● bezigheid = ‘waarom’ zijn films gemaakt
● films benoemd als blockbuster
● bewustworden theoretische kader (bv: waarom feministisch + contra)
● saussure, psychoanalyse, gilles deleuze (tijd/beweging), digitaal humanisme
→ niet tot cursus geraakt
● blockbuster = grootschalige film met extreem financieel succes (HW)
● Barbie analyse (vrouwelijk ludieke blockbuster film
- verschillende invalshoeken mogelijk → theoretische kunnen zeggen
1) genre-studie = komedie, chick-flip (vrouwelijk publiek), musical,
fantasy, satire, coming of age (volwassenwording, hier ook tijdloos),
roadmovie (veel auto’s), hyper amerikaans karakter (spektakel)
2) feministisch = patriarchaat van vrouwen, contradictorische realiteit,
stereotypering van vrouw zijn, limbo-feminisme (empowering + onrea.),
herwaardering van vrouwen, hyperfeminisme, kan zorgen voor minder
aandacht voor die gelijke structurering, verhaal over marketing en
kapitalisme, reclame voor feminisme, bedrijf van Mattel kritiek,
fenomeen van commercieel industrie, film bekritiseert datgene wat die
eigenlijk bevestigt, kritiek op consumptie industrie
3) setdesign en kleur = twee soorten werelden aanwezig
→ echte sets want geen greenscreen
→ overdaad aan prikkels = plastic en kleur → massaproductie = gevolg
→ refereert naar zichzelf = niet al ergens anders gezien
4) vergelijking geschiedenis en actua = maakt het postmoderne film
→ veel historische referenties: matrix (kiezen schoenen), truman show,
2001 space odyssey (hele intro), cathérine deneuve, godfather,
the wizard of oz (omgekeerde verhaal)
→ verwijzingen naar filmgeschiedenis
5) studie over queer en gender = acteur die trans is
→ geen biologisch geslacht bij personages = maatschappelijk construct
→ kritiek op mannelijkheid: personage dat op mannen valt
→ hetero-clichés = overdreven gemaakt want blijven de norm
6) esthetische film = hoe is de film opgebouwd → decor, kostuums,...
→ prachtige decors zelf gemaakt (zie 3)
→ tegenover echte wereld of tegenover schilderkunst/mode
→ film positioneert zich tegenover andere kunstvormen (ook zichzelf)
→ art house of commerciële film = discussie (tegenovergestelden)
, 7) auteur studie = verschil met genre-studie!
→ Greta Gerwig = veel links tussen haar films → vrouw op voorkant
→ over: womanhood, jonge vrouw in crisis
→ grens opzoeken tussen drama en komedie
→ veel dezelfde acteurs en cameramensen = stijl doortrekken
8) nationaal standpunt = hyperamerikaans
→ american dream, bedrijven, auto’s, las vegas
→ ook transnationaal = film is heel globaal (verder dan natie)
→ discussies: kaart in beeld die niet klopte (vietnam)
→ barbie met duitse oorsprong ‘Lillie doll’ → amerikaanse weergave
→ personage als belastingontduiker (rechtzetting)
TEKST 1: RICHARD DYER: introduction to film studies (1988)
- kernvraag = “Waarom is het de moeite waard om film te bestuderen?”
- veel onderzoek naar starsysteem en queerstudies met helikopterperspectief
- focus = meerdere invalshoeken en benaderingen mogelijk van één film
→ technologische kennis = blijft hier beperkt → als secundair behandeld
→ materiaal, techn., projectie, chemie, digitale techn. = optionele extras
→ uitzondering: ontstaan film, opkomst geluid (20), opkomst kleur (30,40)
→ die focus in filmgeschiedenis groter → techn. = kleine rol bij productie
- gebrek aan technische aspecten door contrast tussen:
1) historicisten = wetenschap en techn. gevormd door culturele contexten
→ flexibel gebruik van apparaten
2) objectivisten = wetenschap is objectief, technologie door apparaten
- 2 centrale antwoorden op filmstudies: wat en waarom
→ sluiten elkaar uit + overlappingen
formalistische en esthetische traditie
= film is belangrijk vanwege zijn intrinsieke artistieke waarde
→ relatie met filmkritiek = pers
→ film waardevol te bestuderen = waarom goed en andere niet
→ film als medium zien + beschouwen op afstand <-> filmkritiek
1) eerst invalshoek = verdediging van film als kunst
→ vroege filmtheor. teksten niet voor legitimeren als serieuze kunst
→ dit tegenover avant-garde en art cinema = weg van imago kermis
2) tweede invalshoek = film en realisme
→ film vertrekt vanuit realistische kijk
→ vroege auteurs: film als ultieme representatie van werkelijkheid
→ 19de eeuw = literatuur, schilderkunst, beeldhouwkunst
→ eind 19de eeuw = fotografie en film
→ meer directe relatie met werkelijkheid →The Photoplay
, → Bazin en Balazs = realisme en esthetische principes (jaren 1940)
→ technieken = long take + scherptediepte + licht
→ formele taal analyseren: hoe sluit film aan bij realiteit
3) derde invalshoek = film en avant-garde
→ film verbonden met het onderbewuste, dromen, fantasie, verbeelding
→ camerabewegingen + licht + montage
→ j. Epstein en photogénie = film strikt visionair
→ hierdoor: blootleggen innerlijke aard, mystieke kwal. van dingen
→ ook ziel van personages reveleren (openbaren)
→ Eisenstein en Montage van attracties
→ montage = expressief, symbolisch en nadrukkelijk zichtbaar
→ link tussen esthetische en ideologische
4) vierde invalshoek = film en auteurstheorie
→ ontstaan in late jaren 40 in FR. → naar Engelstaligen via A. Sarris
→ filmregisseurs kunnen individuele kunstenaars zijn
→ dit kan zelfs binnen commerciële productielogica van HW
→ Cahiers du cinéma = regisseurs (Hitchcock, Ford) stempel drukken
→ dit ook ondanks beperkingen
→ analyse adhv patronen en terugkerende stilistische/thematische ken.
