GESCHIEDENIS V/D OUDHEID
HOORCOLLEGE 1: INLEIDING, DARK AGE EN ARCHAÏSCH
GRIEKENLAND
1. INLEIDING
Bronnen:
Proza en poëzie overgeleverd via handschriftelijke traditie ‘literaire bronnen’ (fictie + non-
fictie)
Inscripties op steen of brons;
Papyri (voorn. Hellenistisch en Romeins Egypte);
Munten;
Archeologische resten
2. DE BRONSTIJDCULTUREN
Twee bronstijdculturen gaan ‘vooraf’ aan de Griekse geschiedenis
2.1. DE MINOÏSCHE BESCHAVING OP KRETA (CA. 2000-1100 V.O.T.)
Op het eiland Kreta had je de Minoïsche beschaving, genoemd naar de mythische koning Minos uit de
latere Griekse sagen. Had handelscontacten met Egypte en Egeïsche eilanden, dat creëerde een
welvaart door export van wijn, olijfproducten en
keramiek.
Tussen 2000-1470 v.o.t heb je de opkomst van
paleizen (bv. Knossos), die ongetwijfeld politieke en
religieuze centra was voor het omliggende land.
Paleizen controleerden en herverdeelden agrarisch
surplus (= paleiseconomieën). Ook ontbraken er
verdedigingsmuren, waardoor men heeft verondersteld
dat de Kretenzers in deze periode de zee moeten
hebben beheerst (= maar niet zeker).
Uit de bloeitijd stammen er kleitabletten met een eigen
schrift. Hoogstwaarschijnlijk ging het hierbij om een
syllabisch schrift, waarmee de administratie van het paleis werd genoteerd. Dit schrift wordt lineair A
genoemd en is nog niet ontcijferd, maar vaststaat wel dat de taal geen Grieks kan zijn geweest. Het
Kretenzische schrift v/d administratie werd later enigszins aangepast en staat nu bekend als Lineair B,
dat wel ontcijferd is en het oudste ons bekende Grieks noteert. In de laatste fase v/d Bronstijd maakte
Kreta deel uit v/d Griekse cultuur overgenomen door de Myceners.
,2.2. DE MYCEENSE BESCHAVING (CA. 1600-1100 V.O.T.)
De bronstijd op het Griekse vasteland noemt men de Helladische cultuur, dat wil zeggen: de cultuur
van Hellas. Deze cultuur heeft sterk onder de invloed gestaan van het Minoïsche Kreta. De Myceense
beschaving wordt zo genoemd naar één van haar belangrijkste centra: Mycene. Je had burchten met
zware verdedigingsmuren, strijdwagens met paarden en rijke graven voor aanzienlijke personen (=
tholosgraven). Dit getuigt van het krijgsachtige karakter v/d maatschappij, waarin vorsten in versterkte
paleizen over het omliggende lang regeren. Overal was de bevolking aan de heren in de burcht of het
paleis onderworpen, maar over de precieze maatschappelijke verhoudingen zijn we verder slecht
ingelicht. In de paleizen zijn er een groot aantal kleitabletten gevonden, die door toeval van het
afbranden v/d paleizen gebakken en bewaard zijn. Ook hier had je een paleiseconomie.
Rond 1200 v.o.t. begon de ondergang v/d Myceense beschaving. Centra werd verwoest door brand, er
was een culturele terugval en er gingen handelscontacten verloren. In het deels verarmde land zouden
bepaalde Myceense centra, zoals de burcht van Mycene zelf en Tiruns, nog geruime tijd hebben
voortbestaan. Pas na ca. 1100 v.o.t. zouden de laatste resten v/d Myceense wereld en daarmee v/d
beschaving v/d bronstijd in Griekenland zijn verdwenen. Toen het 2de millennium v.o.t. afliep, bevond
Griekenland zich op een dieptepunt in zijn geschiedenis. Met de Myceense burchten was de hele
politieke structuur van vorstendom in een paleiseconomieën verdwenen. Ook het Myceense lineair B-
schrift bestond hier niet langer en voor enige tijd was De Griekse wereld weer schriftloos.
Dark Age
3. DE DARK AGE (1000-750 V.O.T.)
De periode tussen ongeveer 1000 en 750 v.o.t. wordt de Dark Age genoemd. Deze benaming verwijst
niet noodzakelijk naar een volledige stilstand v/d ontwikkeling, maar naar het feit dat historici over
deze periode weinig informatie bezitten. Er zijn nauwelijks geschreven bronnen en ook de
archeologische resten zijn beperkt. Daarnaast vond er een duidelijke culturele terugval plaats in
vergelijking met de hoogontwikkelde Myceense wereld.
De overgang v/d Myceense periode naar de Dark Age betekende een belangrijke breuk met het
verleden. De paleiseconomieën verdwenen en de kennis van het Lineair B-schrift ging verloren.
Hierdoor kende Griekenland een periode zonder schriftelijke traditie. Ook de materiële cultuur werd
eenvoudiger en de bevolking leefde vooral in kleine, geïsoleerde gemeenschappen. Deze
gemeenschappen werden geleid door lokale koningen of stamhoofden, die bekend stonden als
basileis. Tegelijkertijd begon in deze periode de overgang naar de IJzertijd, waarbij ijzer steeds
belangrijker werd als materiaal voor wapens en werktuigen.
