Indeling van levende organismen
1. Kenmerken van levende wezens
Levende wezens onderscheiden zich van levenloze materie door de volgende
kenmerken:
• Bewegen uit zichzelf.
• Reageren op prikkels uit de omgeving.
• Groeien.
• Voeden zich.
• Hebben een stofwisseling (metabolisme).
• Scheiden afvalstoffen uit.
• Planten zich voort.
• Hebben een specifieke chemische opbouw.
• Gaan uiteindelijk sterven.
2. Bouw van levende wezens
Alle organismen zijn opgebouwd uit cellen, de kleinste bouwstenen die alle kenmerken
van leven vertonen. De organisatie van een complex organisme verloopt als volgt:
• Cellen: De basisbouwstenen.
• Weefsels: Een verzameling cellen met een gelijke bouw en functie.
• Organen: Bestaan uit verschillende weefsels met een specifieke taak.
• Stelsels: Verschillende organen die samenwerken voor een bepaalde levensverrichting (bijv.
het spijsverteringsstelsel).
• Organisme: Het harmonische samenspel van alle stelsels.
3. Bouw van een plantaardige en dierlijke cel
Beide celtypen hebben een celkern (met erfelijk materiaal), cytoplasma (vloeistof) en
een celmembraan (buitenste laag).
• Plantaardige cel: Heeft als extra kenmerken een stevige celwand van cellulose, een grote
centrale vacuole gevuld met vocht en bladgroenkorrels (plastiden) voor fotosynthese.
• Dierlijke cel: Bezit geen celwand, geen bladgroenkorrels en meestal geen grote centrale
vacuole.
1
, 4. De zes rijken
Het leven wordt ingedeeld in zes rijken: Archaea (oerbacteriën), Bacteriën, Protisten,
Zwammen (schimmels), Planten en Dieren.
5. Basis voor onderscheid tussen de 6 rijken
De rijken worden onderscheiden op basis van drie hoofdcriteria:
1. Celtype: Is er een celkern aanwezig (eukaryoot) of ligt het genetisch materiaal vrij in de cel
(prokaryoot)?
2. Aantal cellen: Is het organisme ééncellig of meercellig?
3. Wijze van voeding: Maakt het organisme zelf zijn voedsel (autotroof) of moet het organisch
materiaal van anderen opnemen (heterotroof)?
6. Voorbeelden per rijk
• Archaea: Extreem levende oerbacteriën. zoutbacterie
• Bacteriën: Bijv. de reuzenbacterie of melkzuurbacteriën. salmonella
• Protisten: Pantoffeldiertje, amoebe.
• schimmels: Vliegezwam, champignon, gisten, broodschimmel.
• Planten: Eik, paardenbloem, mossen, varens.
• Dieren: Spin, kat, vis, regenworm, mens.
7. Situering in het 6-rijkensysteem en verantwoording
• Archaea & Bacteriën: Prokaryoot (geen kern), altijd ééncellig.
• Protisten: Eukaryoot (met kern), meestal ééncellig. autotroof of heterotroof
• schimmels: Eukaryoot, = een- of meercellig, heterotroof (voeding door absorptie), celwand
van chitine.
• Planten: Eukaryoot, meercellig, autotroof (fotosynthese), celwand van cellulose.
• Dieren: Eukaryoot, meercellig, heterotroof (voeding door opname), geen celwand.
8. Plaats van virussen buiten het systeem
Virussen vallen buiten het systeem omdat ze geen echte levende organismen zijn. Ze
kunnen niet zelfstandig leven of groeien en hebben de cellen van een gastheer nodig om
zich te kunnen vermeerderen.
9. Definities
• Microbe: Een verzamelnaam voor alle microscopisch kleine organismen (bacteriën,
virussen, ééncelligen) die vaak ziekten veroorzaken.
• Virus: Een niet-zelfstandig levend deeltje dat cellen infecteert om zich voort te planten.
• Bacterie: Een ééncellig, prokaryoot organisme zonder celkern.
2