→ deze identificeren in oeuvres van regisseurs
→ Basin = auteurstudies belichten als argument
→ David Lynch = beeldtaal, film analyseren, Lynch stempel
- sinds auteurstheorie = 3 brede formalistische tradities/benaderingen
1) fenomenologie
= essentie van verschijnselen begrijpen via subjectieve, zintuiglijke
ervaringen zonder vooroordelen
→ hoe komen veranderingen aan ons bewustzijn
→ embodiment = lichaam als medium van ervaring
→ films gevoeld, geleefd en bekeken
→ analyse hoe films fysieke en emotionele reacties oproepen
→ films als ervaring die waarnemen en voelen beïnvloed
→ niet alleen als intellectueel object
→ individuele toeschouwer → zie horrorfilms
2) psychoanalyse (Freud en Lacan)
= verbindt formele filmelementen met onbewuste psy. processen
→ hoe films verlangens, angsten en fantasie uitdrukken/presenteren
→ identificatie, oedipuscomplex en male gaze
→ essentieel voor feministische filmstudies
→ Laura Mulvey’s analyse: klassieke HWcinema en vrouwo. id.
3) neoformalisme (Wisconsin school)
= analyseert films als teksten, focus narratieve techn., stijl, form. eig.
→ beïnvloed door russische formalisten
→ belangrijke acteurs = D. Bordwell, K. Thompson, J. Staiger
, → nadruk op filmtaal en esthetische principes
→ verbindt esthetische stijl met cognitieve psychologie
→ hoe narratieven kenmerken invloed mentale proc. en schema’s
maatschappelijk-ideologische traditie
= waarde van film ligt in bredere maatschappelijke en ideo. context
→ kant van filmwetenschappers
→ 20e eeuw = eeuw van de cinema
→ pieken in bioscoopbezoek in jaren 40-50 (grootste aantal ooit)
→ cinema overal aanwezig: straatbeeld, kranten, filmclubs, archieven
→ alledaagse gelinkt aan spektakel → aandacht film via politiek/religie
→ 1950 = daling bioscoopbezoeken → TV, video, dvd, streaming, online
→ het belang van die bezoeken is gedaald → kijken van films niet
→ hoe positioneert film zich binnen bredere mediasysteem
→ vb: oppenheimer = zomer lang of The voix of hind rajab (gaza)
1) eerste invalshoek = film en moderniteit
→ maatschappelijke context 19e en 20ste eeuw = techn. vooruitgang
→ complexiteit van moderne leven
→ optimisme en geloof in vooruitgang via wetenschap/technologie
→ pessimisme en vervreemding, eco. schade en automatisering
→ Modern Times: veelheid aan prikkels (flikker, oneindige producties)
→ film als medium symboliseert moderniteit door zint. prikkels
→ reflecteert zowel belofte als schaduwzijden van vooruitgang
→ films = exemplarisch = meer te weten komen over tijd hierdoor
2) hedendaagse invalshoek = cultural studies
→ onderzoek impact film op mens en maatschappij via cult. discoursen
→ deze hebben invloed op hoe wij wereld begrijpen + betekenis geven
→ sleutelauteur = Stuart Hall
→ film creëert en beïnvloedt hoe mensen betekenis geven aan wereld
→ aandacht voor machtsverhoudingen en identiteiten
→ circuit of culture = analysemodel met 5 dimensies
→ film als onderdeel van breed maatschappelijk kader
→ representatie, identiteit, productie, consumptie (omgang kijker),
regulatie (waarden en normen die zorgen voor hoe tegenover elkaar)
→ ideologische analyse, culturele hegemonie en verzet in films
→ film niet als losstaand gegeven → onderdeel maatschappijbeeldge.
→ wat is invloed en wat is er aanwezig: over maatschappij
→ in jaren 80 en 90 belangrijk: hoe culturen werden gerepresenteerd