Vanaf de 9de eeuw v.o.t. kwam geleidelijk een einde aan de Dark Age. De bevolking begon opnieuw te
groeien en de Grieken vestigden zich steeds vaker in kustgebieden en op eilanden. De
handelscontacten met gebieden in Azië werden hersteld en de materiële cultuur werd opnieuw
complexer, wat bijvoorbeeld zichtbaar is in de ontwikkeling van verfijnder aardewerk. Daarnaast werd
het schrift opnieuw ingevoerd, maar niet meer in de vorm van het oude Lineair B. De Grieken namen
een alfabetisch schrift over v/d Feniciërs, dat de basis vormde voor het latere Griekse alfabet.
4. ARCHAÏSCHE PERIODE / AGE OF EXPERIMENT (750-500 V.O.T.)
! 1000-500 v.o.t./ Dark Age + archaïsche periode grondslagen voor latere Griekse
beschavingen!
Kenmerken:
Ontstaan polis
Kolonisatie
Sociaal-politieke omwentelingen (o.a. tirannen, wetgevers, revoluties, etc.)
Begin Griekse literatuur (o.a. Homerus, lyrische poëzie)
4.1. ONTSTAAN EN ONTWIKKELING POLEIS
,Er bestaan geen geschreven bronnen die de precieze oorsprong v/d Griekse poleis beschrijven.
Wanneer de eerste literaire bronnen, zoals de werken van Homerus, verschijnen, zijn de poleis reeds
ontwikkeld. In deze vroege gemeenschappen werd het bestuur uitgeoefend door een koning of
stamhoofd, de basileus genoemd. Daarnaast bestond er ook een volksvergadering, maar dit
betekende nog geen democratisch systeem.
Een polis (meervoud: poleis) was meer dan enkel een
stad. Het was een gemeenschap van burgers, waarbij
vooral de volwassen mannelijke burgers centraal stonden.
Vrouwen en andere bevolkingsgroepen maakten deel uit
v/d gemeenschap, maar bezaten geen politieke rechten en
hadden daardoor een ondergeschikte positie. Een
vergelijkbaar begrip in de Romeinse wereld was de
civitas. De meeste Griekse poleis waren in het begin
aristocratisch of oligarchisch georganiseerd, waarbij een
beperkte groep rijke en invloedrijke families de politieke
macht in handen had. De politieke organisatie van een
polis bestond doorgaans uit verschillende instellingen. De
belangrijkste waren de volksvergadering, een raad,
volksrechtbanken en magistraten die bestuurlijke functies uitvoerden.
De meeste poleis waren relatief klein, hoewel sommige uitgroeiden tot uitzonderlijk grote en machtige
stadstaten, zoals Athene, Sparta en Syracuse. Een polis bestond meestal uit een stedelijke kern
(astu) en een omliggend agrarisch gebied (chora). Dit was echter niet altijd het geval. Sparta was
bijvoorbeeld een verzameling van verschillende dorpen die niet fysiek één stad vormden, maar wel
politiek en institutioneel met elkaar verbonden waren. Verschillende poleis ontwikkelden een
expansiepolitiek en probeerden hun invloed en grondgebied uit te breiden. Bekende voorbeelden
hiervan zijn Sparta, Athene en Thebe.
De bevolking van een polis bestond niet alleen uit mannelijke burgers, maar ook uit vrouwen en
kinderen, die minder rechten bezaten. Daarnaast waren er inwonende vreemdelingen, slaven en
andere groepen met een semi-serviele status die geen volwaardig burgerrecht hadden. Vanaf de 7de
eeuw v.o.t. verscherpten de sociale verhoudingen binnen veel poleis. De aristocratische elite probeerde
bezit en politieke macht te monopoliseren. Omdat de gemeenschappen echter relatief klein waren en
de elite niet machtig genoeg was om de rest v/d bevolking volledig te controleren, moesten zij rekening
houden met de gewone burgers. De gewone burgers kregen geleidelijk meer politieke invloed, vooral
omdat zij een essentieel onderdeel vormden van het hoplietenleger. Hun militaire bijdrage maakte het
moeilijk om hen volledig uit te sluiten van politieke inspraak.
4.2. INTERNE VERHOUDINGEN BINNEN POLEIS
Binnen de archaïsche poleis ontstonden verschillende sociale en politieke conflicten. Een eerste
belangrijke tegenstelling was die tussen de elite en de niet-elite. Armere burgers eisten meer rechten
en verbeteringen van hun levensomstandigheden. Hun eisen hadden voornamelijk betrekking op de
herverdeling van landbouwgrond, het kwijtschelden van schulden en een grotere politieke inspraak.
Een tweede soort conflict vond plaats binnen de elite zelf. Aristocratische families streden onderling om
prestige en macht. Deze rivaliteit zorgde voor politieke instabiliteit en verzwakte de bestaande
machtsstructuren. Hierdoor ontstond een gunstige situatie voor ambitieuze individuen die de macht
konden grijpen als tiran.
