Verloskunde – Gynaecologie: VERLOSKUNDE
- K. Van Calsteren
Inhoud:
Module 1: Verloskunde anno 2025 ...........................................................................................2
Module 2: Zwangerschapsfysiologie en klinische implicaties ....................................................7
Module 3: Prenatale zorg........................................................................................................ 29
Module 4: Meerlingenzwangerschappen................................................................................. 44
Module 5: Zwangerschapscomplicaties ................................................................................. 49
Module 6: De normale arbeid en bevalling .............................................................................. 79
Module 7: Baringscomplicaties .............................................................................................. 90
Module 8: Postpartum ......................................................................................................... 104
Module 9: Zwangerschap bij vrouwen met onderliggende medische aandoeningen ................ 112
Module 10: Praktische vaardigheden en toepassingen .......................................................... 125
1ste master geneeskunde 2025-2026
,OPO Verloskunde-Gynaecologie E0C15A 2
Module 1: Verloskunde anno 2025
1. Inleiding
Verloskunde = de kunde, leer, wetenschap die zich bezighoudt met zwangerschap, bevalling en geboorte.
Verloskunde vereist in de eerste plaats ‘watchful waiting’. Indien de zwangerschap en bevalling zonder
problemen verlopen moet men niet interveniëren. De andere zijde van de kunde bestaat uit problemen
op tijd op te merken en op te lossen, of nog beter te anticiperen en te voorkomen. Een zwangerschap is
de ultieme stress-test voor een vrouw en hier doorheen walsen vereist dus de nodig reserves.
Het geboortecijfer in Vlaanderen is de laatste jaren gedaald tot 60.000/jaar. Het cijfer daalt door
maatschappelijke en economische onzekerheid, kinderwens op latere leeftijd en bewust kleinere
gezinsplanning. De laatste decennia was er een vooruitgang in medische wetenschap waardoor er
enerzijds meer mogelijkheden zijn om problemen op te sporen en in te grijpen maar anderzijds ook
nieuwe medische en ethische uitdagingen en dilemma’s ontstaan. De zwangere populatie wordt
daarnaast ook ouder waardoor de fysieke conditie achteruit gaat, er is meer obesitas, meer co-
morbiditeiten en meer medicatiegebruik. De laatste jaren komt daar ook aandacht voor de psychosociale
conditie en patiënt-voorkeuren bij.
1.1. Verloskunde binnen de geneeskunde
Gynaecologie-verloskunde bestaat uit verschillende subdisciplines: benigne gynaecologie, fertiliteit,
gynaecologische oncologie en verloskunde. De verloskunde wordt opgedeeld in:
- Laagrisico verloskunde: zwangerschappen zonder bijzondere risicofactoren (opvolging 1ste-2de
lijn)
- Hoogrisico verloskunde: zwangerschappen met een verhoogd risico (opvolging 2de-3de lijn)
o Obstetrische complicaties: zwangerschapsdiabetes, groeirestrictie, placenta previa
o Prenatale diagnostiek en foetale therapie: congenitale of genetische afwijkingen
o Maternale geneeskunde: vrouwen met onderliggende medische aandoeningen
2. Uitgangspunten van prenatale zorg
Niet-medische begeleide zwangerschappen gaan gepaard met een hoge morbiditeit en mortaliteit van
zowel het kind (5%) als de moeder (1%). De hoofddoelstelling van prenatale zorg bestaat er dan ook uit
om de moeder en foetus zo veilig mogelijk door de zwangerschap en bevalling te loodsen.
1ste master geneeskunde 2025-2026
,OPO Verloskunde-Gynaecologie E0C15A 3
2.1. Maternale mortaliteit en morbiditeit
Maternale mortaliteit omvat de dood van een vrouw terwijl zwanger of binnen de 42 dagen na het einde
van de zwangerschap ten gevolge van direct of indirecte oorzaken.
