Inleiding
Gezondheid = toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn (niet alleen de
afwezigheid van ziekte)
Ziekte = afwijking van een normale functie of structuur van het lichaam
1001 ziektebeelden, maar slechts een beperkt aantal ziektemechanismen: genetisch defect,
ischemie, infectie, auto-immuun, toxische factoren, trauma, oncogenese, metabool, nutritioneel
en veroudering => ≥ 1 = ziektebeeld
1 oorzaak (unifactorieel) vs meerdere oorzaken (multifactorieel)
Exogeen (buiten het lichaam) of endogene (in het lichaam) oorzaak
Idiopathisch = oorzaak is (nog) niet bekend
Iatrogeen = ziektebeeld veroorzaakt door een medische interventie
Het ziektebeeld is afhankelijk van drie elementen:
- Gastheer: vatbaarheid van een persoon om een ziekte te krijgen, bepaald door de
genetische achtergrond, algemene kenmerken (leeftijd, geslacht) en de algemene
gezondheidstoestand
- De gastheer zijn/haar reactievermogen: integriteit van de beschermingsmechanismen in
het lichaam
- (Schadelijke) invloed van buitenaf, zoals infectie, trauma, intoxicatie, overbelasting,…
Auto-immuniteit = immuun-reactie tegen zelf-antigen
Immunologische tolerantie = fenomeen waarbij er geen reactie is tegen antigen wanneer
witte bloedcellen blootgesteld zijn aan het antigen
Zelf-tolerantie = afwezigheid van immuunrespons tegenover eigen antigen
GEBREK AAN ZELF-TOLERANTIE AUTO-IMMUNITEIT
Symptoom = uiting van het ziektebeeld -> pijn, koorts, huidverkleuring, lokale warmte,…
Subjectief = klacht van patiënt // Objectief = waarneembaar door derden
Aspecifiek = kan bij vele ziektebeelden passen // Pathognomonisch = kenmerkend voor een
bepaald ziektebeeld
Syndroom = geheel van symptomen en tekens die samen voorkomen bij een bepaalde ziekte
Acuut verloop = plots ontstaan ziektebeeld // Chronisch verloop = aanhoudend bestaand
ziektebeeld
Latente periode =periode tussen ontstaan van het ziektebeeld en optreden van symptomen of
chronisch ziekteverloop zonder aanwezige ziektesymptomen
Incubatieperiode = periode tussen de besmetting en het optreden van symptomen
Prodromale periode = eerste periode na de infectie waarin aspecifieke symptomen en tekenen
optreden
Behandeling volgens doel:
- Curatief = doel is genezing
- Palliatief = doel is zoveel mogelijk symptomen te bestrijden, maar de ziekte kan niet
genezen worden
- Causaal = behandeling neemt de oorzaak weg
- Symptomatische = behandeling bestrijdt symptomen
- Proef = behandeling wordt ingesteld met diagnostisch
- Experimenteel = het nut van de behandeling is nog niet aangetoond in
wetenschappelijke studies
Behandeling volgens methode:
- Medicamenteus: toediening van geneesmiddelen
- Heelkundig: chirurgische ingreep
- Fysisch: therapie met fysische agentia (kine, elektrotherapie, radiotherapie,…)
- Psychotherapie: psychologische behandelingstechnieken
1
,Bloedvaten
Bloedvat = binnenkant is bekleed met continue laag van endotheliale cellen, en de wand
bestaat uit gladde spiervezels en extracellulaire matrix
- Arteriën: wanden zijn dikker en bekleed met versterkende lagen gladde spiercellen om
pulserende stroming en hogere bloeddrukken te accommoderen (hoge druk systeem)
(hoge O2 concentratie)
- Capillairen: 1-lagige endotheelcellen afgelijnd door basaal membraan die diffusie
faciliteren
- Venen: rekbare dunwandige bloedvaten met hoge capaciteit (lage druk systeem) (lage O2
concentratie)
Vaatwanden zijn georganiseerd in drie concentrische lagen:
- Intima: monolaag van endotheelcellen op een basaalmembraan met minimale
onderliggende ECM; het is gescheiden van de media door een dicht elastisch membraan,
