Samenvatting
ontwikkelingspsychologie
sem 2
1 Hoofdstuk 1: History, theory and research strategies.
Kernvragen:
1) hoe ontwikkelingspsychologische theorieën vergelijken?
2) Belangrijkste klassieke en hedendaagse ontwikkelingstheorieën?
3) Methodes om ontwikkelingspsychologische processen te bestuderen?
1.1 Domein
(van de os)
3cruciale termen:
- wetenschappelijk -> wetenschap die stabiliteit en verandering van gedrag wil begrijpen
over levensloop.
over verschillende domeinen: fysiek, cognitief, emotioneel en sociaal.
- Toegepast -> Heeft belang voor onderwijs, opvoeding, medische en sociale hulp
- Interdisciplinair -> OS ontwikkeld zich door gecombineerde inspanningen uit vele
disciplines.
Vb: Euthanasie bij jongeren
-> vraag: wilsbekwaamheid bij minderjarigen
-> belang van OS in discussie met andere disciplines!
1.2 Basisvragen
Doel van OS theorieën/ kerntaken:
- Beschrijven
vb: gedrag van baby’s bij moeders
- Verklaren
vb: kunnen we verklaren waarom baby’s zich zo gedragen?
- Voorspellen
vb: wat zijn implicatie van hechtenisstoornissen op latere leeftijd.
Theorie: geordend en samenhangend geheel van uitspraken dat gedrag,beschrijft, verklaart,
voorspelt.
vb: Hechtingen.
,Nut van een theorie:
- begrijpen:
geeft richting en betekenis aan wat we zien
- basis voor praktijk
weten wat te doen in welke situatie
- Behoefte aan wetenschappelijke bevestiging
belang van replicatie
Ook oog hebben voor culturele gevoeligheden! Niet elke theorie zal in elke cultuur even
hard van toepassing zijn.
Theorie= geen ultieme waarheid! Volledige blik op de realiteit? -> Verschillende theorieën
combineren.
Basisvragen/ kenmerken van theorieën:
1) Ontwikkeling continu of discontinu?
Discontinu:
kwalitatieve veranderingen; nieuwe manier van
reageren in specifieke periodes.
Abrupte verandering, plotse ommezwaai, crisis.
Principe van stadia
vb: Piaget
Continu:
Kwantitatieve verandering; uitbreiding van al
bestaande vaardigheden
Vaak geleidelijke veranderingen, gradueel
vb: Werking van het geheugen.
Groeien is een gradueel proces doorheen de kindertijd maar er zijn abrupte
groeispurten!
= combinatie van continu en discontinu.
2) Een verloop van ontwikkeling of zijn er meerdere?
Vroeger:
= aanhangers stadiatheorieën (vb Piaget)
- zelfde sequentie van ontwikkleing
- Universeel
- Unidimensioneel
,NU:
Meerdere trajecten van ontwikkeling mogelijk door unieke combinaties van persoonlijke
omgevingskenmerken.
combinatie van nature en nurture geeft aan dat mensen in verschillende richtingen
ontwikkelen.
= Aan de wortels: we starten op hetzelfde punt, naarmate mensen puder
worden vertakkingen: verschillende ontwikkelen zich in verschillende
richtingen. Verschillende combinaties tussen nature en nurture.
3) erfelijkheid of milieu belangrijkst?
= eeuwige discussie tussen nature of nurture.
biologische theorieën = Nature
- Nadruk op ontwikkeling als endogeen= van binnenuit gestuurd. (aangeboren
eigenschappen)
- Stabiliteit en belang van erfelijkheid
- Omgeving= belangrijk bij vroege ervaringen (levenslange impact)
Milieutheorieën = Nurture
- Nadruk op ontwikkeling al exogeen= van buitenuit gestuurd (fysische/ sociale omgeving)
- beklemtonen plasticiteit of veranderbaarheid
- omgeving= ganse leven belangrijk.
