Sociaal-economische verschijnselen
1. Economie als wetenschap
Economie => Grieks
- Oikos = huis
- Nomos = regels
Huishoudkunde
= wetenschap die zich bezig houdt met de menselijke behoeftebevrediging
of hoe mensen zich gedragen bij produceren, distribueren en consumeren van
schaarse goederen en diensten
schaars goed = voor betalen vb. water => er zijn arbeid en kapitaal voor nodig
vrij goed = niet voor hoeven betalen vb. lucht
noden = nodig om te kunnen leven
verlangen = niet levensnoodzakelijk
Noden + verlangens = behoeften
doel economie = streven naar welvaart
2. Behoeften
Verschil economische goederen en vrije goederen = schaarste => voor economische
goederen moet je een inspanning doen => er wordt arbeid, tijd en geld aan besteed
We hebben oneindig veel behoeften nodig MA AR aantal middelen is beperkt DUS keuzes
maken
3. Productiefactoren
Goederen en diensten
produceren met productiefactoren
3 productiefactoren
1. arbeid = menselijke input
2. natuur = dingen uit natuurlijk milieu vb. grondstoff en
3. kapitaal = hulpgoederen vb. machines
4. economische spelers
3 groepen:
1. gezinnen => kopen goederen en diensten en leveren productiefactoren door vb.
te werken
, 2. bedrijven => productie goederen en diensten
3. overheid => regelt alles + producent van goederen zoals onderwijs, wegen…
5. soorten economieën
vrijemarkteconomie
economie = vrij
manier om economie te organiseren
overheid heeft weinig sturende rol
individu streeft behoeftebevrediging na
taak overheid = veiligheid en orde creëren
inzet productiemiddelen bepaald door principe vraag en aanbod
kapitalisme
hoofddoel: groeien door winst te herinvesteren
centraal geleide economie/ planeconomie
algemeen belang = basis
economie geleidt door overheid
consument, arbeidsmarkt minder vrijheid want kan enkel kiezen uit producten die
de overheid oplegde
lonen o.b.v. noden i.p.v. o.b.v. prestaties
overheid kan prijzen opleggen + bepaalt wat er geproduceerd wordt + legt prijzen
op
minder welvaartsverschillen
gecorrigeerde markteconomie
markt = niet perfect dus aanpassingen nodig
principes van individuele vrijheid, solidariteit en verantwoordelijkheid
overheid staat in voor collectieve goederen en streeft naar zo hoog mogelijke
tewerkstelling en rechtvaardige inkomens
vraag en aanbod MA AR sturing van overheid
inspraak burgers
vb. protectionisme = welvaart hangt af van kapitaal van dat land, de welvaart in
de wereld blijft onveranderlijk
in België
collectieve voorziening vb. straatverlichting
het is goedkoper om voor iedereen te regelen i.p.v. iedereen apart
door de overheid
3 kenmerken
Niet uitsluitbaar => iedereen toegang
Niet rivaliserend => het gebruik door 1 burger gaat niet ten koste van
anderen
Niet splitsbaar => niet op te delen in eenheden
6. beroepsbevolking
, Zelfstandigen
Handelaar = voor eigen rekening dingen verkopen met als doel winst (=
koophandel)
Vrij beroep = obv specifi ek diploma + regels een intellectueel beroep uitoefent,
werken voor eigen rekening
Restcategorie = iemand die voor eigen rekening werkt maar geen intellectueel
beroep of een koophandel uitoefent vb. kunstenaar
Werknemer
Arbeider = werken in loondienst + hoofdzakelijk handenarbeid
Bediende = werken in loondienst + hoofdzakelijk hoofdarbeid
Handelsvertegenwoordigers = werken in loondienst + bezig houden met bezoeken
van klanten om zo goederen te verkopen
7. Economische sectoren
Bestaansmiddelen = de middelen waarmee er dingen worden geproduceerd om de
behoeften van de mens te bevredigen
Primaire sector = uit de natuur
Vb. kippenkwekerij, steengroeve…
Landbouw – akkerbouw, veeteelt, tuinbouw
Bepaald door een aantal factoren vb. grond, mensen
Belang van landbouw:
Voedselleverancier => kinderen
denken dat vb. melk uit de winkel
komt i.p.v.. Uit de landbouw
Handelswaar
Werkgever => heel weinig mensen in
de landbouw (1%)
Behoeder van open ruimte
Jacht
Visserij
Mijnbouw