Inhoudstafel
Inleiding.....................................................................................................................................................2
Inleidende bepalingen van Boek 6 BW...................................................................................................23
Aansprakelijkheid voor eigen daad – deel 1...........................................................................................49
Aansprakelijkheid voor eigen daad – deel 2...........................................................................................65
Aansprakelijkheid voor andermans daad................................................................................................87
Oorzakelijk verband...............................................................................................................................110
Oorzakelijk verband: onzekerheden, rechtmatig alternatief en verlies van een kans...........................129
Schade..................................................................................................................................................152
Aansprakelijkheidsverzekeringen..........................................................................................................172
Gevolgen van aansprakelijkheid...........................................................................................................190
Overheidsaansprakelijkheid..................................................................................................................207
Klimaat- en milieuaansprakelijkheid......................................................................................................226
Vergoeding van medische schade........................................................................................................255
Verkeersaansprakelijkheid....................................................................................................................291
Coördinatie tussen vergoedingsregelingen en verhaal van derde-betalers..........................................316
1
, Inleiding
1. Centrale gedachte van het vak
Het klassieke privaatrecht vertrekt historisch van het uitgangspunt:
“The loss lies where it falls.”
De schade blijft liggen waar zij valt.
Dat is nog altijd het vertrekpunt, maar in een moderne verzorgingsstaat is dat uitgangspunt sterk
gerelativeerd. Vandaag overheerst eerder het idee: “pech moet weg”. Wanneer iemand schade lijdt,
wordt gezocht naar mechanismen om die schade toch te vergoeden, ook als het klassieke
aansprakelijkheidsrecht niet volstaat.
De kernvraag van het vak is:
Kan een benadeelde die schade lijdt door activiteiten van een andere persoon aanspraak maken op
herstel van die schade, en zo ja, onder welke voorwaarden?
Daarbij gaat het niet alleen om het klassieke aansprakelijkheidsrecht, maar om het volledige landschap
van vergoedingsmechanismen: aansprakelijkheid, aansprakelijkheidsverzekering, sociale zekerheid,
eigenschadeverzekeringen en schadefondsen.
2. Inleidende casussen: waarom schadevergoedingsrecht complex is
2.1. Speelzand met asbest
Een eerste voorbeeld is speelzand waarin mogelijk asbest wordt aangetroffen. Dat roept meteen
vragen op over productaansprakelijkheid: als een product onveilig is en schade veroorzaakt, kan de
producent mogelijk aansprakelijk worden gesteld.
Maar zo’n casus toont meteen verschillende problemen.
Ten eerste moet men weten welke producent het betrokken product op de markt heeft gebracht. Als
meerdere producenten gelijkaardig speelzand verkopen, rijst de vraag wie concreet het
schadeverwekkende product heeft geleverd. Dat probleem doet denken aan de Softenon-
problematiek: een geneesmiddel tegen ochtendmisselijkheid dat in de jaren 60-70 aan zwangere
vrouwen werd gegeven en later zware misvormingen bij kinderen veroorzaakte. Er waren meerdere
producenten, waardoor de vraag rees wie aansprakelijk was. In Boek 6 wordt dit soort probleem later
verbonden met onder meer alternatieve aansprakelijkheid.
Ten tweede stelt asbest bijzondere problemen op het vlak van schade en oorzakelijk verband. Asbest
bestaat uit vezels die vroeger veel werden gebruikt in de bouwsector, bijvoorbeeld voor isolatie, daken,
vloeren en golfplaten. Zolang asbest vastzit, is het minder problematisch. Het gevaar ontstaat wanneer
vezels vrijkomen, worden ingeademd en zich op de longen afzetten.
De gevolgen kunnen pas na dertig of veertig jaar zichtbaar worden. Typische aandoeningen zijn
asbestose en mesothelioom; daarbij is het oorzakelijk verband met asbest meestal duidelijk. Bij
longkanker is dat moeilijker, omdat longkanker ook andere oorzaken kan hebben.
2
,Een fundamenteel probleem is dat blootstelling op zich nog niet noodzakelijk actuele schade vormt.
Iemand kan vandaag aantonen dat hij of zijn kind aan asbest werd blootgesteld, maar nog niet ziek
zijn. Dan rijst de vraag: welke schade is er vandaag al?
Een mogelijke piste is angstschade: de angst om later ziek te worden. Maar dat mag geen “doos van
Pandora” worden. Niet elke vrees mag automatisch tot vergoeding leiden. De voorwaarden van het
aansprakelijkheidsrecht moeten die categorie afbakenen.
Een vergelijkbaar probleem bestaat bij PFOS/PFAS. In de omgeving van Zwijndrecht kunnen mensen
verhoogde waarden in het bloed aantonen, maar dat betekent niet noodzakelijk dat zij vandaag al ziek
zijn. Ook daar rijst de vraag of blootstelling, verhoogde waarden of angst op zichzelf vergoedbare
schade vormen.
2.2. Brand in een ski-oord / club
Een tweede voorbeeld is een brand in een club of ski-oord, met veel jonge slachtoffers. Daar spelen
strafrechtelijke en burgerrechtelijke aansprakelijkheid naast elkaar.
Mogelijke burgerrechtelijke grondslagen zijn:
Gebrekkige zaak of gebrekkige infrastructuur.
Als het plafond uit zeer brandbaar isomo bestond, de kelderverdieping maar één uitgang had, of de
ruimte onvoldoende veilig was ingericht, kan de infrastructuur als gebrekkig worden beschouwd.
Aansprakelijkheid van eigenaar of uitbater.
De eigenaar of uitbater kan aangesproken worden wanneer de ruimte niet veilig was. Als er recent
werd gerenoveerd, kan ook een bouwheer, architect of aannemer in beeld komen, bijvoorbeeld
wegens een conceptiefout. De tienjarige aansprakelijkheid kan relevant zijn afhankelijk van de timing.
Eigen fout van de uitbaters.
Als men champagneflessen met brandende kaarsen toelaat in een brandgevoelige ruimte, kan dat als
foutief gedrag worden beschouwd.
Objectieve aansprakelijkheid bij brand en ontploffing.
Voor wie een publieke ruimte uitbaat, bestaat specifieke regelgeving rond verzekering tegen brand en
ontploffing. Daarbij kan sprake zijn van objectieve, foutloze aansprakelijkheid: bij brand of ontploffing in
het gebouw kan aansprakelijkheid ontstaan zonder dat een fout moet worden bewezen. Daartegenover
staat dan een verplichte verzekering.