= optimistische visie, trauma’s kunnen invloed hebben in de eerste jaren na het trauma maar
de omgeving kan die negatieve invloed omdraaien of zelfs te niet doen doorheen de tijd.
Tegenwoordig:
achterhaalde discussie, erfelijkheid en omgeving spelen op een complexe
manier op elkaar in (afhankelijk van het domein)
vb: fysieke ontwikkeling zal sterker worden bepaald door nature en ontwikkeling van eht
zelfconcept meer door nurture.
, 1.3 Levensloopperspectief
Meeste hedendaagse theorieën gaan uit van:
- zowel continue als discontinue veranderingen
- zowel universele als individu-specifieke processen
- invloeden van zowel erfelijkheid als omgeving
<-> oude theorieën die ontwikkeling eerder als discontinu en universeel zien.
Evolutie hangt samen met:
Uitbreiding van onderzoek naar hele levensloop (idpv alleen eerste twee decennia, dacht dat
de ontwikkeing stopte na de adolecentie), groeien verder ook in de late volwassenheid.
-> opkomst dynamische systeembenadering
Dynamische systeembenadering:
- proces dat altijd verder gaat
- van bevruchting tot dood
- invloeden op de ontwikkeling:
- biologisch
- Psychisch
- Sociaal
vb: levensloop perspectief.
Basis assumpties van levensloopperspectief:
1) ontwikkeling is levenslang
- opeenvolging van ontwikkelingsfasen (vb: theorie van erikson)
- elke fase belangrijke veranderingen
- in drie brede domeinen: Fysiek, cognitief en emotioneel/sociaal.
- combinatie van continu en discontinu.
2) ontwikkeling is multidimensioneel en multidirectioneel
-> naarmate de ontwikkeling meer en meer vertakt, raken
ze ook meer verweven in interactie met elkaar beïnvloeden
ze elkaar ook.
Multidimensioneel= bepaald door complex smaenspel
biologische, psychologische en sociale factoren.
multidirectioneel of veelvormig: vooriutgang en
achteruigang zowel over domeinen heen als binnenin 1
domein.
ontwikkelingspsychologie
sem 2
1 Hoofdstuk 1: History, theory and research strategies.
Kernvragen:
1) hoe ontwikkelingspsychologische theorieën vergelijken?
2) Belangrijkste klassieke en hedendaagse ontwikkelingstheorieën?
3) Methodes om ontwikkelingspsychologische processen te bestuderen?
1.1 Domein
(van de os)
3cruciale termen:
- wetenschappelijk -> wetenschap die stabiliteit en verandering van gedrag wil begrijpen
over levensloop.
over verschillende domeinen: fysiek, cognitief, emotioneel en sociaal.
- Toegepast -> Heeft belang voor onderwijs, opvoeding, medische en sociale hulp
- Interdisciplinair -> OS ontwikkeld zich door gecombineerde inspanningen uit vele
disciplines.
Vb: Euthanasie bij jongeren
-> vraag: wilsbekwaamheid bij minderjarigen
-> belang van OS in discussie met andere disciplines!
1.2 Basisvragen
Doel van OS theorieën/ kerntaken:
- Beschrijven
vb: gedrag van baby’s bij moeders
- Verklaren
vb: kunnen we verklaren waarom baby’s zich zo gedragen?
- Voorspellen
vb: wat zijn implicatie van hechtenisstoornissen op latere leeftijd.
Theorie: geordend en samenhangend geheel van uitspraken dat gedrag,beschrijft, verklaart,
voorspelt.
vb: Hechtingen.
,Nut van een theorie:
- begrijpen:
geeft richting en betekenis aan wat we zien
- basis voor praktijk
weten wat te doen in welke situatie
- Behoefte aan wetenschappelijke bevestiging
belang van replicatie
Ook oog hebben voor culturele gevoeligheden! Niet elke theorie zal in elke cultuur even
hard van toepassing zijn.
Theorie= geen ultieme waarheid! Volledige blik op de realiteit? -> Verschillende theorieën
combineren.