Deze conflicten konden verschillende uitkomsten hebben. In sommige poleis slaagde de elite erin alle
macht naar zich toe te trekken en de gewone bevolking uit te buiten, zoals in Athene en Korinthe. In
andere gebieden, zoals Sparta en Kreta, werkten de elites samen met de gewone burgers om
onderworpen bevolkingsgroepen uit te buiten. Een veelvoorkomende oplossing was de opkomst van
tirannieën, waarbij een alleenheerser door middel van een staatsgreep de macht overnam. De
archaïsche samenleving werd gekenmerkt door complexe sociale verhoudingen en grote verschillen in
materiële rijkdom.
,4.3. ARCHAÏSCHE KOLONISATIE
De term kolonisatie kan enigszins misleidend zijn wanneer men spreekt over de Griekse uitbreiding in
de Middellandse Zee. De nieuw gestichte nederzettingen waren namelijk geen ondergeschikte
gebieden die economisch werden uitgebuit door het moederland. Het ging om politiek zelfstandige
stadstaten die apoikai werden genoemd.
De Griekse kolonisatie werd veroorzaakt door verschillende factoren. Door de sterke bevolkingsgroei
ontstond er een tekort aan beschikbare landbouwgrond, waardoor men op zoek ging naar nieuwe
gebieden om zich te vestigen. Vooral vruchtbare en graanrijke gebieden zoals Sicilië, Zuid-Italië en
Noord-Afrika waren aantrekkelijke bestemmingen voor kolonisten. Daarnaast speelden ook sociale en
politieke spanningen binnen de poleis een rol. Soms werden groepen aristocraten of andere inwoners
die betrokken waren bij conflicten aangemoedigd om nieuwe gemeenschappen te stichten. De
kolonisatie had belangrijke gevolgen voor de Griekse wereld. De handel binnen het Middellandse
Zeegebied nam sterk toe. De apoikai leverden onder andere graan aan de Griekse moedersteden,
terwijl zij in ruil producten zoals keramiek, wijn en andere goederen ontvingen.
Daarnaast zorgden contacten met het Oosten voor de introductie van nieuwe gewassen en
landbouwtechnieken, wat de verdere bevolkingsgroei en het economische herstel v/d Griekse wereld
ondersteunde.
4.4. WETGEVERS, TIRANNEN, REVOLUTIES & ARCHAÏSCH ATHENE (7 D E -6 D E EEUW)
Tussen ongeveer 640 en 500 v.o.t. kwamen in verschillende Griekse poleis tirannen aan de macht. Een
tirannos was een alleenheerser die de macht meestal verkreeg via een militaire staatsgreep en
daarbij steun kreeg van delen v/d aristocratie, de gewone burgers (demos) en soms huursoldaten. De
macht van tirannen bleef meestal niet langer dan enkele generaties bestaan. Ironisch genoeg droegen
zij vaak zelf bij aan hun eigen ondergang doordat zij de economische zelfstandigheid, het politieke
bewustzijn en de culturele ontwikkeling v/d gewone bevolking stimuleerden.
In het archaïsche Athene was de 7de en 6de eeuw v.o.t. een periode van grote politieke instabiliteit. Er
bestonden ernstige sociale problemen, zoals schuldslavernij, waarbij burgers gedwongen werden te
werken voor grootgrondbezitters of zichzelf als slaaf moesten verkopen om schulden af te betalen.
Door de bevolkingsgroei ontstond er een grotere druk op landbouwgrond en eisten gewone burgers
meer politieke inspraak. Tegelijkertijd zorgde rivaliteit tussen aristocratische families, zoals de
Alcmaeoniden en de Peisistratiden, voor verdere instabiliteit.
Omdat de aristocratie de eisen v/d gewone burgers niet langer kon negeren, mede doordat de boeren
een belangrijk deel van het hoplietenleger vormden, werden hervormende wetgevers aangesteld om te
bemiddelen tussen de verschillende groepen. De eerste belangrijke hervorming was de opschriftstelling
van het strafrecht door Drakon rond 620 v.o.t. Door de wetten op schrift te stellen ontstond meer
rechtszekerheid en verloor de aristocratie haar monopolie op de interpretatie van het recht. Rond 590
v.o.t. werd Solon benoemd tot archont met uitzonderlijke bevoegdheden om de Atheense samenleving
te hervormen. Hij kreeg de bevoegdheid om ingrijpende politieke en economische veranderingen door
te voeren.
Solon voerde zowel economische als politieke hervormingen
door om de sociale spanningen in Athene te verminderen. Op
economisch vlak schafte hij de schuldslavernij af en liet hij
bestaande schulden kwijtschelden. Hierdoor konden Atheense
burgers niet langer als slaaf verkocht worden om hun schulden
af te betalen. Daarnaast verbood Solon de export van graan om
de voedselvoorziening binnen Athene veilig te stellen en
stimuleerde hij de ontwikkeling van ambachten en nijverheid.
Op politiek vlak richtte Solon de Raad van Vierhonderd op, naast de reeds bestaande Areopagus.