2.3. Klimaatzaken en de Shell-zaak
Klimaatzaken tonen hoe het aansprakelijkheidsrecht vandaag wordt ingezet voor grote
maatschappelijke problemen. Aanvankelijk richtten klimaatzaken zich vooral tegen overheden. Steeds
vaker worden ook ondernemingen en banken aangesproken.
De Shell-zaak in Nederland is daarvan een belangrijk voorbeeld. Shell wordt verweten onvoldoende te
doen om zijn CO₂-uitstoot te verminderen en zo bij te dragen aan de klimaatproblematiek. De zaak
illustreert hoe het aansprakelijkheidsrecht wordt gebruikt om gedragsverandering af te dwingen, niet
alleen om klassieke individuele schade te vergoeden.
3
, 3. Het overzicht van de vergoedingsregelingen
Het Belgische schadevergoedingsrecht bestaat uit meerdere lagen. Het klassieke buitencontractuele
aansprakelijkheidsrecht blijft belangrijk, maar is niet langer de enige en zelfs niet meer de voornaamste
bron van vergoeding.
3.1. Gemeen buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht
3.1.1. Van art. 1382 oud BW naar Boek 6
Traditioneel dacht men bij schadevergoeding onmiddellijk aan art. 1382 oud BW. Vandaag moet men
denken aan Boek 6 BW, en in het bijzonder aan de nieuwe bepalingen over buitencontractuele
aansprakelijkheid, waaronder art. 6.5 BW.
Het gemeen buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht is het algemene vergoedingssysteem. Het
geldt in principe voor elk soort schadegeval.
De klassieke voorwaarden zijn:
1. fout
2. schade
3. oorzakelijk verband
Als aan die voorwaarden is voldaan, geldt het principe van integrale schadevergoeding. Alle
schadeposten die juridisch in aanmerking komen, moeten worden vergoed.
3.1.2. Voorbeeld: Bram struikelt over een rugzak
Het voorbeeld: een ICT-medewerker, Bram, komt helpen in de aula, loopt door het middenpad,
struikelt over een rugzak van een student, valt zwaar, scheurt zijn broek, loopt beenwonden op, moet
naar de dokter en de spoed, is enkele weken economisch ongeschikt en raakt in het ziekenhuis ook
nog besmet met de MRSA-ziekenhuisbacterie.
De vraag is: hoe krijgt Bram zijn schade vergoed?
3.1.3. Persoonlijke aansprakelijkheid
De student die zijn rugzak in het middenpad laat liggen, kan mogelijk persoonlijk aansprakelijk zijn
wegens een eigen fout. De fout zou erin bestaan dat het onzorgvuldig is om een boekentas te laten
slingeren op een doorgang waar mensen moeten passeren.
3.1.4. Kwalitatieve aansprakelijkheid
Naast persoonlijke aansprakelijkheid bestaat kwalitatieve aansprakelijkheid: aansprakelijkheid wegens
een bepaalde hoedanigheid, niet omdat men zelf rechtstreeks de fout heeft begaan.
Onder het oude recht waren belangrijke categorieën:
ouders voor minderjarige kinderen;
onderwijzers voor leerlingen;
aanstellers voor aangestelden.
4
,Ouders komen in het voorbeeld normaal niet in beeld, omdat masterstudenten meerderjarig zijn. In een
eerstejaarsvak met minderjarige studenten zou dat eventueel anders kunnen zijn.
Onder het oude recht kon een onderwijzer, ook een professor, kwalitatief aansprakelijk zijn voor
leerlingen of studenten. In Boek 6 is dat verschoven: de aansprakelijkheid ligt niet langer bij de
natuurlijke persoon-onderwijzer, maar bij de onderwijsinstelling. In een universitaire context zou dat
dus de KU Leuven zijn. Toch is de kans op aansprakelijkheid bij volwassen studenten kleiner, omdat
de toezichtsverplichting veel beperkter is dan bij jonge kinderen.
Ook de KU Leuven als aansteller van een personeelslid zou in beeld kunnen komen, maar dan moet
eerst worden aangetoond dat dat personeelslid zelf een fout beging, bijvoorbeeld door de aula slecht
te organiseren. Bij volwassen studenten ligt dat niet voor de hand.
3.1.5. Aansprakelijkheid voor zaken
Onder het oude BW stond art. 1384 centraal: men is niet alleen aansprakelijk voor de eigen daad,
maar ook voor personen en zaken waarvoor men instaat.
Voor personen werd de opsomming limitatief gelezen: ouders, onderwijzers en aanstellers. Men kon
die niet zomaar uitbreiden naar bijvoorbeeld grootouders, onthaalouders of jeugdleiders.
Voor zaken was dat anders. Art. 1385 ging over dieren, art. 1386 over gebouwen die instorten, maar
uit art. 1384 werd ook een algemene aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken afgeleid.
In Boek 6 keren de aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken en dieren terug. De aparte
aansprakelijkheid voor gebouwen keert niet terug, omdat een gebouw ook gewoon als gebrekkige
zaak kan worden behandeld.
In het voorbeeld is de rugzak zelf normaal geen gebrekkige zaak: er is niets abnormaals aan de
rugzak. Hij ligt alleen op een gevaarlijke plaats. Men zou wel ruimer kunnen kijken naar de aula: als er
te weinig doorgangsruimte is, geen lockers zijn, of de zaal structureel onveilig is voor studenten met
rugzakken en jassen, zou de aula misschien als gebrekkige zaak kunnen worden gezien. Dat is
juridisch creatief, maar niet evident.
3.1.6. Sterktes en zwaktes van het gemeen aansprakelijkheidsrecht
Het gemeen buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht was lange tijd de enige echte uitzondering op
“the loss lies where it falls”. Het is ontstaan in een landbouwmaatschappij, maar bleek flexibel genoeg
om moderne schadegevallen te behandelen, zoals klimaatzaken en schendingen van privacyrechten.
Toch blijft het systeem zwaar voor benadeelden, omdat zij fout, schade en oorzakelijk verband moeten
bewijzen. Bovendien is er een belangrijk praktisch probleem: zelfs als iemand aansprakelijk is, kan die
persoon insolvabel zijn. Een student die een zware schadevergoeding moet betalen, heeft meestal niet
het vermogen om dat te doen.
Daarom zijn aanvullende en alternatieve systemen ontstaan.
