Pedagogie: samenvatting examens juni
Pedagogie = opvoeding, onderwijs en vorming centraal. Focus op hoe
ontwikkelings-, opvoedings- en leerprocessen verlopen, hoe gezinnen,
scholen, organisaties en bredere maatschappelijke contexten optimale
omstandigheden gecreëerd kunnen worden voor leren en ontwikkeling en
welke ondersteuning nodig is indien opvoeden, leren en ontwikkelen niet
vanzelfsprekend verlopen
Hoofdstuk 1: begripsomschrijving
Definitie van ‘opvoeden’
Hendrickx
Opvoeden = een complex fenomeen/proces + constante wisselwerking
Kern van opvoeden = samenleven
- Functionele vs intentionele opvoeding
o Functioneel: grootste deel van opvoeding, onbewust
o Intentioneel: bewust bezig zijn met opvoeden
Bepaalde dingen belangrijk vinden en daarop focussen
bij bepaalde momenten, deze bewust aanleren
- Impliciete versus expliciete sturing
Opvoeder =
- Gedurende langere tijd
- Dagelijks
- Met een kind samenleeft
- Zich verantwoordelijk weet/voelt voor de toekomst van het kind
o Meer wie we meenemen als consultant (naar wie gaan we
kijken, als er iets misloopt)
o Babysitter = niet effectief betrokken bij opvoeding
o Pleegouder = wel opvoeder, woont samen en is
verantwoordelijk
Opvoeden is…
- Complementair: kijken naar interactie tussen ouder en kind, niet
apart
- Circulair: wisselwerking, invloed = wel asymmetrisch (ouders grotere
invloed op kind dan andersom), deculpabiliserend (onschuldig,
misloop in opvoeding = interactie zit mis)
- Multifactorieel: verschillende beïnvloedende factoren
o Interventies van de ouders
o Kind is actief
o Het leefklimaat: de opvoedingscontext (woonplaats, veilige
buurt, gezinssamenstelling, school,…)
Opvoeding als wetenschap: variabelen
1
,1. Het kind
- Genetische factoren
- Neurobiologische invloeden
- Pre-, peri- en postnatale invloeden
o Pre: lang moeten proberen
o Peri: angst om kindje te verliezen tijdens zwangerschap, als
kinderen dan geboren zijn voorzichtiger zijn
o Post: niet altijd met kind geweest, in begin misschien veel
bezig met werk
Temperamentkenmerken
- Fysieke kenmerken: uiterlijk van meisje was 10 jaar, in werkelijkheid
15, wou losbreken van ouders, maar kon niet
- Geslacht: 3 jongens, maar wouden 1 meisje, was terug zoon meer
problemen
Loskoppelen van verwachtingen van kind = grootste uitdaging voor
ouders
De aard/eigenheid van het kind de manier waarop kind reageert op
pedagogische aanpak van ouders
2. De opvoeder of ouder
Persoonlijkheidskenmerken van de ouder
- Temperament/persoonskenmerken (cognitief, affectief, sociaal,…)
- Leeftijd
- Gezondheid (fysiek en mentaal)
Opvoedingsgeschiedenis
- Indirecte invloed
- Directe invloed
o Intergenerationele overdracht
o Pedagogisch besef (Baartman)
o Belangenconflicten
De manier waarop de ouder opvoedingssituatie vormgeeft
3. De opvoedingscontext
Subsysteem en gezinskenmerken
- Partnerrelatie
o Goed evenwicht tussen emotionele beschikbaarheid + voldoende
autonomie
o Spanning: brengt risico’s mee
o Kan kind isoleren geen binding met buiten gezin is ook
gevaarlijk
2
, o Risico: parentificatie (ouder richt zich tot kind als
medevolwassenen, kind wordt overvraagt)
o Verbaal kun je veel zien over relatie (onderbreken of team)
- Siblings: aantal kinderen, plaats van kinderrij
o Eerste kind meer verantwoordelijkheid
o Laatstgeborene zijn zo van je m’en fou
- Algemene gezinskenmerken
o De gezinsorganisatie
Afgrenzingsprocessen binnen het gezin (ongeschreven
regels in gezin)
Ruimtelijk territorium: eigen plek (aan tafel, in de
zetel,…)
Psychisch territorium: recht op eigen gevoelens te
hebben en deze te uiten
Handelingsterrein: kan je dingen doen die losstaan
van gezin
2 gezinstypes
Kluwen <--> los zand (continuüm)
o Eigen microkosmos <--> hotelsfeer
o Doen alles samen <--> ieder leidt zijn eigen
leven
o Weinig grenzen tussen generaties<-->
zelfstandig
