Examenvragen 1-20
Wednesday, 20 May 2026 12:49
1. Vergelijk conventionele lichtmicroscopie met de transmissie elektronenmicroscopie
(TEM). Wat kan je met beide technieken onderzoeken? Hoe moet het te
onderzoeken weefsel voorbewerkt worden voor deze methoden en waarom?
2. Bespreek de “fixatie” aan de hand van formaldehyde en glutaaraldehyde bij de
staalpreparatie voor histologie. Voor welke histologische methoden worden deze
gebruikt?
3. Bespreek de algemene principes van immuunhistochemie. Waarom wordt er gebruik
gemaakt van directe, indirecte en ge-ampificeerde immunohistochemie en
immunofluorescentie. Waarom bestaan deze verschillende afgeleide methoden?
4. Welke verwerkingsstappen doorloopt een weefselstukje tussen resectie tijdens
operatie en diagnostiek middels lichtmicroscopie? Licht iedere stap kort toe.
5. Geef een overzicht van de verschillende types kleuringen die courant gebruikt
worden in de histologie? Leg kort principe en doel van de diverse types kleuringen
uit. Met welke methode zou je een delende cel kunnen identificeren?
6. Bespreek 3 toepassingen van immunohistochemie en hoe deze kunnen helpen bij
pathologische diagnostiek.
7. Bespreek het principe van scanning electronenmicroscopie (SEM). Wat kan je met
deze methode bestuderen?
8. Bespreek de structuur en componenten van de buitenste plasmamembraan. Welke
types van transport gebeuren er over de membraan? Geef een overzicht.
9. Bespreek de structuur en functie van celorganellen die door minstens één
membraan worden omgeven.
10. Bespreek de intracellulaire weg die een eiwit voor secretie aflegt. Start vanuit de
transcriptie van het mRNA tot het uitscheiden van het eiwit.
11. Bespreek de structuur en rol van het cytoskelet.
12. Beschrijf de diverse vormen van celdood. Hoe beinvloeden deze het
immuunsysteem?
13. Benoem de verschillende types van cel-cel en cel-matrix verbindingen die in epitheel
voorkomen, en beschrijf hun structuur en functie. Hoe kan er alsnog transport
doorheen een epitheel bekomen worden?
14. Bespreek de algemene structuur van een klier. Hoe veranderen de cellulaire
kenmerken van eiwitsecreterende, mucus-secreterende, steroidhormoon
producerende kliercellen? Hoe kan een cel haar secreet vrijgeven aan de omgeving?
15. Bespreek de algemene opbouw van een steunweefsel en geef de verschillende
compenenten die hier deel van uitmaken
16. Bespreek de moleculaire aanmaak van collageen Type I en geef de classificatie van
de fibrillaire types van collageen. Geef ook aan in welke weefsels ze voorkomen.
17. Bespreek de structurele en moleculaire opbouw van de basale membraan en hoe
deze zorgt voor de verbinding tussen epitheel en het onderliggende weefsel
18. Bespreek de structuur en moleculaire opbouw van kraakbeenweefsel. Welke types
van kraakbeen gewrichten zijn er?
19. Bespreek zowel de macroscopische als microscopische structuur en moleculaire
opbouw van haversiaans bot
20. Bespreek de mineralisatie (i.e. calcificatie) van botweefsel. Hoe zorgt dit ervoor dat
het bot een dynamisch weefsel wordt? Verklaar aan de hand van de verschillende
cellen die erin aanwezig zijn.
Wednesday, 20 May 2026 12:49
1. Vergelijk conventionele lichtmicroscopie met de transmissie elektronenmicroscopie
(TEM). Wat kan je met beide technieken onderzoeken? Hoe moet het te
onderzoeken weefsel voorbewerkt worden voor deze methoden en waarom?
2. Bespreek de “fixatie” aan de hand van formaldehyde en glutaaraldehyde bij de
staalpreparatie voor histologie. Voor welke histologische methoden worden deze
gebruikt?
3. Bespreek de algemene principes van immuunhistochemie. Waarom wordt er gebruik
gemaakt van directe, indirecte en ge-ampificeerde immunohistochemie en
immunofluorescentie. Waarom bestaan deze verschillende afgeleide methoden?
4. Welke verwerkingsstappen doorloopt een weefselstukje tussen resectie tijdens
operatie en diagnostiek middels lichtmicroscopie? Licht iedere stap kort toe.
5. Geef een overzicht van de verschillende types kleuringen die courant gebruikt
worden in de histologie? Leg kort principe en doel van de diverse types kleuringen
uit. Met welke methode zou je een delende cel kunnen identificeren?
6. Bespreek 3 toepassingen van immunohistochemie en hoe deze kunnen helpen bij
pathologische diagnostiek.
7. Bespreek het principe van scanning electronenmicroscopie (SEM). Wat kan je met
deze methode bestuderen?
8. Bespreek de structuur en componenten van de buitenste plasmamembraan. Welke
types van transport gebeuren er over de membraan? Geef een overzicht.
9. Bespreek de structuur en functie van celorganellen die door minstens één
membraan worden omgeven.
10. Bespreek de intracellulaire weg die een eiwit voor secretie aflegt. Start vanuit de
transcriptie van het mRNA tot het uitscheiden van het eiwit.
11. Bespreek de structuur en rol van het cytoskelet.
12. Beschrijf de diverse vormen van celdood. Hoe beinvloeden deze het
immuunsysteem?
13. Benoem de verschillende types van cel-cel en cel-matrix verbindingen die in epitheel
voorkomen, en beschrijf hun structuur en functie. Hoe kan er alsnog transport
doorheen een epitheel bekomen worden?
14. Bespreek de algemene structuur van een klier. Hoe veranderen de cellulaire
kenmerken van eiwitsecreterende, mucus-secreterende, steroidhormoon
producerende kliercellen? Hoe kan een cel haar secreet vrijgeven aan de omgeving?
15. Bespreek de algemene opbouw van een steunweefsel en geef de verschillende
compenenten die hier deel van uitmaken
16. Bespreek de moleculaire aanmaak van collageen Type I en geef de classificatie van
de fibrillaire types van collageen. Geef ook aan in welke weefsels ze voorkomen.
17. Bespreek de structurele en moleculaire opbouw van de basale membraan en hoe
deze zorgt voor de verbinding tussen epitheel en het onderliggende weefsel
18. Bespreek de structuur en moleculaire opbouw van kraakbeenweefsel. Welke types
van kraakbeen gewrichten zijn er?
19. Bespreek zowel de macroscopische als microscopische structuur en moleculaire
opbouw van haversiaans bot
20. Bespreek de mineralisatie (i.e. calcificatie) van botweefsel. Hoe zorgt dit ervoor dat
het bot een dynamisch weefsel wordt? Verklaar aan de hand van de verschillende
cellen die erin aanwezig zijn.