4. Objectieve of foutloze aansprakelijkheid
Vanaf het einde van de 19e eeuw namen industrialisering, auto’s, verkeer en moderne technologie
sterk toe. Daardoor ontstonden meer schadegevallen, vaak in situaties waarin het voor benadeelden
moeilijk was om een fout te bewijzen.
5
, Daarom zijn vormen van objectieve of foutloze aansprakelijkheid ingevoerd. Daarbij hoeft de
benadeelde geen fout te bewijzen. Wel moet hij voldoen aan de specifieke voorwaarden van het
betrokken regime.
Belangrijk: objectieve aansprakelijkheid is fragmentarisch. Elk regime heeft een eigen
toepassingsgebied en eigen voorwaarden.
4.1. Productaansprakelijkheid
Productaansprakelijkheid is een wettelijk regime van foutloze aansprakelijkheid. De benadeelde hoeft
niet te bewijzen dat de producent een fout beging in het productieproces. Hij moet aantonen dat:
er een product is;
het product gebrekkig of onveilig is;
het product schade heeft veroorzaakt.
De producent of degene die het product op de markt bracht, kan dan aangesproken worden.
Productaansprakelijkheid klinkt sterk, maar kent praktische problemen. De producent kan moeilijk te
identificeren zijn, in het buitenland zitten of verweermiddelen hebben. Bij meerdere producenten rijst
opnieuw het identificatieprobleem.
De regeling kwam oorspronkelijk uit Europees recht en was in België vroeger opgenomen in een
bijzondere wet. In Boek 6 is zij geïntegreerd in het hoofdstuk over bijzondere
aansprakelijkheidsregimes. Momenteel staat daar vooral productaansprakelijkheid, maar de bedoeling
is dat later ook andere bijzondere regimes daar kunnen worden ondergebracht, zoals brand en
ontploffing, verkeersaansprakelijkheid, arbeidsongevallen of een regeling voor ecologische schade.
4.2. Ecologische schade
Ecologische schade is schade aan het milieu zelf, bijvoorbeeld aan niet-toegeëigende
milieubestanddelen. Denk aan schade aan wilde zalmen in de oceaan of aan natuur die niet aan één
concrete eigenaar toebehoort.
Daarbij rijzen fundamentele vragen:
Wie mag herstel vragen?
Wie is benadeelde?
Welke vorm van herstel is mogelijk?
Hoe verhoudt dit zich tot het gemeen aansprakelijkheidsrecht?
Omdat Boek 6 onvoldoende specifiek op ecologische schade is toegespitst, wordt nagedacht over een
bijzondere regeling. Die zou eventueel later als bijzonder aansprakelijkheidsregime in Boek 6 kunnen
worden ingevoegd.
4.3. Bovenmatige burenhinder
Een belangrijk voorbeeld van jurisprudentiële oorsprong, inmiddels verankerd in art. 3.101 BW, is
bovenmatige burenhinder.
6
, Twee buren hebben elk het recht hun eigendom of gebruiksrecht uit te oefenen. Tussen die rechten
bestaat een evenwicht. Als één buur dat evenwicht verbreekt en de andere buur bovenmatige hinder
bezorgt, kan herstel worden gevraagd zonder dat een fout moet worden bewezen.
Belangrijk:
het gaat niet om foutaansprakelijkheid;
het gaat om verstoring van het evenwicht tussen naburige rechten;
het herstel is geen integrale schadevergoeding, maar een compensatie of maatregel om het
evenwicht te herstellen.
Klassieke voorbeelden zijn hanen die te veel kraaien of buren die midden in de nacht drummen. Maar
de figuur is veel belangrijker geworden bij industriële en commerciële activiteiten.
Een modern voorbeeld is 3M in Zwijndrecht. Een gezin dat in de buurt woonde, had een huis gekocht
met grote tuin, met de bedoeling dat kinderen er konden spelen, men kippen kon houden en een
moestuin kon hebben. Door PFOS-vervuiling werd dat afgeraden. Zij konden als buren van 3M
bovenmatige burenhinder inroepen. Dat opent perspectieven voor vele andere buurtbewoners.
Ook rookhinder kan eventueel onder burenhinder vallen. Een bewoner mag in beginsel in zijn eigen
ruimte roken, tenzij een huishoudelijk reglement of akte dat verbiedt. Maar als in een slecht geïsoleerd
gebouw rook via kieren naar een bovenbuur trekt en passief roken gezondheidsrisico’s meebrengt, kan
dat bovenmatige hinder vormen. De oplossing is dan niet noodzakelijk een rookverbod, maar
passende maatregelen, zoals alleen buiten roken of betere isolatie.
4.4. Risicoaansprakelijkheid
Risicoaansprakelijkheid gaat nog verder dan gewone foutloze aansprakelijkheid. In bepaalde gevallen
hoeft niet alleen geen fout te worden bewezen, maar ook geen klassiek oorzakelijk verband tussen fout
en schade. Het volstaat dat er een band bestaat tussen de schade en de gevaarlijke activiteit.
Dit wordt gebruikt voor gevaarlijke maar maatschappelijk nuttige activiteiten, zoals de uitbating van een
kerncentrale.
De klassieke driehoek is:
1. risicoaansprakelijkheid voor de uitbater;
2. verplichte aansprakelijkheidsverzekering;
3. plafonering van aansprakelijkheid.
De plafonering is nodig omdat verzekeraars anders niet bereid zouden zijn zulke risico’s te dekken.
Voor schade boven het plafond kan eventueel een schadefonds tussenkomen.
5. Aansprakelijkheidsverzekering
5.1. Aanvulling op aansprakelijkheid
Een aansprakelijkheidsverzekering sluit men af als potentiële aansprakelijke. Men verzekert zich voor
het geval men later aansprakelijk wordt gesteld.
7
, Dit is geen alternatief voor aansprakelijkheid, maar een aanvulling. De benadeelde moet in beginsel
nog steeds aantonen dat iemand aansprakelijk is. De verzekering zorgt er vervolgens voor dat de
schadevergoeding effectief betaald kan worden, ook als de aansprakelijke zelf insolvabel is.
De wettelijke regeling staat in de Wet betreffende de verzekeringen van 4 april 2014, art. 141-153 WV.