de interne elastische lamina
- Media: gladde spiercellen en ECM, omgeven door los bindweefsel, zenuwvezels en kleinere
vaten van de adventitia -> een externe elastische lamina is aanwezig in sommige
slagaders en definieert de overgang tussen media en adventitia
- Adventitia
Endotheel is een doorlopend vel cellen dat de gehele vaatboom bekleedt en veel aspecten van
de bloed- en bloedvatfunctie reguleert:
- Rustende endotheelcellen behouden een niet-trombogene bloed-weefselinterface,
moduleren ontstekingen en beïnvloeden de groei van andere celtypen, met name gladde
spiercellen
- Actieve endotheelcellen beïnvloeden de vasoreactiviteit van de onderliggende gladde
spiercellen door zowel ontspannende factoren [NO]) als samentrekkende factoren
(endotheline) te produceren
-> In de meeste regio's zijn de interendotheliale verbindingen ondoordringbaar -> gaan echter
open onder invloed van hemodynamische stress (hoge bloeddruk) en/of vasoactieve stoffen
(histamine), waardoor de aangrenzende weefsels worden overspoeld met elektrolyten en eiwitten
-> Vertonen fenotypische variabiliteit, afhankelijk van anatomisch locatie en aanpassingen aan
omgevingssignalen
-> Reageren echter ook op verschillende fysiologische en pathologische stimuli (bacteriële
producten, ontstekingscytokinen, hemodynamische stress) door hun gebruikelijke functies te
moduleren en door nieuwe eigenschappen tot uitdrukking te brengen = endotheelactivering
Bloeddrukregeling
Normotensie = adequate weefselperfussie (goede O2 en nutriënten toevoer) en integriteit van
het endotheel
Bloeddruk (BD) = druk in het arterieel systeem -> gemiddelde van de diastolische en
systolische druk
-> Systolische druk: bovendruk gemeten tijdens het samentrekken van het hart (linkerkamer)
-> Diastolische druk: onderdruk gemeten tijdens het ontspannen van het hart
Hypotensie = lage bloeddruk = onvoldoende orgaanperfusie, orgaandisfunctie en soms
weefseldood -> asymptomatisch, duizeligheid, zwakte
Hypertensie = hoge bloeddruk = endotheelschade, endotheeldysfunctie,
orgaandysfunctieschade -> één van de belangrijkste risicofactoren voor atherosclerose ->
asymptomatisch, hoofdpijn, visusstoornissen, orgaanlijden
Bloeddrukregeling: BD = Cadiale Output (CO) * Perifere Weerstand (PVR)
Bloeddrukregeling: BD = (SlagVolme (SV) * HartRitme (HR)) * Perifere Weerstand (PVR)
-> Bepalende factors van slagvolume: vuldruk, gereguleerd door Na-homeostase en het effect
daarvan op het bloedvolume en contractiliteit van het myocard
-> Bepalende factors van hartritme: α- en β-adrenerge systemen
Vasculaire tonus = balans tussen vasoconstrictoren (angiotensine II, catecholamines en
endotheline) en vasodilatoren (kininen, prosta-glandines en NO)
2
, Bloeddrukregeling:
- Renine-Angiotensine-Aldosteron Systeem: renine-proteolytisch enzym wordt vrijgegeven
als reactie op lage bloeddruk in afferente arteriolen, verhoogde niveaus van circulerende
catecholamines of lage natriumniveaus in de distale gekronkelde niertubuli => renine
splitst plasma-angiotensinogeen tot angiotensine I -> ACE splitst angiotensine I tot
angiotensine II => verhoogt de bloeddruk door (1) samentrekking van vasculaire gladde
spiercellen te induceren, (2) aldosteronsecretie door de bijnier te stimuleren en (3)
tubulaire natriumresorptie te verhogen
-> Vasculaire ontspannende stoffen: prostaglandin en NO -> gaan vasopressoreffecten
van angio tegen
- Natriuretische peptiden worden vrijgegeven als reactie op volume-expansie -> remmen de
natriumresorptie: Na uitscheiding en diurese en vasodilatatie => bloeddruk daling
