klassieke narratieve film / klassieke filmtaal
● +/- vastgelegd aan vooravond van WOI met D.W.Griffith
● tegelijk met:
1) eerste studio’s in Hollywood
2) doorbraak geluidsfilm eind jaren 1920
● standaardisering van lengte = onderdeel klassieke taal
● klassieke film = filmtaal met al reeks ontwikkelde grammatica
● gedurfde montagestijlen, entfesselte camera = weg door klank
● moeilijk kenmerken op te noemen = zo evident (‘taal’)
klassieke verhaalstructuur
● gebaseerd op = burgerlijke realistisch theater (klassieke roman)
● verhaal opgebouwd rond personages = romantische heteros. koppel
● oorzaak-gevolgrelatie
● psychologische motivatie = identificatie en meevoelen met kijker
● shots = ruimtelijk en temporeel in een orde/coherentie
1) continuity editing en ellipsen
2) montage = onzichtbaar
3) 180° regel
4) typische manier van opbouwen van scène → establishing, closer shots
5) match on action
6) eyeline match
● in FR en VS = klassieke taal is perfectie → wereldwijze dominantie
● na WOII = klassieke taal willen ondermijnen → alternatieven zoeken
● Bazin = over ontwikkeling van film: “L’évolution du langage cinématographique”
● klassieke filmtaal = verbonden met bepaald productiesysteem
→ productie, distributie en consumptie-systemen
classical hollywood system = 1930-1960 (na eerste vroege klankfilms)
● grote economische factor = enorme output = elke studio 1 film per week
● massapubliek = logisch na superurbanisatie
● a en b producties (kwantiteit belangrijker toen) → b = korter, in avond
● na doorbraak geluid = standaardisering van programma
- newsreel, short, cartoon, double feature (A en B)
,classical hollywood
● oligopolie = 8 studio’s met controle van filmproductie (95%) → gespecialiseert
→ 5 majors = big five = eigenaars van bioscoopketens
1) Paramount pictures
2) Warner Brothers
3) Fox
4) Radio Picture
5) MGM = Metro Goldwyn Mayer
→ verticale integratie + block-booking + blind bidding = sterke positie
→ eigen film bekijken in eigen studio → ook vaak samenwerking
→ 3 minors = universal, columbia, ua → werken volgens Big Five
→ Independents = sommige beroemd geworden
→ S. Goldwyn + David O. Selznick = paar prestigieuze A-producties
→ Poverty Row Studios = B film = weinig geld + ethnisch gespecialiseerd
→ bv: amerikaanse joden met goedkope horrorfilms
→ veel invloed op elkaar → bv: dezelfde decorstukken
systeem van zelfcensuur = production code (1933)
● = algemene code waar ze eerst voor samenzaten
● = systeem van krankzinnige regels → bv: één voet op grond bij zitten bed
● producers konden deze omzeilen → bv: gruwelijke scènes erin steken
● vroeger: veel pogingen om hollywood te censureren
→ vroeger: al risky films → vrees voor officiële censuur
→ door religieuze bewegingen = film als moreel verderf
● systeem gericht op sterren = film star
→ veel meer dan bij europees modernisme
→ personages als mythische wezens die herkenbaar zijn (nu: echo’s)
● producers gerichte organisatie = bepaalt alles = cruciale rol van producer
→ dit is nog heel hard aanwezig in hollywood: “wie is auteur”
→ zij mogen hun handtekening erop zetten, niet regisseurs
→ want zij kiezen de mensen die eraan werken
→ hitchcock wordt bv producer en regisseur (niet zoveel hiervan)
● belang van genres = vorm van standaardisatie = cruciale rol van genres
→ geen strakke grenzen, genres versmelten juist (genres = niet stabiel)
→ zoals musical en western die zelfs samen komen
,na WOII = neergang van klassieke hollywoodsysteem
● 1946 = kwalitatief en kwantitatief hoogtepunt (hierna = bergaf)
= grootste productie en aantal bioscoopbezoeken (cinema = kunstvorm 20e)
● oorzaken en gevolgen
1) invloed televisie = jaren 1950, kleur, widescreen, 3D,... → cinema weg
2) anti-trustwetten = eerlijke concurrentie door beëindiging macht big five