o Geen eigen territorium <--> minder
bescherming
o Veel gezinsregels <--> minder
ondersteuning
o Zien door dezelfde bril <--> minder loyaliteit
o In en met gezin, loskomen wordt bemoeilijkt
Coalitie- en alliantiestructuren
Alliantie: draagt vaak bij bij draagkracht,
verbinding tussen gezinsleden = hechter, bij 1
iemand beter begrepen gevoeld worden, iets
bufferend
Coalitie
o Triangulatie (kan voorkomen in scheiding)
Wisselende kind-ouder coalitie
o Stabiele opvoeder-kind coalitie leiden tot
ouder verstoppingssyndroom, 1 ouder
verstoten
o Detouring zondebokpositie
3
, Parentificatie: niet altijd bewust, meer verwacht
van kind
o De gezinscultuur
= kader van opvattingen, expressieve symbolen en waarden,
in termen waarvan gezinsleden hun situatie, zichzelf en hun
onderlinge betrekkingen definiëren, hun gevoelens uitdrukken
en hun meningen geven
o De gezinsdynamiek
Mogelijke opvoedingsproblemen bij (te veel zelfregulatie,
te weinige zelfregulatie)
Gezin evolueert, behoeften veranderen
De materiële en sociale context
- Materiële mogelijkheden
- Familiale omgeving, buurt en familiekring (netwerk ook bekijken)
o Hoeveelheid mensen rond je hebt, geeft geen indicatie naar
hoe het gaat met persoon
o Het hangt af hoe dat je aanwezigheid van familie ervaart
- De omgeving (appartement waar je alles hoort, of vrijstaand huis)
Opvoedingsmodellen
1. Ecologisch model - Bronfenbrenner
- Wederzijdse beïnvloeding, focus op omgeving
- Verschillende lagen die met elkaar interageren
o Microsysteem (kind direct in contact staat)
o Mesosystem (relaties tussen structuren op microniveau)
o Exosysteem (situaties waarin kind niet aanwezig is, maar wel
invloed zijn op situaties waarin kind wel aanwezig is)
o Macrosysteem (cultuur en subcultuur)
o Chronosysteem (tijdslijn)
2. Procesmodel -
Belsky
- Bufferd system
o Relatie tussen
kwaliteit van
opvoeding en
aantal tekorten
Lineair
Non-lineair,
cumulatief: 3
of meer
4
Pedagogie = opvoeding, onderwijs en vorming centraal. Focus op hoe
ontwikkelings-, opvoedings- en leerprocessen verlopen, hoe gezinnen,
scholen, organisaties en bredere maatschappelijke contexten optimale
omstandigheden gecreëerd kunnen worden voor leren en ontwikkeling en
welke ondersteuning nodig is indien opvoeden, leren en ontwikkelen niet
vanzelfsprekend verlopen
Hoofdstuk 1: begripsomschrijving
Definitie van ‘opvoeden’
Hendrickx
Opvoeden = een complex fenomeen/proces + constante wisselwerking
Kern van opvoeden = samenleven
- Functionele vs intentionele opvoeding
o Functioneel: grootste deel van opvoeding, onbewust
o Intentioneel: bewust bezig zijn met opvoeden
Bepaalde dingen belangrijk vinden en daarop focussen
bij bepaalde momenten, deze bewust aanleren
- Impliciete versus expliciete sturing
Opvoeder =
- Gedurende langere tijd
- Dagelijks
- Met een kind samenleeft
- Zich verantwoordelijk weet/voelt voor de toekomst van het kind
o Meer wie we meenemen als consultant (naar wie gaan we
kijken, als er iets misloopt)
o Babysitter = niet effectief betrokken bij opvoeding
o Pleegouder = wel opvoeder, woont samen en is
verantwoordelijk
Opvoeden is…
- Complementair: kijken naar interactie tussen ouder en kind, niet
apart
- Circulair: wisselwerking, invloed = wel asymmetrisch (ouders grotere
invloed op kind dan andersom), deculpabiliserend (onschuldig,
misloop in opvoeding = interactie zit mis)
- Multifactorieel: verschillende beïnvloedende factoren
o Interventies van de ouders
o Kind is actief
o Het leefklimaat: de opvoedingscontext (woonplaats, veilige
buurt, gezinssamenstelling, school,…)
Opvoeding als wetenschap: variabelen
1
,1. Het kind
- Genetische factoren
- Neurobiologische invloeden
- Pre-, peri- en postnatale invloeden
o Pre: lang moeten proberen
o Peri: angst om kindje te verliezen tijdens zwangerschap, als
kinderen dan geboren zijn voorzichtiger zijn