- Bijnieraldosteron: aldosteron verhoogt de Na resorptie (en dus water) -> drijft Ka
uitscheiding in de urine => verhoogde bloeddruk
- Endotheel: verantwoordelijk voor afgifte van vaatverwijdende en vaatvernauwende
stoffen:
o Produceert stikstofmonoxide (NO) -> verwijdt bloedvaten -> verlaagt bloeddruk
o Produceert ook endotheline-1 -> vernauwt bloedvaten -> verhoogt bloeddruk
- Sympathisch zenuwstelsel: bij activatie: afgifte van catecholamines -> stimuleert nieren
=> verhoogde sympathische activiteit -> meer natriumretentie -> verhoogde Na-opname
=> verhoogde bloeddruk
- Immuunsysteem:
o Macrofagen verhogen natriumgevoeligheid => verhoogde bloeddruk
o T-reg cellen (anti-inflammatoir) -> kunnen bloeddruk verlagen
o T-helper 1 cellen (pro-inflammatoir) => verhogen bloeddruk
Bloeddruk wordt ook afgestemd door de pH van het weefsel en hypoxie om tegemoet te
komen aan lokale metabolische eisen
Arteriële hypertensie
Hoger bloedvolume en/of perifere weerstand => hoger bloedduk: systolische > 140 /
diastolische druk > 90
Risicofactoren:
- Genetische polymorfisme: familaile clustering
- Omgevingsfactoren: zoutinname, overgewicht, obesitas, fysieke inactiviteit, stress, roken
=> Defecten in renale zout homeostase waardoor zout- en waterretentie, functionele
vasoconstrictie, defecten in gladde spiercel groei en structuur
-> Verminderde Na uitscheiding veroorzaakt een verplichte toename van vloeistofvolume en
verhoogd hartminuut-volume => bloeddruk stijgt -> bij de nieuwe hogere bloeddruk scheiden de
nieren extra natrium uit => nieuwe steady state van Na uitscheiding bereikt, maar ten koste van
een verhoogde bloeddruk
Meestal asymptomatisch gedurende vele jaren / soms in acute agressieve vorm -> ook
hoofdpijn, duizeligheid, oorsuizingen, retrosternale pijn, kortademigheid, symptomen van
eindorgaanbeschadiging, symptomen gerelateerd aan de oorzaak van de hypertensie
- Primaire arteriële hypertensie => defecten in renale zout homeostase waardoor zout- en
waterretentie => functionele vasoconstrictie, defecten in gladde spiercel groei en
structuur (geen specifieke oorzaak)
- Secundaire arteriële hypertensie: onderliggende oorzaak behandelen: renaal: chronisch
renal disease of renal artery stenosis, endrocrien: adrenocortical hyperfunction (cushing),
cardiovasculair, neurologisch
-> Eender wat dat de bloedstroom naar de nieren belemmert kan hypertensie
veroorzaken; atherosclerose, vasculitis, aorta dissectie => aangezien er niet genoeg bloed
naar de nier gaat, gaat de nier renine secreteren -> zorgt voor waterretentie in de nier ->
verhoogt het bloedvolume => hogere bloeddruk
-> Andere oorzaken: fibromusculair dysplasie (dikkere wand => hogere bloeddruk),
tumors (secreteren aldosteron -> zorgt voor waterretentie in de nier -> verhoogt het
bloedvolume => hogere bloeddruk)
Mechanisme is onbekend -> maar we gaan ervan uit dat het een gevolg is van de
wisselwerking van genetische polymorfismen en omgevingsfactoren -> spannen samen om
bloedvolume en/of perifere weerstand te vergroten
Gevolgen:
- Atherosclerose = vorming van een atheroma bij de intima
- Verandering in de bloedvatwand:
3
, - Hyaline arteriolosclerose (mild): geassocieerd met goedaardige hypertensie,
gekenmerkt door homogene, roze hyaline verdikking van de arteriolaire wanden,
met verlies van onderliggende structurele details en vernauwing van het lumen,
laesies door lekkage van plasmacomponenten door beschadigde endotheelcellen,
in vaatwanden en verhoogde ECM-productie door gladde spiercellen als reactie op
chronische hemodynamische stress
-> In de nieren leidt arteriolaire vernauwing tot diffuse vasculaire aantasting en