5.2. Voorbeelden van verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen
Een aantal aansprakelijkheidsverzekeringen zijn verplicht:
WAM-verzekering voor motorrijtuigen;
BA-exploitatie voor ondernemingen;
beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor vrije beroepen, zoals advocaten en notarissen;
verzekering voor vrijwilligersorganisaties;
verplichte aansprakelijkheidsverzekering in de bouwsector voor aannemers, architecten en
andere dienstverleners.
De verplichte verzekering in de bouwsector is ingevoerd omdat bouwheren vaak geconfronteerd
worden met aannemers of architecten die fouten maken maar failliet of onvermogend zijn. De
verzekering moet vermijden dat slachtoffers met een lege aanspraak achterblijven.
5.3. Familiale verzekering
De familiale verzekering, of BA privéleven, is niet verplicht maar zeer belangrijk. Ongeveer veel
gezinnen hebben zo’n verzekering.
Zij dekt aansprakelijkheid in het privéleven. Ook kinderen die op kot zitten om te studeren, blijven
normaal onder de familiale verzekering van hun ouders vallen. Zodra men zelfstandig is en
gedomicilieerd is op een eigen adres, bijvoorbeeld als werkende persoon in cohousing, moet men
normaal een eigen familiale verzekering afsluiten.
In het voorbeeld van Bram zou de student mogelijk gedekt zijn door de familiale verzekering van zijn
ouders.
5.4. Rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar
Art. 150 WV geeft de benadeelde een rechtstreekse vordering tegen de
aansprakelijkheidsverzekeraar.
De driehoeksverhouding is:
de benadeelde heeft een vordering tegen de schadeverwekker;
de schadeverwekker heeft een verzekeringsovereenkomst met de verzekeraar;
de benadeelde mag rechtstreeks naar de verzekeraar stappen.
Dat is belangrijk omdat de verzekerde anders eerst zelf door de verzekeraar zou worden betaald,
waarna de benadeelde misschien nog steeds niets krijgt. De rechtstreekse vordering geeft de
benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar.
8
, 5.5. Tegenwerpelijkheid van excepties
Bij rechtstreekse vorderingen rijst de vraag of de verzekeraar verweermiddelen uit de verhouding met
de verzekerde kan tegenwerpen aan de benadeelde.
In Boek 5 bestaat een algemene regeling voor rechtstreekse vorderingen: in beginsel zijn excepties
van vóór het instellen van de rechtstreekse vordering wel tegenwerpelijk, en excepties van daarna niet.
Voor aansprakelijkheidsverzekeringen bestaat een specifieke regeling in art. 151 WV. Die wijkt af van
de algemene regel en maakt onder meer onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte
aansprakelijkheidsverzekeringen. De bepaling is aangepast naar aanleiding van Boek 6.
6. Sociale zekerheid
Sociale zekerheid is een alternatief vergoedingssysteem. Zij staat los van de vraag of iemand
aansprakelijk is.
In het voorbeeld van Bram:
dokterskosten worden grotendeels gedekt door de ziekte- en invaliditeitsverzekering; Bram
betaalt vooral remgeld;
arbeidsongeschiktheid kan in eerste instantie via de arbeidsongevallenverzekering worden
opgevangen.
De klassieke sociale zekerheid kent vervangingsinkomens toe en beschermt werkenden tegen
omstandigheden die hun vermogen om inkomen te verwerven aantasten.
Voor wie niet werkt en onvrijwillig geen beroeps- of vervangingsinkomen heeft, bestaat sociale
bijstand, zoals een leefloon.
Belangrijk:
er hoeft geen fout of aansprakelijkheid te worden bewezen;
het toepassingsgebied is beperkt;
de vergoeding is niet altijd integraal.
7. Rechtstreekse verzekeringen / eigenschadeverzekeringen
Een rechtstreekse verzekering sluit men af als potentiële benadeelde. Het gaat om een
eigenschadeverzekering.
Het verschil met aansprakelijkheidsverzekering:
aansprakelijkheidsverzekering: verzekering als potentiële aansprakelijke;
rechtstreekse verzekering: verzekering als potentiële benadeelde.
De verzekeraar vraagt niet eerst wie aansprakelijk is. Als de schade binnen de dekking valt, wordt
uitbetaald.
Voorbeelden:
9
, Hospitalisatieverzekering.
Dekt bijkomende ziekenhuisposten die de ziekte- en invaliditeitsverzekering niet volledig dekt, zoals
supplementen voor een eenpersoonskamer.
Brandverzekering.
Dekt schade aan eigen woning of inboedel. Als je huis afbrandt en niemand aansprakelijk is, kan je
toch dekking krijgen.
Omniumverzekering.
Dekt schade aan je eigen auto, zelfs als je zelf tegen een paaltje rijdt, meestal met franchise.
Ook dit systeem is alternatief, beperkt en niet noodzakelijk integraal.
8. Schadefondsen
8.1. Algemeen
Schadefondsen worden opgericht door of op initiatief van de overheid voor gevallen waarin klassieke
aansprakelijkheid of verzekeringstechniek tekortschiet.
Zij ontstaan vaak wanneer de samenleving het onaanvaardbaar vindt dat slachtoffers onvergoed
blijven. Sommige fondsen zijn doordacht uitgewerkt; andere ontstaan eerder uit “steekvlampolitiek” na
een maatschappelijke schok.
Kenmerken:
alternatief vergoedingssysteem;
meestal los van aansprakelijkheid;
beperkt toepassingsgebied;
vaak geen integrale vergoeding;
financiering door overheid of verplichte bijdragen van bepaalde categorieën personen of
ondernemingen.
8.2. Fonds voor Medische Ongevallen
In de gezondheidszorg lopen patiënten soms schade op zonder dat een arts of ziekenhuis
aansprakelijk is.
Bij ziekenhuisinfecties, zoals MRSA, is aansprakelijkheid van het ziekenhuis moeilijk. De verplichting
om infecties te vermijden is meestal een middelenverbintenis, geen resultaatsverbintenis.
Ziekenhuizen hebben vaak strikte protocollen. Zelfs als die correct worden gevolgd, kan een bepaald
percentage besmettingen wetenschappelijk niet worden uitgesloten.
Het Fonds voor Medische Ongevallen komt tussen bij medische ongevallen zonder aansprakelijkheid,
vaak aangeduid als MOZA. Het fonds biedt een vergoeding wanneer niemand aansprakelijk kan
worden gesteld, maar de patiënt toch ernstige schade lijdt.
8.3. Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds
Dit fonds is belangrijk bij verkeersongevallen waarin de benadeelde niet bij een aansprakelijke of diens
verzekeraar geraakt.