Hij verdeelde de Atheense burgers bovendien in vier vermogensklassen op basis van hun jaarlijkse
landbouwopbrengst, uitgedrukt in medimnoi graan. De hoogste klasse bestond uit de
, pentakosiomedimnoi, die minstens 500 medimnoi graan per jaar produceerden. Daaronder stonden
de hippeis, met een opbrengst van minstens 300 medimnoi. De zeugitai vormden de derde klasse en
beschikten over minstens 200 medimnoi. De laagste klasse waren de theten, die minder dan 200
medimnoi per jaar bezaten.
De toegang tot politieke functies werd voortaan bepaald door vermogen en niet langer uitsluitend door
afkomst. Enkel de pentakosiomedimnoi en hippeis konden de hoogste ambten, zoals het archontaat,
bekleden, terwijl de zeugitai toegang kregen tot lagere functies. Hierdoor werd het politieke monopolie
v/d geboorteadel doorbroken en ontwikkelde Athene zich tot een timocratie, een staatsvorm waarbij
rijkdom en bezit de politieke rechten bepalen. Ondanks deze hervormingen verdwenen de sociale
problemen niet volledig. De druk op landbouwgrond en de spanningen tussen verschillende groepen in
de samenleving bleven bestaan.
Peisistratos, afkomstig uit de familie v/d Peisistratiden, werd rond 550 v.o.t. de eerste tiran van
Athene. Hij kwam via een staatsgreep aan de macht en was dus geen legitieme heerser volgens de
traditionele aristocratische regels. Toch werd zijn bestuur door een groot deel v/d bevolking positief
beoordeeld omdat hij zorgde voor stabiliteit en economische bloei. Hij voerde een beleid dat de gewone
bevolking ondersteunde. Zo zorgde hij voor herverdeling van land, schuldhulp en betere toegang tot
rechtspraak. Daarnaast stimuleerde hij de ambachtelijke productie, vooral de productie van Atheens
keramiek, en bevorderde hij de handel in producten zoals olijfolie. Peisistratos investeerde ook in grote
bouwprojecten, waaronder tempels voor Zeus, Athena en Dionysos. Deze projecten zorgden voor
werkgelegenheid en verhoogden het prestige van Athene. Daarnaast ondersteunde hij festivals en de
ontwikkeling v/d theatercultuur. Na zijn dood kwam zijn zoon Hippias aan de macht. In 511 v.o.t. werd
hij met hulp v/d Spartanen verdreven door de Atheense aristocratie. Hiermee kwam een einde aan de
tirannie in Athene en ontstond er ruimte voor nieuwe politieke experimenten die uiteindelijk zouden
leiden tot de democratie.
Na de verdrijving van Hippias ontstonden opnieuw conflicten binnen de Atheense elite. In deze
machtsstrijd wist Kleisthenes de steun v/d demos, het gewone volk, te verkrijgen. Hij deed dit niet om
zelf tiran te worden, maar door de bevolking belangrijke politieke toegevingen te beloven. In 507 v.o.t.
werd Kleisthenes archont en voerde hij hervormingen door die beschouwd worden als het begin v/d
Atheense democratie. De macht v/d demos nam toe en een grotere groep burgers kreeg politieke
invloed. De opkomst v/d zeugitai als bewapende hoplieten versterkte hun belang binnen de polis en
droeg bij aan de groei van hun politieke rechten.
Ook buiten Athene vonden in deze periode politieke veranderingen en revolutionaire ontwikkelingen
plaats binnen verschillende Griekse poleis en andere gebieden rond de Middellandse Zee.
4.5. ECONOMIE EN MAATSCHAPPIJ
Landbouw vormde de basis v/d archaïsche Griekse economie. Nieuwe gewassen uit het Oosten, zoals
tarwe, druiven, olijven en verschillende fruitbomen, maakten het demografische herstel in de 9de en
8ste eeuw v.o.t. mogelijk. In tegenstelling tot latere periodes speelde slavenarbeid in de landbouw nog
slechts een beperkte rol. Landbezit was sterk versnipperd en werd voornamelijk doorgegeven via
erfenissen. De verkoop van grond kwam minder vaak voor. De verdeling van land en rijkdom zorgde
echter voor belangrijke sociale verschillen binnen de samenleving.
De productie van goederen gebeurde vooral op kleine schaal volgens het zogenaamde
workshopmodel. Hierbij werkten ambachtslieden samen met familieleden of leerlingen in kleine
werkplaatsen. Zij produceerden goederen die vervolgens op lokale of regionale markten werden
verkocht. Ook vrouwen speelden een belangrijke rol in de huisnijverheid, bijvoorbeeld bij de productie
van textiel. De handel kende een grote bloei, vooral dankzij de contacten tussen de Griekse
moedersteden en de nieuwe koloniepoleis. Sommige rijke Grieken bezaten schepen en konden hierdoor
aanzienlijke rijkdom verwerven. Ook piraterij kon een bijkomende bron van inkomsten zijn. De apoikai
leverden niet alleen landbouwproducten zoals graan, maar brachten ook luxeproducten en
grondstoffen uit verschillende regio’s v/d Middellandse Zee naar de Griekse wereld.
