt binnen anatomische functies
o Belangrijk onderscheid:
§ Temperament = biologisch/aangeboren; geen bewuste reactie op het stotteren
§ Reacties op stotteren (ABC) = persoonlijke factoren
4