10
Inleiding.....................................................................................................................................................2
Inleidende bepalingen van Boek 6 BW...................................................................................................23
Aansprakelijkheid voor eigen daad – deel 1...........................................................................................49
Aansprakelijkheid voor eigen daad – deel 2...........................................................................................65
Aansprakelijkheid voor andermans daad................................................................................................87
Oorzakelijk verband...............................................................................................................................110
Oorzakelijk verband: onzekerheden, rechtmatig alternatief en verlies van een kans...........................129
Schade..................................................................................................................................................152
Aansprakelijkheidsverzekeringen..........................................................................................................172
Gevolgen van aansprakelijkheid...........................................................................................................190
Overheidsaansprakelijkheid..................................................................................................................207
Klimaat- en milieuaansprakelijkheid......................................................................................................226
Vergoeding van medische schade........................................................................................................255
Verkeersaansprakelijkheid....................................................................................................................291
Coördinatie tussen vergoedingsregelingen en verhaal van derde-betalers..........................................316
1
, Inleiding
1. Centrale gedachte van het vak
Het klassieke privaatrecht vertrekt historisch van het uitgangspunt:
“The loss lies where it falls.”
De schade blijft liggen waar zij valt.
Dat is nog altijd het vertrekpunt, maar in een moderne verzorgingsstaat is dat uitgangspunt sterk
gerelativeerd. Vandaag overheerst eerder het idee: “pech moet weg”. Wanneer iemand schade lijdt,
wordt gezocht naar mechanismen om die schade toch te vergoeden, ook als het klassieke
aansprakelijkheidsrecht niet volstaat.
De kernvraag van het vak is:
Kan een benadeelde die schade lijdt door activiteiten van een andere persoon aanspraak maken op
herstel van die schade, en zo ja, onder welke voorwaarden?
Daarbij gaat het niet alleen om het klassieke aansprakelijkheidsrecht, maar om het volledige landschap
van vergoedingsmechanismen: aansprakelijkheid, aansprakelijkheidsverzekering, sociale zekerheid,
eigenschadeverzekeringen en schadefondsen.
2. Inleidende casussen: waarom schadevergoedingsrecht complex is
2.1. Speelzand met asbest
Een eerste voorbeeld is speelzand waarin mogelijk asbest wordt aangetroffen. Dat roept meteen
vragen op over productaansprakelijkheid: als een product onveilig is en schade veroorzaakt, kan de
producent mogelijk aansprakelijk worden gesteld.
Maar zo’n casus toont meteen verschillende problemen.
Ten eerste moet men weten welke producent het betrokken product op de markt heeft gebracht. Als
meerdere producenten gelijkaardig speelzand verkopen, rijst de vraag wie concreet het
schadeverwekkende product heeft geleverd. Dat probleem doet denken aan de Softenon-
problematiek: een geneesmiddel tegen ochtendmisselijkheid dat in de jaren 60-70 aan zwangere
vrouwen werd gegeven en later zware misvormingen bij kinderen veroorzaakte. Er waren meerdere
producenten, waardoor de vraag rees wie aansprakelijk was. In Boek 6 wordt dit soort probleem later
verbonden met onder meer alternatieve aansprakelijkheid.
Ten tweede stelt asbest bijzondere problemen op het vlak van schade en oorzakelijk verband. Asbest
bestaat uit vezels die vroeger veel werden gebruikt in de bouwsector, bijvoorbeeld voor isolatie, daken,
vloeren en golfplaten. Zolang asbest vastzit, is het minder problematisch. Het gevaar ontstaat wanneer
vezels vrijkomen, worden ingeademd en zich op de longen afzetten.
De gevolgen kunnen pas na dertig of veertig jaar zichtbaar worden. Typische aandoeningen zijn
asbestose en mesothelioom; daarbij is het oorzakelijk verband met asbest meestal duidelijk. Bij
longkanker is dat moeilijker, omdat longkanker ook andere oorzaken kan hebben.
2
,Een fundamenteel probleem is dat blootstelling op zich nog niet noodzakelijk actuele schade vormt.
Iemand kan vandaag aantonen dat hij of zijn kind aan asbest werd blootgesteld, maar nog niet ziek
zijn. Dan rijst de vraag: welke schade is er vandaag al?
Een mogelijke piste is angstschade: de angst om later ziek te worden. Maar dat mag geen “doos van
Pandora” worden. Niet elke vrees mag automatisch tot vergoeding leiden. De voorwaarden van het
aansprakelijkheidsrecht moeten die categorie afbakenen.
Een vergelijkbaar probleem bestaat bij PFOS/PFAS. In de omgeving van Zwijndrecht kunnen mensen
verhoogde waarden in het bloed aantonen, maar dat betekent niet noodzakelijk dat zij vandaag al ziek
zijn. Ook daar rijst de vraag of blootstelling, verhoogde waarden of angst op zichzelf vergoedbare
schade vormen.
2.2. Brand in een ski-oord / club
Een tweede voorbeeld is een brand in een club of ski-oord, met veel jonge slachtoffers. Daar spelen
strafrechtelijke en burgerrechtelijke aansprakelijkheid naast elkaar.
Mogelijke burgerrechtelijke grondslagen zijn:
Gebrekkige zaak of gebrekkige infrastructuur.
Als het plafond uit zeer brandbaar isomo bestond, de kelderverdieping maar één uitgang had, of de
ruimte onvoldoende veilig was ingericht, kan de infrastructuur als gebrekkig worden beschouwd.
Aansprakelijkheid van eigenaar of uitbater.
De eigenaar of uitbater kan aangesproken worden wanneer de ruimte niet veilig was. Als er recent
werd gerenoveerd, kan ook een bouwheer, architect of aannemer in beeld komen, bijvoorbeeld
wegens een conceptiefout. De tienjarige aansprakelijkheid kan relevant zijn afhankelijk van de timing.
Eigen fout van de uitbaters.
Als men champagneflessen met brandende kaarsen toelaat in een brandgevoelige ruimte, kan dat als
foutief gedrag worden beschouwd.
Objectieve aansprakelijkheid bij brand en ontploffing.
Voor wie een publieke ruimte uitbaat, bestaat specifieke regelgeving rond verzekering tegen brand en
ontploffing. Daarbij kan sprake zijn van objectieve, foutloze aansprakelijkheid: bij brand of ontploffing in
het gebouw kan aansprakelijkheid ontstaan zonder dat een fout moet worden bewezen. Daartegenover
staat dan een verplichte verzekering.
