Neoplasie
Studie van goedaardige en kwaadaardige tumoren
Samenvatting · Universiteit Gent
,Na deze cursus zou je moeten kunnen antwoorden op:
• Wat is kanker?
• Wat zijn de belangrijkste vormen van kanker?
• Hoe ontstaat kanker?
• Welke mogelijkheden bestaan er in het algemeen om kanker te behandelen?
Inhoud
1. Basisbegrippen en nomenclatuur
2. Epidemiologie
3. De moleculaire basis van kanker
4. Carcinogene agentia
5. Klinische aspecten van kanker
6. Invloed van obesitas en dieet op kanker
1. Basisbegrippen en nomenclatuur
1.1 Inleiding
In België is kanker de tweede belangrijkste doodsoorzaak.
1.2 Definities en algemene begrippen
• Neoplasie ("neoplasm") = tumor. Kan goedaardig (benigne) of kwaadaardig (maligne)
zijn.
Moleculaire definitie van een tumor. Een tumor:
• ontstaat door mutaties;
• is clonaal (afkomstig van één precursorcel);
• vertoont autonome groei.
Twee basiscomponenten. Bijna alle tumoren bestaan uit:
1. Clonale (neoplastische) cellen — de belangrijkste component.
2. Reactief tumorstroma — speelt ook een rol; soms een mineure, soms een belangrijke
component (bv. een tumor met veel stroma dat vooral uit collageenvezels bestaat).
Maken en kleuren van weefselcoupes (kort). 1. Biopsie → paraffineblokje. Kleine biopsies
worden direct ingebed; resectiestukken moeten eerst worden verkleind. De weefsels worden
overnacht met paraffine geïmpregneerd (weefselprocessor). 2. Paraffineblokje → ongekleurde
coupe (aansnijden van het blokje). 3. Ongekleurde coupe → gekleurde coupe (standaard:
hematoxyline en eosine). 4. Gekleurde coupe → microscopisch onderzoek (beeld vergroot met
microscoop).
Basisindeling
• Benigne tumor: niet agressief, blijft lokaal, therapie = chirurgie.
• Maligne tumor: agressief, geeft metastasen.
Kanker ("cancer") = synoniem voor maligne tumor.
, 1.3 Naamgeving van tumoren
Twee basisprincipes:
• Eerste criterium: benigne versus maligne.
• Tweede criterium: histogenetisch (uit welk weefsel ontstaat de tumor).
Weefsel van oorsprong Goedaardig Kwaadaardig
Epitheel stam + -OMA stam + CARCIN + -OMA
bv. adenoma (uit bv. adenocarcinoma (uit klierepitheel of
eenlagig/klierepitheel) dat klierstructuren vormt)
bv. papilloma (uit bv. plaveiselcelcarcinoma = squameus
squameus epitheel) carcinoma (uit squameus epitheel)
Steunweefsel stam + -OMA stam + SARC + -OMA
(bindweefsel, vet, spier,
kraakbeen, bot…)
bv. lipoma, chondroma, bv. liposarcoma, chondrosarcoma,
osteoma, angioma, osteosarcoma, angiosarcoma,
fibroma fibrosarcoma
Epitheliale tumoren
• Uit eenlagig/klierepitheel: adenoom → adenocarcinoma.
• Uit meerlagig plaveiselepitheel: papilloom → plaveiselcelcarcinoma (= squameus
carcinoma).
• Uit overgangsepitheel (urotheel): papilloom → urotheelcelcarcinoma (= transitioneel
celcarcinoma).
Mesenchymale tumoren (ontstaan uit steunweefsels)
Oorsprong Goedaardig Kwaadaardig
Fibroblasten fibroom fibrosarcoma
Bloedvaten (hem)angioom angiosarcoma
Lymfevaten lymfangioom angiosarcoma
Bot osteoom osteosarcoma
Kraakbeen chondroom chondrosarcoma
Vet lipoom liposarcoma
Glad spierweefsel leiomyoom leiomyosarcoma
Gestreept spierweefsel rhabdomyoom rhabdomyosarcoma
Opmerkingen bij de naamgeving
• Carcinomen zijn veel frequenter dan sarcomen.
• Sommige goedaardige steunweefseltumoren zijn wel zeer frequent.
• Soms is niet geweten uit welk celtype een tumor ontstaan is.
• Sommige tumoren dragen een eponiem, bv. Burkitt-lymfoma en Ewing-sarcoma.