HOORCOLLEGE 1: INLEIDING, DARK AGE EN ARCHAÏSCH
GRIEKENLAND
1. INLEIDING
Bronnen:
Proza en poëzie overgeleverd via handschriftelijke traditie ‘literaire bronnen’ (fictie + non-
fictie)
Inscripties op steen of brons;
Papyri (voorn. Hellenistisch en Romeins Egypte);
Munten;
Archeologische resten
2. DE BRONSTIJDCULTUREN
Twee bronstijdculturen gaan ‘vooraf’ aan de Griekse geschiedenis
2.1. DE MINOÏSCHE BESCHAVING OP KRETA (CA. 2000-1100 V.O.T.)
Op het eiland Kreta had je de Minoïsche beschaving, genoemd naar de mythische koning Minos uit de
latere Griekse sagen. Had handelscontacten met Egypte en Egeïsche eilanden, dat creëerde een
welvaart door export van wijn, olijfproducten en
keramiek.
Tussen 2000-1470 v.o.t heb je de opkomst van
paleizen (bv. Knossos), die ongetwijfeld politieke en
religieuze centra was voor het omliggende land.
Paleizen controleerden en herverdeelden agrarisch
surplus (= paleiseconomieën). Ook ontbraken er
verdedigingsmuren, waardoor men heeft verondersteld
dat de Kretenzers in deze periode de zee moeten
hebben beheerst (= maar niet zeker).
Uit de bloeitijd stammen er kleitabletten met een eigen
schrift. Hoogstwaarschijnlijk ging het hierbij om een
syllabisch schrift, waarmee de administratie van het paleis werd genoteerd. Dit schrift wordt lineair A
genoemd en is nog niet ontcijferd, maar vaststaat wel dat de taal geen Grieks kan zijn geweest. Het
Kretenzische schrift v/d administratie werd later enigszins aangepast en staat nu bekend als Lineair B,
dat wel ontcijferd is en het oudste ons bekende Grieks noteert. In de laatste fase v/d Bronstijd maakte
Kreta deel uit v/d Griekse cultuur overgenomen door de Myceners.
,2.2. DE MYCEENSE BESCHAVING (CA. 1600-1100 V.O.T.)
De bronstijd op het Griekse vasteland noemt men de Helladische cultuur, dat wil zeggen: de cultuur
van Hellas. Deze cultuur heeft sterk onder de invloed gestaan van het Minoïsche Kreta. De Myceense
beschaving wordt zo genoemd naar één van haar belangrijkste centra: Mycene. Je had burchten met
zware verdedigingsmuren, strijdwagens met paarden en rijke graven voor aanzienlijke personen (=
tholosgraven). Dit getuigt van het krijgsachtige karakter v/d maatschappij, waarin vorsten in versterkte
paleizen over het omliggende lang regeren. Overal was de bevolking aan de heren in de burcht of het
paleis onderworpen, maar over de precieze maatschappelijke verhoudingen zijn we verder slecht
ingelicht. In de paleizen zijn er een groot aantal kleitabletten gevonden, die door toeval van het
afbranden v/d paleizen gebakken en bewaard zijn. Ook hier had je een paleiseconomie.
Rond 1200 v.o.t. begon de ondergang v/d Myceense beschaving. Centra werd verwoest door brand, er
was een culturele terugval en er gingen handelscontacten verloren. In het deels verarmde land zouden
bepaalde Myceense centra, zoals de burcht van Mycene zelf en Tiruns, nog geruime tijd hebben
voortbestaan. Pas na ca. 1100 v.o.t. zouden de laatste resten v/d Myceense wereld en daarmee v/d
beschaving v/d bronstijd in Griekenland zijn verdwenen. Toen het 2de millennium v.o.t. afliep, bevond
Griekenland zich op een dieptepunt in zijn geschiedenis. Met de Myceense burchten was de hele
politieke structuur van vorstendom in een paleiseconomieën verdwenen. Ook het Myceense lineair B-
schrift bestond hier niet langer en voor enige tijd was De Griekse wereld weer schriftloos.
Dark Age
3. DE DARK AGE (1000-750 V.O.T.)
De periode tussen ongeveer 1000 en 750 v.o.t. wordt de Dark Age genoemd. Deze benaming verwijst
niet noodzakelijk naar een volledige stilstand v/d ontwikkeling, maar naar het feit dat historici over
deze periode weinig informatie bezitten. Er zijn nauwelijks geschreven bronnen en ook de
archeologische resten zijn beperkt. Daarnaast vond er een duidelijke culturele terugval plaats in
vergelijking met de hoogontwikkelde Myceense wereld.
De overgang v/d Myceense periode naar de Dark Age betekende een belangrijke breuk met het
verleden. De paleiseconomieën verdwenen en de kennis van het Lineair B-schrift ging verloren.
Hierdoor kende Griekenland een periode zonder schriftelijke traditie. Ook de materiële cultuur werd
eenvoudiger en de bevolking leefde vooral in kleine, geïsoleerde gemeenschappen. Deze
gemeenschappen werden geleid door lokale koningen of stamhoofden, die bekend stonden als
basileis. Tegelijkertijd begon in deze periode de overgang naar de IJzertijd, waarbij ijzer steeds
belangrijker werd als materiaal voor wapens en werktuigen.