2.3. Klimaatzaken en de Shell-zaak
Klimaatzaken tonen hoe het aansprakelijkheidsrecht vandaag wordt ingezet voor grote
maatschappelijke problemen. Aanvankelijk richtten klimaatzaken zich vooral tegen overheden. Steeds
vaker worden ook ondernemingen en banken aangesproken.
De Shell-zaak in Nederland is daarvan een belangrijk voorbeeld. Shell wordt verweten onvoldoende te
doen om zijn CO₂-uitstoot te verminderen en zo bij te dragen aan de klimaatproblematiek. De zaak
illustreert hoe het aansprakelijkheidsrecht wordt gebruikt om gedragsverandering af te dwingen, niet
alleen om klassieke individuele schade te vergoeden.
3
, 3. Het overzicht van de vergoedingsregelingen
Het Belgische schadevergoedingsrecht bestaat uit meerdere lagen. Het klassieke buitencontractuele
aansprakelijkheidsrecht blijft belangrijk, maar is niet langer de enige en zelfs niet meer de voornaamste
bron van vergoeding.
3.1. Gemeen buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht
3.1.1. Van art. 1382 oud BW naar Boek 6
Traditioneel dacht men bij schadevergoeding onmiddellijk aan art. 1382 oud BW. Vandaag moet men
denken aan Boek 6 BW, en in het bijzonder aan de nieuwe bepalingen over buitencontractuele
aansprakelijkheid, waaronder art. 6.5 BW.
Het gemeen buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht is het algemene vergoedingssysteem. Het
geldt in principe voor elk soort schadegeval.
De klassieke voorwaarden zijn:
1. fout
2. schade
3. oorzakelijk verband
Als aan die voorwaarden is voldaan, geldt het principe van integrale schadevergoeding. Alle
schadeposten die juridisch in aanmerking komen, moeten worden vergoed.
3.1.2. Voorbeeld: Bram struikelt over een rugzak
Het voorbeeld: een ICT-medewerker, Bram, komt helpen in de aula, loopt door het middenpad,
struikelt over een rugzak van een student, valt zwaar, scheurt zijn broek, loopt beenwonden op, moet
naar de dokter en de spoed, is enkele weken economisch ongeschikt en raakt in het ziekenhuis ook
nog besmet met de MRSA-ziekenhuisbacterie.
De vraag is: hoe krijgt Bram zijn schade vergoed?
3.1.3. Persoonlijke aansprakelijkheid
De student die zijn rugzak in het middenpad laat liggen, kan mogelijk persoonlijk aansprakelijk zijn
wegens een eigen fout. De fout zou erin bestaan dat het onzorgvuldig is om een boekentas te laten
slingeren op een doorgang waar mensen moeten passeren.
3.1.4. Kwalitatieve aansprakelijkheid
Naast persoonlijke aansprakelijkheid bestaat kwalitatieve aansprakelijkheid: aansprakelijkheid wegens
een bepaalde hoedanigheid, niet omdat men zelf rechtstreeks de fout heeft begaan.
Onder het oude recht waren belangrijke categorieën:
ouders voor minderjarige kinderen;
onderwijzers voor leerlingen;
aanstellers voor aangestelden.
4
,Ouders komen in het voorbeeld normaal niet in beeld, omdat masterstudenten meerderjarig zijn. In een
eerstejaarsvak met minderjarige studenten zou dat eventueel anders kunnen zijn.
Onder het oude recht kon een onderwijzer, ook een professor, kwalitatief aansprakelijk zijn voor
leerlingen of studenten. In Boek 6 is dat verschoven: de aansprakelijkheid ligt niet langer bij de
natuurlijke persoon-onderwijzer, maar bij de onderwijsinstelling. In een universitaire context zou dat
dus de KU Leuven zijn. Toch is de kans op aansprakelijkheid bij volwassen studenten kleiner, omdat
de toezichtsverplichting veel beperkter is dan bij jonge kinderen.
Ook de KU Leuven als aansteller van een personeelslid zou in beeld kunnen komen, maar dan moet
eerst worden aangetoond dat dat personeelslid zelf een fout beging, bijvoorbeeld door de aula slecht
te organiseren. Bij volwassen studenten ligt dat niet voor de hand.
3.1.5. Aansprakelijkheid voor zaken
Onder het oude BW stond art. 1384 centraal: men is niet alleen aansprakelijk voor de eigen daad,
maar ook voor personen en zaken waarvoor men instaat.
Voor personen werd de opsomming limitatief gelezen: ouders, onderwijzers en aanstellers. Men kon
die niet zomaar uitbreiden naar bijvoorbeeld grootouders, onthaalouders of jeugdleiders.
Voor zaken was dat anders. Art. 1385 ging over dieren, art. 1386 over gebouwen die instorten, maar
uit art. 1384 werd ook een algemene aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken afgeleid.
In Boek 6 keren de aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken en dieren terug. De aparte
aansprakelijkheid voor gebouwen keert niet terug, omdat een gebouw ook gewoon als gebrekkige
zaak kan worden behandeld.
In het voorbeeld is de rugzak zelf normaal geen gebrekkige zaak: er is niets abnormaals aan de
rugzak. Hij ligt alleen op een gevaarlijke plaats. Men zou wel ruimer kunnen kijken naar de aula: als er
te weinig doorgangsruimte is, geen lockers zijn, of de zaal structureel onveilig is voor studenten met
rugzakken en jassen, zou de aula misschien als gebrekkige zaak kunnen worden gezien. Dat is
juridisch creatief, maar niet evident.
3.1.6. Sterktes en zwaktes van het gemeen aansprakelijkheidsrecht
Het gemeen buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht was lange tijd de enige echte uitzondering op
“the loss lies where it falls”. Het is ontstaan in een landbouwmaatschappij, maar bleek flexibel genoeg
om moderne schadegevallen te behandelen, zoals klimaatzaken en schendingen van privacyrechten.
Toch blijft het systeem zwaar voor benadeelden, omdat zij fout, schade en oorzakelijk verband moeten
bewijzen. Bovendien is er een belangrijk praktisch probleem: zelfs als iemand aansprakelijk is, kan die
persoon insolvabel zijn. Een student die een zware schadevergoeding moet betalen, heeft meestal niet
het vermogen om dat te doen.
Daarom zijn aanvullende en alternatieve systemen ontstaan.