nefrosclerose
- Hyperplastische arteriolosclerose (ernstig): vaten vertonen uienhuid,
concentrische, gelamineerde verdikking van arteriolaire wanden en luminale
vernauwing, laminaties bestaan uit gladde spiercellen en verdikte, geredupliceerde
basaalmembraan
-> Bij maligne hypertensie gaan deze veranderingen gepaard met fibrinoïde afzettingen en
vaatwandnecrose (patroon van irreversiebele en ongecontroleerde celdood), die met name
prominent aanwezig zijn in de nier => eindorgaanaantasting
Behandelen:
- Levensstijlmaatregelen: zoutrestrictie, vezelrijk en vetarm dieet, overgewicht / obesitas
voorkomen en behandelen, regelmatige fysieke activiteit, rookstop
- Farmacologische maatregelen: verschillende klassen antihypertensiva
- Behandeling van arteriële hypertensie: reductie van aantal, fatale en niet-fatale
cardiovasculaire events
Reactie van de vasculairwand op letsel
Genezing van beschadigde vaten: migratie van (voorlopercellen van) gladde spiercellen naar
de intima -> proliferatie en ECM synthese -> neointima gevormd -> wordt bedekt door intacte
endotheelcellaag
-> Intimale verdikking treedt op bij elke vorm van vaatschade of disfunctie: infectie, ontsteking,
immuunletsel, fysiek trauma of blootstelling aan toxische stoffen
-> Het fenotype van neointimale gladde spiercellen verschilt van mediale gladde spiercellen;
neointimale gladde spiercellen missen het vermogen om samen te trekken zoals mediale gladde
spiercellen, maar hebben wel het vermogen om te delen en hebben een aanzienlijk grotere
synthetische capaciteit
-> De migrerende, proliferatieve en synthetische activiteiten van de intimale gladde spiercellen
worden gereguleerd door groeifactoren en cytokines geproduceerd door bloedplaatjes,
endotheelcellen en macrofagen, geactiveerde coagulatie- en complementfactoren
Met herstel en/of normalisatie van de endotheelcellaag kunnen intimale gladde spiercellen
terugkeren naar een niet-proliferatieve staat, maar niet voordat de genezingsreactie
onomkeerbare intimale verdikking produceert
-> Bij aanhoudende/terugkerende insulten kan verdere verdikking optreden => stenose van
bloedvaten
Arteriosclerose
= verharding en verdikking van de arteriële vaatwand en verlies van elasticiteit:
Arteriolosclerose: treft kleine slagaders en arteriolen en kan stroomafwaartse ischemische
schade veroorzaken -> twee varianten: hyaline en hyperplastische arteriolosclerose
Mönckeberg mediale sclerose: gekenmerkt door de aanwezigheid van verkalkte afzettingen
in spierslagaders, meestal bij > 50 -> laesies dringen niet door tot het vaatlumen en zijn meestal
niet klinisch
Atherosclerose: meest frequente -> multifocale degeneratieve (aantasting over hele
arteriële netwerk + verschillende organen) en evolutieve (progressieve) aandoening van de
middelgrote arterieën gekenmerkt door opstapeling van lipiden in de intima van de vaatwand en
een secundaire inflammatoire reactie => gekenmerkt door aanwezigheid van intimale laesies,
atheromen (plaques) = verheven laesies die bestaan uit zachte, grommende lipidenkernen
bedekt met vezelachtige kappen -> kunnen vasculaire lumina mechanisch blokkeren en zijn
vatbaar voor ruptuur => catastrofale vaattrombose en/of aneurysmavorming
Risicofactoren:
- Genetica: mendeliaanse aandoeningen, polygenetische eigenschappen die hand in hand
gaan met atherosclerose: hypertensie en diabetes, evenals andere genetische
polymorfismen
- Leeftijd: blijft klinisch stil totdat laesies een kritische drempel bereiken
- Geslacht
- Modificeerbare risico’s: hyperlipidemie/cholesterol, hypertensie, roken, diabetes mellitus
4