Vanaf de 9de eeuw v.o.t. kwam geleidelijk een einde aan de Dark Age. De bevolking begon opnieuw te
groeien en de Grieken vestigden zich steeds vaker in kustgebieden en op eilanden. De
handelscontacten met gebieden in Azië werden hersteld en de materiële cultuur werd opnieuw
complexer, wat bijvoorbeeld zichtbaar is in de ontwikkeling van verfijnder aardewerk. Daarnaast werd
het schrift opnieuw ingevoerd, maar niet meer in de vorm van het oude Lineair B. De Grieken namen
een alfabetisch schrift over v/d Feniciërs, dat de basis vormde voor het latere Griekse alfabet.
4. ARCHAÏSCHE PERIODE / AGE OF EXPERIMENT (750-500 V.O.T.)
! 1000-500 v.o.t./ Dark Age + archaïsche periode grondslagen voor latere Griekse
beschavingen!
Kenmerken:
Ontstaan polis
Kolonisatie
Sociaal-politieke omwentelingen (o.a. tirannen, wetgevers, revoluties, etc.)
Begin Griekse literatuur (o.a. Homerus, lyrische poëzie)
4.1. ONTSTAAN EN ONTWIKKELING POLEIS
,Er bestaan geen geschreven bronnen die de precieze oorsprong v/d Griekse poleis beschrijven.
Wanneer de eerste literaire bronnen, zoals de werken van Homerus, verschijnen, zijn de poleis reeds
ontwikkeld. In deze vroege gemeenschappen werd het bestuur uitgeoefend door een koning of
stamhoofd, de basileus genoemd. Daarnaast bestond er ook een volksvergadering, maar dit
betekende nog geen democratisch systeem.
Een polis (meervoud: poleis) was meer dan enkel een
stad. Het was een gemeenschap van burgers, waarbij
vooral de volwassen mannelijke burgers centraal stonden.
Vrouwen en andere bevolkingsgroepen maakten deel uit
v/d gemeenschap, maar bezaten geen politieke rechten en
hadden daardoor een ondergeschikte positie. Een
vergelijkbaar begrip in de Romeinse wereld was de
civitas. De meeste Griekse poleis waren in het begin
aristocratisch of oligarchisch georganiseerd, waarbij een
beperkte groep rijke en invloedrijke families de politieke
macht in handen had. De politieke organisatie van een
polis bestond doorgaans uit verschillende instellingen. De
belangrijkste waren de volksvergadering, een raad,
volksrechtbanken en magistraten die bestuurlijke functies uitvoerden.
De meeste poleis waren relatief klein, hoewel sommige uitgroeiden tot uitzonderlijk grote en machtige
stadstaten, zoals Athene, Sparta en Syracuse. Een polis bestond meestal uit een stedelijke kern
(astu) en een omliggend agrarisch gebied (chora). Dit was echter niet altijd het geval. Sparta was
bijvoorbeeld een verzameling van verschillende dorpen die niet fysiek één stad vormden, maar wel
politiek en institutioneel met elkaar verbonden waren. Verschillende poleis ontwikkelden een
expansiepolitiek en probeerden hun invloed en grondgebied uit te breiden. Bekende voorbeelden
hiervan zijn Sparta, Athene en Thebe.
De bevolking van een polis bestond niet alleen uit mannelijke burgers, maar ook uit vrouwen en
kinderen, die minder rechten bezaten. Daarnaast waren er inwonende vreemdelingen, slaven en
andere groepen met een semi-serviele status die geen volwaardig burgerrecht hadden. Vanaf de 7de
eeuw v.o.t. verscherpten de sociale verhoudingen binnen veel poleis. De aristocratische elite probeerde
bezit en politieke macht te monopoliseren. Omdat de gemeenschappen echter relatief klein waren en
de elite niet machtig genoeg was om de rest v/d bevolking volledig te controleren, moesten zij rekening
houden met de gewone burgers. De gewone burgers kregen geleidelijk meer politieke invloed, vooral
omdat zij een essentieel onderdeel vormden van het hoplietenleger. Hun militaire bijdrage maakte het
moeilijk om hen volledig uit te sluiten van politieke inspraak.
4.2. INTERNE VERHOUDINGEN BINNEN POLEIS
Binnen de archaïsche poleis ontstonden verschillende sociale en politieke conflicten. Een eerste
belangrijke tegenstelling was die tussen de elite en de niet-elite. Armere burgers eisten meer rechten
en verbeteringen van hun levensomstandigheden. Hun eisen hadden voornamelijk betrekking op de
herverdeling van landbouwgrond, het kwijtschelden van schulden en een grotere politieke inspraak.
Een tweede soort conflict vond plaats binnen de elite zelf. Aristocratische families streden onderling om
prestige en macht. Deze rivaliteit zorgde voor politieke instabiliteit en verzwakte de bestaande
machtsstructuren. Hierdoor ontstond een gunstige situatie voor ambitieuze individuen die de macht
konden grijpen als tiran.