4. Objectieve of foutloze aansprakelijkheid
Vanaf het einde van de 19e eeuw namen industrialisering, auto’s, verkeer en moderne technologie
sterk toe. Daardoor ontstonden meer schadegevallen, vaak in situaties waarin het voor benadeelden
moeilijk was om een fout te bewijzen.
5
, Daarom zijn vormen van objectieve of foutloze aansprakelijkheid ingevoerd. Daarbij hoeft de
benadeelde geen fout te bewijzen. Wel moet hij voldoen aan de specifieke voorwaarden van het
betrokken regime.
Belangrijk: objectieve aansprakelijkheid is fragmentarisch. Elk regime heeft een eigen
toepassingsgebied en eigen voorwaarden.
4.1. Productaansprakelijkheid
Productaansprakelijkheid is een wettelijk regime van foutloze aansprakelijkheid. De benadeelde hoeft
niet te bewijzen dat de producent een fout beging in het productieproces. Hij moet aantonen dat:
er een product is;
het product gebrekkig of onveilig is;
het product schade heeft veroorzaakt.
De producent of degene die het product op de markt bracht, kan dan aangesproken worden.
Productaansprakelijkheid klinkt sterk, maar kent praktische problemen. De producent kan moeilijk te
identificeren zijn, in het buitenland zitten of verweermiddelen hebben. Bij meerdere producenten rijst
opnieuw het identificatieprobleem.
De regeling kwam oorspronkelijk uit Europees recht en was in België vroeger opgenomen in een
bijzondere wet. In Boek 6 is zij geïntegreerd in het hoofdstuk over bijzondere
aansprakelijkheidsregimes. Momenteel staat daar vooral productaansprakelijkheid, maar de bedoeling
is dat later ook andere bijzondere regimes daar kunnen worden ondergebracht, zoals brand en
ontploffing, verkeersaansprakelijkheid, arbeidsongevallen of een regeling voor ecologische schade.
4.2. Ecologische schade
Ecologische schade is schade aan het milieu zelf, bijvoorbeeld aan niet-toegeëigende
milieubestanddelen. Denk aan schade aan wilde zalmen in de oceaan of aan natuur die niet aan één
concrete eigenaar toebehoort.
Daarbij rijzen fundamentele vragen:
Wie mag herstel vragen?
Wie is benadeelde?
Welke vorm van herstel is mogelijk?
Hoe verhoudt dit zich tot het gemeen aansprakelijkheidsrecht?
Omdat Boek 6 onvoldoende specifiek op ecologische schade is toegespitst, wordt nagedacht over een
bijzondere regeling. Die zou eventueel later als bijzonder aansprakelijkheidsregime in Boek 6 kunnen
worden ingevoegd.
4.3. Bovenmatige burenhinder
Een belangrijk voorbeeld van jurisprudentiële oorsprong, inmiddels verankerd in art. 3.101 BW, is
bovenmatige burenhinder.
6
, Twee buren hebben elk het recht hun eigendom of gebruiksrecht uit te oefenen. Tussen die rechten
bestaat een evenwicht. Als één buur dat evenwicht verbreekt en de andere buur bovenmatige hinder
bezorgt, kan herstel worden gevraagd zonder dat een fout moet worden bewezen.
Belangrijk:
het gaat niet om foutaansprakelijkheid;
het gaat om verstoring van het evenwicht tussen naburige rechten;
het herstel is geen integrale schadevergoeding, maar een compensatie of maatregel om het
evenwicht te herstellen.
Klassieke voorbeelden zijn hanen die te veel kraaien of buren die midden in de nacht drummen. Maar
de figuur is veel belangrijker geworden bij industriële en commerciële activiteiten.
Een modern voorbeeld is 3M in Zwijndrecht. Een gezin dat in de buurt woonde, had een huis gekocht
met grote tuin, met de bedoeling dat kinderen er konden spelen, men kippen kon houden en een
moestuin kon hebben. Door PFOS-vervuiling werd dat afgeraden. Zij konden als buren van 3M
bovenmatige burenhinder inroepen. Dat opent perspectieven voor vele andere buurtbewoners.
Ook rookhinder kan eventueel onder burenhinder vallen. Een bewoner mag in beginsel in zijn eigen
ruimte roken, tenzij een huishoudelijk reglement of akte dat verbiedt. Maar als in een slecht geïsoleerd
gebouw rook via kieren naar een bovenbuur trekt en passief roken gezondheidsrisico’s meebrengt, kan
dat bovenmatige hinder vormen. De oplossing is dan niet noodzakelijk een rookverbod, maar
passende maatregelen, zoals alleen buiten roken of betere isolatie.
4.4. Risicoaansprakelijkheid
Risicoaansprakelijkheid gaat nog verder dan gewone foutloze aansprakelijkheid. In bepaalde gevallen
hoeft niet alleen geen fout te worden bewezen, maar ook geen klassiek oorzakelijk verband tussen fout
en schade. Het volstaat dat er een band bestaat tussen de schade en de gevaarlijke activiteit.
Dit wordt gebruikt voor gevaarlijke maar maatschappelijk nuttige activiteiten, zoals de uitbating van een
kerncentrale.
De klassieke driehoek is:
1. risicoaansprakelijkheid voor de uitbater;
2. verplichte aansprakelijkheidsverzekering;
3. plafonering van aansprakelijkheid.
De plafonering is nodig omdat verzekeraars anders niet bereid zouden zijn zulke risico’s te dekken.
Voor schade boven het plafond kan eventueel een schadefonds tussenkomen.
5. Aansprakelijkheidsverzekering
5.1. Aanvulling op aansprakelijkheid
Een aansprakelijkheidsverzekering sluit men af als potentiële aansprakelijke. Men verzekert zich voor
het geval men later aansprakelijk wordt gesteld.
7
, Dit is geen alternatief voor aansprakelijkheid, maar een aanvulling. De benadeelde moet in beginsel
nog steeds aantonen dat iemand aansprakelijk is. De verzekering zorgt er vervolgens voor dat de
schadevergoeding effectief betaald kan worden, ook als de aansprakelijke zelf insolvabel is.
De wettelijke regeling staat in de Wet betreffende de verzekeringen van 4 april 2014, art. 141-153 WV.
5.2. Voorbeelden van verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen
Een aantal aansprakelijkheidsverzekeringen zijn verplicht:
WAM-verzekering voor motorrijtuigen;
BA-exploitatie voor ondernemingen;
beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor vrije beroepen, zoals advocaten en notarissen;
verzekering voor vrijwilligersorganisaties;
verplichte aansprakelijkheidsverzekering in de bouwsector voor aannemers, architecten en
andere dienstverleners.