- Directe sterfte is het gevolg van complicaties van zwangerschap, bevalling en kraambed,
interventies of onjuiste behandeling.
o Vb. trombose, bloeding, infectie/sepsis, pre eclampsie, vruchtwaterembolie, …
- Indirecte sterfte is het gevolg van een voorafbestaande ziekte of een ziekte die zich tijdens de
zwangerschap heeft ontwikkeld en die door zwangerschap(sfysiologie) dermate ernstig is
geworden dat ze tot overlijden heeft geleid.
o Vb. hartziekte, epilepsie, HIV, malaria, kanker, diabetes, trauma, geweld en drugs
- Toevallige sterfte is een sterfte waarbij de zwangerschap geen invloed had op het beloop (
moedersterfte).
De maternale mortaleitsratio (MMR) drukt het aantal
vrouwen uit dat overlijdt ten gevolge van de
zwangerschap, bevalling of kraambed, per 100.000
levend geboren kinderen. De MMR bedraagt
wereldwijd 200/100.000, doch in
ontwikkelingslanden 450/100.000 en in welvarende
landen 10/100.000 (België 5). Het reduceren van MMR
naar minder dan 70/100.000 tegen 2030 is één van de
Sustainable Development Goals (SDG3) van de VN.
De belangrijkste mortaliteitsoorzaken in Europa zijn trombo-embolische complicaties, cardiaal
lijden, sepsis, psychiatrische aandoeningen, neurologische aandoeningen, postpartumbloeding,
preeclampsie, vruchtwaterembool en kanker. Een aantal onderliggende factoren dragen bij tot een
verhoogd risico op maternale sterfte: obesitas, oudere leeftijd, mentale gezondheidsproblemen,
middelenmisbruik, huiselijk geweld, comorbiditeiten en suboptimale antenatale opvolging.
Wereldwijd zijn de belangrijkste oorzaken van maternale mortaliteit:
- Verloskundige bloeding (27%)
- Hypertensie / preeclampsie (14%)
- Sepsis (11%)
- Abortus (8%)
- Trombose (3%)
- Andere directe oorzaken (10%)
- Indirecte oorzaken (28%)
Wereldwijd zijn de belangrijkste oorzaken van maternale
morbiditeit:
- Bloedingsgerelateerde complicaties: DIC, bloedtransfusiereactie, MOF
- Hypertensieve complicaties: eclampsie, CVA, hartfalen
- Postpartumdepressie
- Pelvic inflammatory disease (PID), sepsis
- Fistels, perineumruptuur, uterusprolaps
- Infertiliteit
- Bevallingstrauma – PTSD
1ste master geneeskunde 2025-2026
,OPO Verloskunde-Gynaecologie E0C15A 4
2.2. Perinatale mortaliteit
De perinatale mortaliteit wordt gedefinieerd als antenatale sterfte (na 22 weken of meer dan 500 gram)
plus vroege neonatale sterfte (eerste levensweek) op 1000 geboorten. In welvarende landen bedraagt
de perinatale mortaliteit rond 5-10/1000 geboorten maar er is een sterke geografische schommeling. Bij
éénlingen bedraagt dit 6,2/1000 en bij meerlingen 20,1/1000.
Als oorzaken weerhoudt men:
- Immaturiteit
- Prematuriteit
- Congenitale afwijkingen
- Infectie/sepsis
- Navelstrengaccident
- Intrapartum asfyxie of trauma
- Abruptio placentae
- Intra-uteriene groeivertraging (IUGR)
2.3. Perinatale zorg: opzet en organisatie
Pre/perinatale zorg heeft als doel:
➔ Het identificeren van voorafbestaande maternale aandoeningen
➔ Risicoverlagende maatregelen opstarten om verwikkelingen en blootstelling aan negatieve
factoren te voorkomen
➔ Het opsporen en behandelen van maternale verwikkelingen
➔ Het screenen naar congenitale structurele afwijkingen of ziekte bij de foetus
➔ Het voorbereiden van beide ouders op de bevalling en het ouderschap
De zorgpaden omvatten daarom contactmomenten van preconceptioneel tot 2 maanden postpartum.
1. Preconceptioneel
Om factoren te identificeren die een risico vormen voor de vruchtbaarheid en de
zwangerschapsuitkomst. Daarnaast dienen preconceptionele consulten ook voor het
verstrekken van advies.