Deze conflicten konden verschillende uitkomsten hebben. In sommige poleis slaagde de elite erin alle
macht naar zich toe te trekken en de gewone bevolking uit te buiten, zoals in Athene en Korinthe. In
andere gebieden, zoals Sparta en Kreta, werkten de elites samen met de gewone burgers om
onderworpen bevolkingsgroepen uit te buiten. Een veelvoorkomende oplossing was de opkomst van
tirannieën, waarbij een alleenheerser door middel van een staatsgreep de macht overnam. De
archaïsche samenleving werd gekenmerkt door complexe sociale verhoudingen en grote verschillen in
materiële rijkdom.
,4.3. ARCHAÏSCHE KOLONISATIE
De term kolonisatie kan enigszins misleidend zijn wanneer men spreekt over de Griekse uitbreiding in
de Middellandse Zee. De nieuw gestichte nederzettingen waren namelijk geen ondergeschikte
gebieden die economisch werden uitgebuit door het moederland. Het ging om politiek zelfstandige
stadstaten die apoikai werden genoemd.
De Griekse kolonisatie werd veroorzaakt door verschillende factoren. Door de sterke bevolkingsgroei
ontstond er een tekort aan beschikbare landbouwgrond, waardoor men op zoek ging naar nieuwe
gebieden om zich te vestigen. Vooral vruchtbare en graanrijke gebieden zoals Sicilië, Zuid-Italië en
Noord-Afrika waren aantrekkelijke bestemmingen voor kolonisten. Daarnaast speelden ook sociale en
politieke spanningen binnen de poleis een rol. Soms werden groepen aristocraten of andere inwoners
die betrokken waren bij conflicten aangemoedigd om nieuwe gemeenschappen te stichten. De
kolonisatie had belangrijke gevolgen voor de Griekse wereld. De handel binnen het Middellandse
Zeegebied nam sterk toe. De apoikai leverden onder andere graan aan de Griekse moedersteden,
terwijl zij in ruil producten zoals keramiek, wijn en andere goederen ontvingen.
Daarnaast zorgden contacten met het Oosten voor de introductie van nieuwe gewassen en
landbouwtechnieken, wat de verdere bevolkingsgroei en het economische herstel v/d Griekse wereld
ondersteunde.
4.4. WETGEVERS, TIRANNEN, REVOLUTIES & ARCHAÏSCH ATHENE (7 D E -6 D E EEUW)
Tussen ongeveer 640 en 500 v.o.t. kwamen in verschillende Griekse poleis tirannen aan de macht. Een
tirannos was een alleenheerser die de macht meestal verkreeg via een militaire staatsgreep en
daarbij steun kreeg van delen v/d aristocratie, de gewone burgers (demos) en soms huursoldaten. De
macht van tirannen bleef meestal niet langer dan enkele generaties bestaan. Ironisch genoeg droegen
zij vaak zelf bij aan hun eigen ondergang doordat zij de economische zelfstandigheid, het politieke
bewustzijn en de culturele ontwikkeling v/d gewone bevolking stimuleerden.
In het archaïsche Athene was de 7de en 6de eeuw v.o.t. een periode van grote politieke instabiliteit. Er
bestonden ernstige sociale problemen, zoals schuldslavernij, waarbij burgers gedwongen werden te
werken voor grootgrondbezitters of zichzelf als slaaf moesten verkopen om schulden af te betalen.
Door de bevolkingsgroei ontstond er een grotere druk op landbouwgrond en eisten gewone burgers
meer politieke inspraak. Tegelijkertijd zorgde rivaliteit tussen aristocratische families, zoals de
Alcmaeoniden en de Peisistratiden, voor verdere instabiliteit.
Omdat de aristocratie de eisen v/d gewone burgers niet langer kon negeren, mede doordat de boeren
een belangrijk deel van het hoplietenleger vormden, werden hervormende wetgevers aangesteld om te
bemiddelen tussen de verschillende groepen. De eerste belangrijke hervorming was de opschriftstelling
van het strafrecht door Drakon rond 620 v.o.t. Door de wetten op schrift te stellen ontstond meer
rechtszekerheid en verloor de aristocratie haar monopolie op de interpretatie van het recht. Rond 590
v.o.t. werd Solon benoemd tot archont met uitzonderlijke bevoegdheden om de Atheense samenleving
te hervormen. Hij kreeg de bevoegdheid om ingrijpende politieke en economische veranderingen door
te voeren.
Solon voerde zowel economische als politieke hervormingen
door om de sociale spanningen in Athene te verminderen. Op
economisch vlak schafte hij de schuldslavernij af en liet hij
bestaande schulden kwijtschelden. Hierdoor konden Atheense
burgers niet langer als slaaf verkocht worden om hun schulden
af te betalen. Daarnaast verbood Solon de export van graan om
de voedselvoorziening binnen Athene veilig te stellen en
stimuleerde hij de ontwikkeling van ambachten en nijverheid.
Op politiek vlak richtte Solon de Raad van Vierhonderd op, naast de reeds bestaande Areopagus.