De verplichte verzekering in de bouwsector is ingevoerd omdat bouwheren vaak geconfronteerd
worden met aannemers of architecten die fouten maken maar failliet of onvermogend zijn. De
verzekering moet vermijden dat slachtoffers met een lege aanspraak achterblijven.
5.3. Familiale verzekering
De familiale verzekering, of BA privéleven, is niet verplicht maar zeer belangrijk. Ongeveer veel
gezinnen hebben zo’n verzekering.
Zij dekt aansprakelijkheid in het privéleven. Ook kinderen die op kot zitten om te studeren, blijven
normaal onder de familiale verzekering van hun ouders vallen. Zodra men zelfstandig is en
gedomicilieerd is op een eigen adres, bijvoorbeeld als werkende persoon in cohousing, moet men
normaal een eigen familiale verzekering afsluiten.
In het voorbeeld van Bram zou de student mogelijk gedekt zijn door de familiale verzekering van zijn
ouders.
5.4. Rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar
Art. 150 WV geeft de benadeelde een rechtstreekse vordering tegen de
aansprakelijkheidsverzekeraar.
De driehoeksverhouding is:
de benadeelde heeft een vordering tegen de schadeverwekker;
de schadeverwekker heeft een verzekeringsovereenkomst met de verzekeraar;
de benadeelde mag rechtstreeks naar de verzekeraar stappen.
Dat is belangrijk omdat de verzekerde anders eerst zelf door de verzekeraar zou worden betaald,
waarna de benadeelde misschien nog steeds niets krijgt. De rechtstreekse vordering geeft de
benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar.
8
, 5.5. Tegenwerpelijkheid van excepties
Bij rechtstreekse vorderingen rijst de vraag of de verzekeraar verweermiddelen uit de verhouding met
de verzekerde kan tegenwerpen aan de benadeelde.
In Boek 5 bestaat een algemene regeling voor rechtstreekse vorderingen: in beginsel zijn excepties
van vóór het instellen van de rechtstreekse vordering wel tegenwerpelijk, en excepties van daarna niet.
Voor aansprakelijkheidsverzekeringen bestaat een specifieke regeling in art. 151 WV. Die wijkt af van
de algemene regel en maakt onder meer onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte
aansprakelijkheidsverzekeringen. De bepaling is aangepast naar aanleiding van Boek 6.
6. Sociale zekerheid
Sociale zekerheid is een alternatief vergoedingssysteem. Zij staat los van de vraag of iemand
aansprakelijk is.
In het voorbeeld van Bram:
dokterskosten worden grotendeels gedekt door de ziekte- en invaliditeitsverzekering; Bram
betaalt vooral remgeld;
arbeidsongeschiktheid kan in eerste instantie via de arbeidsongevallenverzekering worden
opgevangen.
De klassieke sociale zekerheid kent vervangingsinkomens toe en beschermt werkenden tegen
omstandigheden die hun vermogen om inkomen te verwerven aantasten.
Voor wie niet werkt en onvrijwillig geen beroeps- of vervangingsinkomen heeft, bestaat sociale
bijstand, zoals een leefloon.
Belangrijk:
er hoeft geen fout of aansprakelijkheid te worden bewezen;
het toepassingsgebied is beperkt;
de vergoeding is niet altijd integraal.
7. Rechtstreekse verzekeringen / eigenschadeverzekeringen
Een rechtstreekse verzekering sluit men af als potentiële benadeelde. Het gaat om een
eigenschadeverzekering.
Het verschil met aansprakelijkheidsverzekering:
aansprakelijkheidsverzekering: verzekering als potentiële aansprakelijke;
rechtstreekse verzekering: verzekering als potentiële benadeelde.
De verzekeraar vraagt niet eerst wie aansprakelijk is. Als de schade binnen de dekking valt, wordt
uitbetaald.
Voorbeelden:
9
, Hospitalisatieverzekering.
Dekt bijkomende ziekenhuisposten die de ziekte- en invaliditeitsverzekering niet volledig dekt, zoals
supplementen voor een eenpersoonskamer.
Brandverzekering.
Dekt schade aan eigen woning of inboedel. Als je huis afbrandt en niemand aansprakelijk is, kan je
toch dekking krijgen.
Omniumverzekering.
Dekt schade aan je eigen auto, zelfs als je zelf tegen een paaltje rijdt, meestal met franchise.
Ook dit systeem is alternatief, beperkt en niet noodzakelijk integraal.
8. Schadefondsen
8.1. Algemeen
Schadefondsen worden opgericht door of op initiatief van de overheid voor gevallen waarin klassieke
aansprakelijkheid of verzekeringstechniek tekortschiet.
Zij ontstaan vaak wanneer de samenleving het onaanvaardbaar vindt dat slachtoffers onvergoed
blijven. Sommige fondsen zijn doordacht uitgewerkt; andere ontstaan eerder uit “steekvlampolitiek” na
een maatschappelijke schok.
Kenmerken:
alternatief vergoedingssysteem;
meestal los van aansprakelijkheid;
beperkt toepassingsgebied;
vaak geen integrale vergoeding;
financiering door overheid of verplichte bijdragen van bepaalde categorieën personen of
ondernemingen.
8.2. Fonds voor Medische Ongevallen
In de gezondheidszorg lopen patiënten soms schade op zonder dat een arts of ziekenhuis
aansprakelijk is.
Bij ziekenhuisinfecties, zoals MRSA, is aansprakelijkheid van het ziekenhuis moeilijk. De verplichting
om infecties te vermijden is meestal een middelenverbintenis, geen resultaatsverbintenis.
Ziekenhuizen hebben vaak strikte protocollen. Zelfs als die correct worden gevolgd, kan een bepaald
percentage besmettingen wetenschappelijk niet worden uitgesloten.
Het Fonds voor Medische Ongevallen komt tussen bij medische ongevallen zonder aansprakelijkheid,
vaak aangeduid als MOZA. Het fonds biedt een vergoeding wanneer niemand aansprakelijk kan
worden gesteld, maar de patiënt toch ernstige schade lijdt.
8.3. Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds
Dit fonds is belangrijk bij verkeersongevallen waarin de benadeelde niet bij een aansprakelijke of diens
verzekeraar geraakt.
10