→ Paramount Pictures als eerst dobbelsteen gevallen
3) superurbanisatie = snelle groei van steden
4) McCarthyisme = hollywood-blacklist = communistische verdenkingen
→ gevolg voor scenaristen = alles lees verdacht toen
5) production code = niet langer houdbaar = grenzen opzoeken + vervangen
6) Target Audiences = films bepaald publiek → disney, teen pics, art house
→ medium verdwijnt → meer specifieke films
CLASSICAL HOLLYWOOD MUSICAL 1930-1955
hollywood musical
● bloeiperiode = 1930-1955
● genre nauw verbonden met opkomst geluidsfilm (1920)
→ eerste geluidsfilms = verfilmde Broadway-opvoeringen (The Jazz Singer)
→ late jaren 1920 = importeren van Broadway-talent = expert geluid/muziek
→ talent dat men eerst niet nodig had → nu meer opdrachten
● singing-dancing-talking musical pictures
● The Broadway Melody (Beaumont, 1929) + Jazz Singer (Crosland, 1927)
● twee genres toen = western en musical
● doorbraak geluid en musical in europa veel later (sovjet pas in 1930)
● veel infrastructuur
vroege geluidsfilms
● = verfilmd theater → niet meer als film
● opgesloten in geluidsdichte opnamestudio's + sweat boxes voor geluid
→ = regressie (achteruitgang) → terug naar Méliès
● gevolgen van beperkingen van vroege geluidstechnologie
1) één geluidsspoor = soundtrack = verzameling van alle geluiden
2) geluid dicteert montage
3) synchronisatie eist standaard-opnamesnelheid 24b/sec
→ gemotoriseerde camera in geluidsdichte cel (geen entfesselte meer)
4) weinig gevoelig, statische microfoons (soms in beeld zichtbaar)
5) “In the 1930s, the movies stopped moving” → Scorsese
● geluiddichte Vitaphone cameracel
, musical en vroege geluidsfilm
● snelle evolutie en sofisticatie van geluidstechnologie
● snel inventief omgaan met beperkingen
● Paramount = europese verfijning → neervolkse studio met misdaadfilms
● Lubitsch = muzikale komedies
→ The love Parade (29), Monte Carlo (30), The smiling Lieutenant (34)
→ Lubitsch Touch = superjoke
● Love Me Tonight = Mamoulian (1932)
→ experimentele openingssequence = omgevingsgeluid incorporeren
→ begin = geluiden van stad = beperkingen als muzikaals aspect
hollywood musical jaren 1930
● in enkele jaren een evolutie = cinematografische sofisticatie
● musical wordt belangrijk genre in jaren 1930 → beperking klank overstijgen
→ vorm v. escapisme tijdens de Depressie = economische crisis (beurscrash)
→ hard realiteit niet altijd genegeerd
● Busby Berkeley (H: 1930 en WB: 1933)
- armoede aanwezig in zijn musicals bij WB (daarom populair)
- inspiratie = zijn driloefeningen aan het front bij geallieerden
→ amerikaans leger in frankrijk in 1917
→ in complexe stervormen laten marcheren
→ alternatieve patronen = vond routine parades vervelend
→ coördineren van mensenmassa’s
- decor = trappen en indrukwekkende lichten → opgemerkt → naar hollywood
- als kind op planken met ouders
- Militaire Academie
- succesvol choreograaf op Broadway → door complexe danspatronen
- krijgt taal van cinema onder de knie
- gesofisticeerde technische infrastructuur
- dans-regisseur voor diverse filmregisseurs (Bacon) → in functie van camera
→ soms ook zelf filmregie (films niet in zijn naam meestal)
- geen stage dans op afstand = ritmische montage en verspringen in ruimte
- stars = Dick Powell, Joan Blondell en Ruby Keeler (toen onbekend)
- Berkeley Girls
- indrukwekkende massa-choreografie + geabstraheerde bewegingen
- niet altijd dans = soms enkel bewegen lichaamsdeel
- atletische erotiek
- vb = Tiller Girls, Triumph des Willens, Kracauer (massanornament)
→ cultuur gedomineerd met neiging om mensen tot patronen te reduceren
→ instrumentalisering van het lichaam
- flamboyante visuele stijl + ongeziene perfectie
- crane photography = Berkeley Top shot = vogelperspectief
→ bv: loodrecht naar beneden filmen