Basisvragen/ kenmerken van theorieën:
1) Ontwikkeling continu of discontinu?
Discontinu:
kwalitatieve veranderingen; nieuwe manier van
reageren in specifieke periodes.
Abrupte verandering, plotse ommezwaai, crisis.
Principe van stadia
vb: Piaget
Continu:
Kwantitatieve verandering; uitbreiding van al
bestaande vaardigheden
Vaak geleidelijke veranderingen, gradueel
vb: Werking van het geheugen.
Groeien is een gradueel proces doorheen de kindertijd maar er zijn abrupte
groeispurten!
= combinatie van continu en discontinu.
2) Een verloop van ontwikkeling of zijn er meerdere?
Vroeger:
= aanhangers stadiatheorieën (vb Piaget)
- zelfde sequentie van ontwikkleing
- Universeel
- Unidimensioneel
,NU:
Meerdere trajecten van ontwikkeling mogelijk door unieke combinaties van persoonlijke
omgevingskenmerken.
combinatie van nature en nurture geeft aan dat mensen in verschillende richtingen
ontwikkelen.
= Aan de wortels: we starten op hetzelfde punt, naarmate mensen puder
worden vertakkingen: verschillende ontwikkelen zich in verschillende
richtingen. Verschillende combinaties tussen nature en nurture.
3) erfelijkheid of milieu belangrijkst?
= eeuwige discussie tussen nature of nurture.
biologische theorieën = Nature
- Nadruk op ontwikkeling als endogeen= van binnenuit gestuurd. (aangeboren
eigenschappen)
- Stabiliteit en belang van erfelijkheid
- Omgeving= belangrijk bij vroege ervaringen (levenslange impact)
Milieutheorieën = Nurture
- Nadruk op ontwikkeling al exogeen= van buitenuit gestuurd (fysische/ sociale omgeving)
- beklemtonen plasticiteit of veranderbaarheid
- omgeving= ganse leven belangrijk.
= optimistische visie, trauma’s kunnen invloed hebben in de eerste jaren na het trauma maar
de omgeving kan die negatieve invloed omdraaien of zelfs te niet doen doorheen de tijd.
Tegenwoordig:
achterhaalde discussie, erfelijkheid en omgeving spelen op een complexe
manier op elkaar in (afhankelijk van het domein)
vb: fysieke ontwikkeling zal sterker worden bepaald door nature en ontwikkeling van eht
zelfconcept meer door nurture.
, 1.3 Levensloopperspectief
Meeste hedendaagse theorieën gaan uit van:
- zowel continue als discontinue veranderingen
- zowel universele als individu-specifieke processen
- invloeden van zowel erfelijkheid als omgeving
<-> oude theorieën die ontwikkeling eerder als discontinu en universeel zien.
Evolutie hangt samen met:
Uitbreiding van onderzoek naar hele levensloop (idpv alleen eerste twee decennia, dacht dat
de ontwikkeing stopte na de adolecentie), groeien verder ook in de late volwassenheid.
-> opkomst dynamische systeembenadering
Dynamische systeembenadering:
- proces dat altijd verder gaat
- van bevruchting tot dood
- invloeden op de ontwikkeling:
- biologisch
- Psychisch
- Sociaal
vb: levensloop perspectief.
Basis assumpties van levensloopperspectief:
1) ontwikkeling is levenslang
- opeenvolging van ontwikkelingsfasen (vb: theorie van erikson)
- elke fase belangrijke veranderingen
- in drie brede domeinen: Fysiek, cognitief en emotioneel/sociaal.
- combinatie van continu en discontinu.
2) ontwikkeling is multidimensioneel en multidirectioneel
-> naarmate de ontwikkeling meer en meer vertakt, raken
ze ook meer verweven in interactie met elkaar beïnvloeden
ze elkaar ook.
Multidimensioneel= bepaald door complex smaenspel
biologische, psychologische en sociale factoren.
multidirectioneel of veelvormig: vooriutgang en
achteruigang zowel over domeinen heen als binnenin 1
domein.