Hij verdeelde de Atheense burgers bovendien in vier vermogensklassen op basis van hun jaarlijkse
landbouwopbrengst, uitgedrukt in medimnoi graan. De hoogste klasse bestond uit de
, pentakosiomedimnoi, die minstens 500 medimnoi graan per jaar produceerden. Daaronder stonden
de hippeis, met een opbrengst van minstens 300 medimnoi. De zeugitai vormden de derde klasse en
beschikten over minstens 200 medimnoi. De laagste klasse waren de theten, die minder dan 200
medimnoi per jaar bezaten.
De toegang tot politieke functies werd voortaan bepaald door vermogen en niet langer uitsluitend door
afkomst. Enkel de pentakosiomedimnoi en hippeis konden de hoogste ambten, zoals het archontaat,
bekleden, terwijl de zeugitai toegang kregen tot lagere functies. Hierdoor werd het politieke monopolie
v/d geboorteadel doorbroken en ontwikkelde Athene zich tot een timocratie, een staatsvorm waarbij
rijkdom en bezit de politieke rechten bepalen. Ondanks deze hervormingen verdwenen de sociale
problemen niet volledig. De druk op landbouwgrond en de spanningen tussen verschillende groepen in
de samenleving bleven bestaan.
Peisistratos, afkomstig uit de familie v/d Peisistratiden, werd rond 550 v.o.t. de eerste tiran van
Athene. Hij kwam via een staatsgreep aan de macht en was dus geen legitieme heerser volgens de
traditionele aristocratische regels. Toch werd zijn bestuur door een groot deel v/d bevolking positief
beoordeeld omdat hij zorgde voor stabiliteit en economische bloei. Hij voerde een beleid dat de gewone
bevolking ondersteunde. Zo zorgde hij voor herverdeling van land, schuldhulp en betere toegang tot
rechtspraak. Daarnaast stimuleerde hij de ambachtelijke productie, vooral de productie van Atheens
keramiek, en bevorderde hij de handel in producten zoals olijfolie. Peisistratos investeerde ook in grote
bouwprojecten, waaronder tempels voor Zeus, Athena en Dionysos. Deze projecten zorgden voor
werkgelegenheid en verhoogden het prestige van Athene. Daarnaast ondersteunde hij festivals en de
ontwikkeling v/d theatercultuur. Na zijn dood kwam zijn zoon Hippias aan de macht. In 511 v.o.t. werd
hij met hulp v/d Spartanen verdreven door de Atheense aristocratie. Hiermee kwam een einde aan de
tirannie in Athene en ontstond er ruimte voor nieuwe politieke experimenten die uiteindelijk zouden
leiden tot de democratie.
Na de verdrijving van Hippias ontstonden opnieuw conflicten binnen de Atheense elite. In deze
machtsstrijd wist Kleisthenes de steun v/d demos, het gewone volk, te verkrijgen. Hij deed dit niet om
zelf tiran te worden, maar door de bevolking belangrijke politieke toegevingen te beloven. In 507 v.o.t.
werd Kleisthenes archont en voerde hij hervormingen door die beschouwd worden als het begin v/d
Atheense democratie. De macht v/d demos nam toe en een grotere groep burgers kreeg politieke
invloed. De opkomst v/d zeugitai als bewapende hoplieten versterkte hun belang binnen de polis en
droeg bij aan de groei van hun politieke rechten.
Ook buiten Athene vonden in deze periode politieke veranderingen en revolutionaire ontwikkelingen
plaats binnen verschillende Griekse poleis en andere gebieden rond de Middellandse Zee.
4.5. ECONOMIE EN MAATSCHAPPIJ
Landbouw vormde de basis v/d archaïsche Griekse economie. Nieuwe gewassen uit het Oosten, zoals
tarwe, druiven, olijven en verschillende fruitbomen, maakten het demografische herstel in de 9de en
8ste eeuw v.o.t. mogelijk. In tegenstelling tot latere periodes speelde slavenarbeid in de landbouw nog
slechts een beperkte rol. Landbezit was sterk versnipperd en werd voornamelijk doorgegeven via
erfenissen. De verkoop van grond kwam minder vaak voor. De verdeling van land en rijkdom zorgde
echter voor belangrijke sociale verschillen binnen de samenleving.
De productie van goederen gebeurde vooral op kleine schaal volgens het zogenaamde
workshopmodel. Hierbij werkten ambachtslieden samen met familieleden of leerlingen in kleine
werkplaatsen. Zij produceerden goederen die vervolgens op lokale of regionale markten werden
verkocht. Ook vrouwen speelden een belangrijke rol in de huisnijverheid, bijvoorbeeld bij de productie
van textiel. De handel kende een grote bloei, vooral dankzij de contacten tussen de Griekse
moedersteden en de nieuwe koloniepoleis. Sommige rijke Grieken bezaten schepen en konden hierdoor
aanzienlijke rijkdom verwerven. Ook piraterij kon een bijkomende bron van inkomsten zijn. De apoikai
leverden niet alleen landbouwproducten zoals graan, maar brachten ook luxeproducten en
grondstoffen uit verschillende regio’s v/d Middellandse Zee naar de Griekse wereld.