1ste master geneeskunde 2025-2026
,OPO Verloskunde-Gynaecologie E0C15A 5
2. Tijdens de zwangerschap
Een uitgebreide intake raadpleging met:
o Inschatting van de algemene gezondheid van de ouders
o Risico-identificatie voor de zwangerschap
o Bepaling van zwangerschapsduur en evolutiviteit (echo)
o Zwangerschapsadviezen en counseling over preventieve maatregelen (foliumzuur,
mondhygiëne, tromboseprofylaxe, levenstijladvies, …)
o Bespreken van screeningsmogelijkheden naar zwangerschapscomplicaties
Verdere opvolging volgens het geschikte zorgpad:
a. Zorgverlener
◼ 1ste lijn: huisarts en zelfstandige vroedvrouw (AD 8, 16, 24, 28, 34, 38w) en
gynaecoloog (op 12, 20, 30, 36 en 40w)
◼ 2de lijn: hele opvolging bij gynaecoloog
◼ 3de lijn: opvolging via multidisciplinair team of bij subspecialist in tertiair centrum
b. Inhoud: zwangerschapscontroles omvatten klinische parameters en bijkomende
onderzoeken om de meest frequente zwangerschapscomplicaties op te sporen. Bij elke
zwangerschapscontrole gebeurt:
◼ Anamnese: fysiek en mentaal welzijn, zwangerschapssymptomen, foetaal welzijn,
zwangerschapscomplicaties
◼ Klinisch onderzoek: maternaal gewicht/bloeddruk, foetale vitaliteit, foetale groei,
ligging en indaling
◼ Bijkomende onderzoeken en informatie volgens zwangerschapsduur en zorgpad.
1ste master geneeskunde 2025-2026
,OPO Verloskunde-Gynaecologie E0C15A 6
3. Bevalling
Onder begeleiding van een gynaecoloog en vroedvrouw.
Zie module 6-7.
4. Postpartum periode (4de trimester)
Er wordt 6-8 weken postpartum een controle voorzien om het maternale fysieke herstel,
aanpassen aan ouderschap en emotionele welzijn te evalueren. Er gebeurt een controle van
bloeddruk, gewicht, bekkenbodem, wondheling en HPV controle. Er is ook counseling rond
contraceptie en bekkenbodemreeducatie.
Zie module 8.
1ste master geneeskunde 2025-2026
,OPO Verloskunde-Gynaecologie E0C15A 7
Module 2: Zwangerschapsfysiologie en
klinische implicaties
3. De menstruele cyclus
Processen zoals ovulatie, bevruchting en inplanting zijn het gevolg van een samenspel tussen
hypothalamus, hypofyse, ovarium en baarmoederslijmvlies en worden samen de menstruele cyclus
genoemd.
Ovarium
Gonadotrofine-releasing hormonen (GnRH) in de
hypothalamus stimuleren de hypofyse tot
vrijzetting van follikelstimulerend hormoon (FSH)
en luteïniserend hormoon (LH). FSH en LH
stimuleren op hun beurt het ovarium tot productie
van oestrogeen (E) en progesteron (P). Het ovarium
heeft naast hormoonproductie ook de functie om
eicellen te produceren (gametogenese). Bij lage
oestrogeenwaarden wordt de hypofyse
gestimuleerd tot FSH productie, waardoor de groei
van follikels gestimuleerd wordt. De groei van
follikels stimuleert de oestrogeenproductie die de
FSH productie in de hypofyse onderdrukt. Hierdoor
kan enkel de grootste follikel met de meeste FSH
receptoren (dominante follikel) verder groeien wat
leidt tot een oestrogeenpiek. De oestrogeenpiek
stimuleert de hypofyse tot een LH piek en kleinere
FSH piek wat de ovulatie uitlokt (piek 24-36u voor
ovulatie). LH stimuleert de productie van
prostaglandines en proteolytische enzymen en
zorgt voor ontwikkeling van het corpus luteum dat
progesteron produceert.
Endometrium
Cyclische veranderingen in oestrogenen en progesteron hebben een ingrijpende impact op het
endometrium. In de proliferatieve fase is er een toename van epitheliale en stromale cellen met
vergroting van klierbuizen onder invloed van oestrogenen. De dikte van het endometrium evolueert van
1-2 mm dikte naar 10-12 mm dikte. In de secretoire fase (2 dagen na ovulatie) ontstaat er onder invloed
van progesteron een daling van mitotische activiteit en accumulatie van glycogeen. Indien er geen
bevruchting plaatsvindt dalen de concentraties van oestradiol en progesteron waardoor er menstruatie
optreedt.
