1) Inleiding
Krantenlandschap New York (Benjamin H. Day – 19de eeuw)
-> krant = luxe goed
-> gericht op elite & zakemensen
-> focus op politiek & handel
-> weinig aankoop door hoge kostprijs
-> vb: New York times, Wall Street Journal
Benjamin H. Day
-> eigen krant ‘The New York Sun’
-> brede publiek, sensationeel nieuws
-> verkoopprijs < productiekosten
-> marginale opbrengsten < marginale kosten
-> opbrengsten dankzij advertentie
Tweezijdig marktmodel
- publiek
- adverteerders
-> krant = medium die lezers en adverteerders verbindt
-> hoe meer lezers, hoe aantrekkelijker voor adverteerders
Andere inhoud
-> aantrekkelijk en kort nieuws (ipv lange politieke essays)
-> andere kranten: model penny press (goedkope massaproductie)
-> aandacht centraal in (media-)economie: sociale media, advertentie,...
-> sensatie -> meer lezers -> meer adverteerders -> meer inkomsten -> beter verdienmodel
Vb: The Great Moon Hoax (1835) -> eerste fake news
Huidige situatie gelijkaardig aan 1830
-> opbrengsten en kosten media goederen
-> twee- en meerzijdige markten en platformen
-> advertentie-inkomsten
-> platformstrategie
,Waarom media-economie?
-> afwijkende econmische karakteristieken media- en cultuurproducten
-> actoren in mediamarkten handelen anders dan actoren in economische markten
-> virtuele, symbolische laag van de economie wint aan belang (vb: Uber)
-> specifieke publieke belangen als uitkomst economische processen in mediasector (vb: gewelddadige
content)
Economische kenmerken 'gewone’ goederen
Goederen -> bezitten en overhandigen
Producent & consument -> afweging hoeveel goederen ze willen (ver)kopen & aan welke prijs
goederen = basis economisch model
Producent
-> hoeveelheid grondstoffen dat je kan aankopen is eindig -> schaarste
-> schaarste -> keuzes
-> welke investering levert mij het meeste op?
Consument
-> schaarste -> keuzes
-> hoeveel is investering waard?
Basisprincipe van de rationele keuze
-> producent en consument maken rationele keuzes bij aankoop-verkoop
-> o.b.v winstmaximalisatie
Vraag en aanbod
,Vrije markt
Equilibrium = marktevenwicht
= snijpunt vraag & aanbod
Overaanbod: aanbod > vraag -> prijsdaling
Overproductie: geproduceerde eenheden kosten
meer dan ze opbrengen
Vrije markt
Verschuiving van de aanbodcurve
De vraag van een product daalt bij een prijsstijging
Bij stijging aanbod – aanbod overstijgt vraagt–prijs
daalt
Wet van afnemende meeropbrengsten
Marginale kost = kost om 1 extra eenheid te
produceren
q = optimale productiehoeveelheid
Winst van extra productie neemt af door
toenemende marginale kost per eenheid
Wanneer productie toeneemt maar aantal klanten
stagneert is MK>MO
MO > MK: extra productie is winstgevend
, MO < MK: extra productie is verlieslatend
Kenmerken traditionele mediagoederen
1. Goederen
-> media-industrie -> publiek goed: informatie (proces, geen product)
-> niet-rivaliserend: consumptie vermindert beschikbaarheid niet (privaat goed wel rivaliserend)
-> niet-exclusief: moeilijk om niet-betalers uit te sluiten (privaat goed wel)
-> Gevolgen:
- geen schaarste
- geen economische logica
- freeriding probleem (collectief dilemma): iedereen wil media gebruiken maar niemand wil ervoor betalen
- publiek goed = bron van marktfalen -> overheid heft belastingen voor financiering publieke goederen
(oplossing marktfalen) + subsidies
MAAR toch manier om binnen media gefinancierde, schaarse goederen te verkopen
-> exploitatie initiële schaarste
-> informatie bundelen met materiële, private goederen
-> toegang en houdbaarheid beperken
-> consumentenmarkt fragmenteren (niches)
-> vb: krant, cd
-> goed gratis weggeven om andere (indirecte) inkomsten te verkrijgen
-> aandacht en data van consument verkopen aan reclamemaker
-> The Attention Economy
Externaliteiten = effecten die koper-verkoper relatie overstijgen
= onbedoelde effecten van economische activiteiten die invloed hebben op derden
=> niet inbegrepen in prijs goed
-> hoe meer externaliteiten hoe minder efficiënt de markt
-> vb: Automerk A is duurder dan Automerk B maar ook vervuilender
-> vb positieve externe effecten media: sociale cohesie, kennisoverdracht, emancipatie,...
-> vb negatieve externe effecten media: geweld, overconsumptie,...
Gevolgen externaliteiten:
- bron marktfalen
- overheidsinterventie: regulering, subsidies, fiscale maatregelen