28/01
Thema 1.
Basisschema procesmodel van communicatie:
Procesmodel van communicatie:
Zender: boodschap coderen gedachten, gevoelens, ervaringen, …
omzetten in woorden, gebaren, beelden, …
Ontvanger: boodschap decoderen de ontvanger geeft betekenis aan
wat hij ziet/ hoort, interpreteert de boodschap
Boodschap: wat de zender wil overbrengen aan de ander inhoud van
boodschap + manier waarop is belangrijk
Feedback: hoe de ontvanger de boodschap begrepen heeft door
middel van woorden, lichaamstaal
, Bv:
- boodschap: het verlangen om een koekje te krijgen,
- Gecodeerde boodschap: met een smachtende blik naar het
koekje kijken, aan de tafelgenoot vragen of hij de schaal met
koekjes wil doorgeven
Kanaal: weg waarlangs een boodschap doorgegeven wordt
Medium: datgene dat de zender met de ontvanger verbind, van A naar B
Referentiekader, gekleurde bril:
-Door eigen kennis, ervaringen, vooroordelen, overtuigingen,
achtergrond, opvoeding, …
- Gekleurd door zicht op de situatie + kijk op de relatie met de
ander
- Andere betekenis
Denk eraan dat de ander zijn/ haar gekleurde bril draagt, anders
wordt de communicatie lastig
Situatie:
- Plaats
- Cultuur
- Wanneer + duur
- Met wie
- Met welke omstaanders
Ruis: op verschillende niveaus in het communicatieschema kan er een
verstoring optreden
- Interne ruis: miscommunicatie tussen zender en ontvanger
- Externe ruis: komt van buiten het communicatieproces
Thema 3 en 4
Basisstellingen: een niet wetenschappelijk bewezen stelling die algemeen
voor waar worden aangenomen
Axioma 1: ‘het is onmogelijk om niet te communiceren’, je hebt in een
interactie steeds invloed op anderen, tevens word jijzelf ook steeds
beïnvloed door deze anderen, ieder gedrag is een vorm van communicatie
omdat er niet zoiets bestaat als antigedrag
, - Bedoelingsempathie: juiste interpretatie, aanvoelen van wat de
ander wil zeggen
- Zender: correcte zelfexpressie, letten op het effect van je gedrag
op de ander, rekening houden met de context of situatie
- Ontvanger: empathie tonen
Besluit axioma 1:
- Belangrijk dat men zich begrepen voelt
- Indien niet: te trachten meer invloed uit te oefenen door
nadrukkelijker gedrag te stellen, bv. aandacht opeisend kind
- Beïnvloeding is steeds wederzijds, afstand kunnen nemen is
noodzakelijk
Axioma 2: mensen beïnvloeden elkaar zowel verbaal als non – verbaal,
vormen van communicatie:
- Digitaal: wat je zegt/ je woorden, cijfers, letters, tekens
verbaal (afspraken)
- Analoog: hoe je het zegt, lichaamstaal, gebaren intonatie,
mimiek, … non – verbaal
Voorbeelden:
- Vork: digitaal
- 24: analoog
- Vlaamse gebarentaal: digitaal
- SMOG: digitaal en analoog
Belangrijke aspecten:
- Westerse cultuur: verbale cultuur, jonge kinderen, personen met
verstandelijke beperking eerder analoge boodschap
- Analoge taal: meerduidig lichaamstaal, voor interpretatie
vatbaar