De temperatuur stijgt met 0,2-0,5 C° 12u-24u na de ovulatie.
1ste master geneeskunde 2025-2026
,OPO Verloskunde-Gynaecologie E0C15A 8
4. De gametogenese
Primordiale kiemcellen zijn afkomstig van het
mesoderm. Tijdens de eerste 5 weken van een foetus
migreren die kiemcellen naar de genitale plooi. In de
afwezigheid van het Y-chromosoom vormen deze
kiemcellen oögonia. Multiplicatie van deze oögonia
gebeuren tot 7 maanden zwangerschap. Deze oögonia
doorlopen de eerste fasen van meiose tijdens het
foetale leven en bevinden zijn tijdens de geboorte
halverwege de eerste meiotische deling (primaire
oöcyten). De meiose wordt verdergezet vanaf de
puberteit: door de LH piek zal 1 of meerdere eicellen de
eerste meiotische deling vervolledigen vlak voor de
ovulatie, terwijl de tweede meiotische deling pas
gebeurt na bevruchting met een zaadcel. Er komen in
een volledig leven zo’n 400 oöcyten tot ovulatie.
Rijping van mannelijke kiemcellen is een continu proces dat begint in de puberteit. In de tubuli
seminiferi is er een continu voorraad van kiemcelprecursoren aanwezig. De spermatogenese bestaat uit
3 fasen:
- Mitotische deling van spermatogonia (primaire spermatocyt)
- Meiotische deling van diploïde spermatocyten naar haploïde spermatiden
- Transformatie van spermatiden naar spermatozoa (spermiogenese)
5. De bevruchting
Een eicel is tot 24 uur na de ovulatie vruchtbaar. Spermatozoa hebben een levensduur van 48 tot 72
uur. De bevruchting vindt plaats in de eileider. Tijdens het transport van de zygote naar de uterus vinden
er 4 celdelingen plaatst tot een morula (16-cellig stadium). Wanneer het embryo een 64-cellig stadium
bereikt vormt zich een centrale uitsparing door vochtopname en spreekt men van een blastocyst of
blastula. In de blastocyst zijn 2 lagen te onderscheiden: de embryoblast (foetus) en trofoblast
(placenta/vliezen).
1ste master geneeskunde 2025-2026
, OPO Verloskunde-Gynaecologie E0C15A 9
6. De innesteling – nidatie
7 dagen na de bevruchting gebeurt de implantatie. De blastocyst migreert via paracriene
communicatie naar de optimale plaats voor aanhechting waarna appositie en nidatie in het
endometrium plaatsvinden. Als gevolg van deze processen zal het endometrium decidualiseren. Door
cytokinen vormen zich kleine vlokjes op de apicale zijde van het syncytiotrofoblast (pre-embryo) die
verstrengelen met uitstulpingen op de apicale zijde van het endometrium (trofoblastinvasie). Daarna
begint de implantatie.
Cytotrofoblastcellen ter hoogte van het chorion frondosum banen zich een weg naar de diepte van de
decidua en versmelten met syncytiotrofoblasten waardoor holtes ontstaat die zullen leiden tot
intervilleuze ruimtes van de placenta. Tijdens de implantatie worden de maternale bloedvaten
geïnvadeerd door trofoblastcellen. Hierdoor kan een kleine innestelingsbloeding (teken van Hartman)
ontstaan die soms ten onrechte als menstruatie aanzien wordt. Een week na de implantatie is de
blastocyst volledig verzonken in de decidua. Syncytiotrofoblastcellen produceren humaan choriaal
gonadotrofine (HCG), wat vanaf 2 dagen na implantatie meetbaar is in maternaal plasma. HCG heeft een
LH effect en stimuleert zo de groei van het corpus luteum en piekt tussen 9 en 12 weken. Daarna neemt
de placenta de productie van steroïdogenese grotendeels over.
1ste master geneeskunde 2025-2026