o Post: niet altijd met kind geweest, in begin misschien veel
bezig met werk
Temperamentkenmerken
- Fysieke kenmerken: uiterlijk van meisje was 10 jaar, in werkelijkheid
15, wou losbreken van ouders, maar kon niet
- Geslacht: 3 jongens, maar wouden 1 meisje, was terug zoon meer
problemen
Loskoppelen van verwachtingen van kind = grootste uitdaging voor
ouders
De aard/eigenheid van het kind de manier waarop kind reageert op
pedagogische aanpak van ouders
2. De opvoeder of ouder
Persoonlijkheidskenmerken van de ouder
- Temperament/persoonskenmerken (cognitief, affectief, sociaal,…)
- Leeftijd
- Gezondheid (fysiek en mentaal)
Opvoedingsgeschiedenis
- Indirecte invloed
- Directe invloed
o Intergenerationele overdracht
o Pedagogisch besef (Baartman)
o Belangenconflicten
De manier waarop de ouder opvoedingssituatie vormgeeft
3. De opvoedingscontext
Subsysteem en gezinskenmerken
- Partnerrelatie
o Goed evenwicht tussen emotionele beschikbaarheid + voldoende
autonomie
o Spanning: brengt risico’s mee
o Kan kind isoleren geen binding met buiten gezin is ook
gevaarlijk
2
, o Risico: parentificatie (ouder richt zich tot kind als
medevolwassenen, kind wordt overvraagt)
o Verbaal kun je veel zien over relatie (onderbreken of team)
- Siblings: aantal kinderen, plaats van kinderrij
o Eerste kind meer verantwoordelijkheid
o Laatstgeborene zijn zo van je m’en fou
- Algemene gezinskenmerken
o De gezinsorganisatie
Afgrenzingsprocessen binnen het gezin (ongeschreven
regels in gezin)
Ruimtelijk territorium: eigen plek (aan tafel, in de
zetel,…)
Psychisch territorium: recht op eigen gevoelens te
hebben en deze te uiten
Handelingsterrein: kan je dingen doen die losstaan
van gezin
2 gezinstypes
Kluwen <--> los zand (continuüm)
o Eigen microkosmos <--> hotelsfeer
o Doen alles samen <--> ieder leidt zijn eigen
leven
o Weinig grenzen tussen generaties<-->
zelfstandig
o Geen eigen territorium <--> minder
bescherming
o Veel gezinsregels <--> minder
ondersteuning
o Zien door dezelfde bril <--> minder loyaliteit
o In en met gezin, loskomen wordt bemoeilijkt
Coalitie- en alliantiestructuren
Alliantie: draagt vaak bij bij draagkracht,
verbinding tussen gezinsleden = hechter, bij 1
iemand beter begrepen gevoeld worden, iets
bufferend
Coalitie
o Triangulatie (kan voorkomen in scheiding)
Wisselende kind-ouder coalitie
o Stabiele opvoeder-kind coalitie leiden tot
ouder verstoppingssyndroom, 1 ouder
verstoten
o Detouring zondebokpositie
3
, Parentificatie: niet altijd bewust, meer verwacht
van kind
o De gezinscultuur
= kader van opvattingen, expressieve symbolen en waarden,
in termen waarvan gezinsleden hun situatie, zichzelf en hun
onderlinge betrekkingen definiëren, hun gevoelens uitdrukken
en hun meningen geven
o De gezinsdynamiek
Mogelijke opvoedingsproblemen bij (te veel zelfregulatie,
te weinige zelfregulatie)
Gezin evolueert, behoeften veranderen
De materiële en sociale context
- Materiële mogelijkheden
- Familiale omgeving, buurt en familiekring (netwerk ook bekijken)
o Hoeveelheid mensen rond je hebt, geeft geen indicatie naar
hoe het gaat met persoon
o Het hangt af hoe dat je aanwezigheid van familie ervaart
- De omgeving (appartement waar je alles hoort, of vrijstaand huis)
Opvoedingsmodellen
1. Ecologisch model - Bronfenbrenner
- Wederzijdse beïnvloeding, focus op omgeving
- Verschillende lagen die met elkaar interageren
o Microsysteem (kind direct in contact staat)
o Mesosystem (relaties tussen structuren op microniveau)
o Exosysteem (situaties waarin kind niet aanwezig is, maar wel
invloed zijn op situaties waarin kind wel aanwezig is)
o Macrosysteem (cultuur en subcultuur)
o Chronosysteem (tijdslijn)
2. Procesmodel -
Belsky
- Bufferd system
o Relatie tussen
kwaliteit van
opvoeding en
aantal tekorten
Lineair
Non-lineair,
cumulatief: 3
of meer
4