VUB 2026
Professor De Bundel
,1. ADHD
Geneesmiddel Werkingsmechanisme Aangrijpingspunt Therapeutisch Belangrijke Opmerkingen / verslavingsrisico
effect neveneffecten
Methylfenidaat Blokkeert heropname DAT & NET Verhoogt Slaapproblemen, Verslavingspotentieel, niet 's avonds geven
van DA/NE aandacht, verminderde eetlust, tics
vermindert
hyperactiviteit
Lisdexamfetamine Prodrug → DAT/NET + VMAT Stimuleert Insomnia, eetlustverlies, Verslavingspotentieel; trage afgifte =
dexamfetamine; prefrontale cortex, angst, prikkelbaarheid minder 'high'. Groei van kinderen
release van DA/NE verbetert controleren.
concentratie
Atomoxetine Blokkeert NET NET Verhoogt NE en Stemmingswisselingen, Geen verslavingspotentieel; metabolisme
DA in PFC GI-klachten, zelden QT- via CYP2D6
verlenging
Beste medicatie voor comorbide angst
Guanfacine α2A-adrenerge Postsynaptische Verbetert Slaperigheid, hypotensie, Geen verslavingspotentieel, sedatief effect
receptor agonist; α2A-receptoren aandacht, bradycardie,
afgifte NA stabieler vermindert gewichtstoename
impulsiviteit
Dexamfetamine Verhoogt DA/NE DAT/NET + VMAT Stimulatie PFC, Hypertensie, Verslavingspotentieel; alleen bij
afgifte via inversie van focus en drive slapeloosheid, tics, onvoldoende respons op methylfenidaat
transport psychiatrische
bijwerkingen
Desipramine / Blokkeert NE > 5-HT NET Verbetert Cardiotoxisch, TCA, terughoudend gebruik
Imipramine heropname + aandacht, vooral anticholinerge
monoamine-remmer bij comorbiditeit bijwerkingen
Atomoxetine, Dexamfetamine en amfetamine verhogen concentratie in de PFC → minder impulsen.
,De twee modellen van ADHD
Het netwerkmodel legt ADHD uit als een probleem in de communicatie tussen verschillende hersennetwerken die verantwoordelijk zijn voor aandacht,
taakgericht gedrag en het filteren van irrelevante prikkels. Drie netwerken spelen hierin een centrale rol:
• Default Mode Network (DMN), actief tijdens rust en dagdromen.
• Central Executive Network (CEN), dat geactiveerd wordt bij concentratie en taken.
• Salience Network (SN), dat helpt schakelen tussen rust en taakmodus.
Bij ADHD is de afstemming tussen deze netwerken verstoord. Vooral het DMN blijft te actief tijdens taken, waardoor focussen moeilijk is. Medicatie zoals
methylfenidaat verbetert de netwerkcommunicatie.
Het catecholamine- of arousalmodel beschrijft ADHD als een stoornis van te lage niveaus van de neurotransmitters dopamine (DA) en noradrenaline (NE) in de
prefrontale cortex – het hersengebied dat betrokken is bij aandacht, impulscontrole en planning. Bij ADHD is dit systeem onderactief, waardoor signalen minder
efficiënt worden verwerkt en ruis ontstaat → aandachtsproblemen, hyperactiviteit en impulsiviteit. Stimulantia verhogen DA/NE → werking van het prefrontale
netwerk verbetert.
,DAT vs. NET vs. α2A in detail
DAT (Dopaminetransporter) → NET (Noradrenalinetransporter) → α2A-agonist → centrale & sympathische
verslavingspotentieel centrale & sympathische stimulatie sedatie
Welke medicijnen? Methylfenidaat, Methylfenidaat, Guanfacine
dexamfetamine/lisdexamfetamine dexamfetamine/lisdexamfetamine,
(in mindere mate) atomoxetine
Waarom? Blokkeren heropname of verhogen Blokkeren of verhogen NA → meer α2A-receptoren zijn remmend, vooral in de
vrijgave van DA → dopamine is sterk NA in hersenen en perifeer. Centraal: hersenen (PFC) en in het sympathisch
betrokken bij beloning en plezier. meer alertheid, focus (PFC). zenuwstelsel. Activeren → vermindering
Extra DA → pleziergevoel → Sympathisch: ↑ HS en BD → neuronale excitatie. Centrale sedatie:
verslavingsrisico. slapeloosheid, angst. kalmerend; sympathische sedatie: HS en BD
omlaag.
Kernidee Alles wat direct dopamine in de Alles wat NA verhoogt → alert maar α2A-agonisten vertragen activiteit —
beloningsbanen verhoogt kan ook lichamelijke stimulatie → tegenovergesteld aan stimulantia.
verslavend zijn. cardiovasculaire neveneffecten.
Samenvattend:
DAT → dopamine → plezier → verslaving.
NET → noradrenaline → alertheid & stimulatie.
α2A → remming → kalm & (te) lage bloeddruk/hartslag.
,2. Angststoornissen
Neurotransmitters bij angst
Neurotransmitter Functie Effect op angst Werking medicatie Analogie
Serotonine (5-HT) Reguleert Dubbelrol: 5-HT1A = SSRI's: eerst tijdelijke Twee managers: één zegt 'Rustig aan' (5-HT1A), één zegt
stemming, angst, angstremmend, 5-HT2C toename 5-HT → meer 'Aan de slag!' (5-HT2C). SSRI's geven de rustmanager de
geluk = angstverhogend angst; op termijn: 5-HT1A leiding.
sterker, 5-HT2C zwakker →
minder angst
Noradrenaline (NA) Arousal, alertheid, Verhoogt angst via β1- SNRI's: blokkeren De wekker van je brein; medicatie zet het volume
'vecht/vlucht' receptoren in de heropname → minder β1 zachter.
amygdala → minder angst. Clonidine:
remt afgifte NA → kalmer.
GABA Belangrijkste Te weinig → Benzodiazepines: Het rempedaal van het brein; benzodiazepines trappen
remmende overprikkeling → meer versterken GABA → directe extra hard.
neurotransmitter angst angstremming en sedatie.
Glutamaat Belangrijkste Te veel → overstimulatie Pregabaline: vermindert Het gaspedaal van het brein; pregabaline haalt het iets
stimulerende → neurotoxiciteit → glutamaatafgifte → terug.
neurotransmitter meer angst kalmeert zenuwcellen.
,Neurobiologische oorzaak van angst
Aanleg + stress → HPA-as ontregeld → te veel cortisol → schade aan het brein (minder nieuwe cellen, verminderde flexibiliteit).
• Amygdala (alarmcentrum) → hyperactief → constant angstsignaal.
• Prefrontale cortex (controlecentrum) → hypoactief → kan het alarm niet uitzetten.
Resultaat: het lichaam staat continu in alarmstand, ook zonder echt gevaar → gevoelens van angst, verhoogde alertheid en vermijding.
Algemene behandelprincipes
• Psychotherapie (CGT) is altijd de eerste keuze.
• SSRI's / SNRI's zijn de basis van medicamenteuze behandeling.
• Benzodiazepines (oxazepam, alprazolam) zijn tweedelijns vanwege afhankelijkheidsrisico; alleen kortdurend of incidenteel.
• Vermijd cafeïne: kan lichamelijke angstklachten verergeren.
, Eerste keuzes per angststoornis
Stoornis 1e keus therapie 1e keus medicatie Alternatieven Belangrijke notities
Gegeneraliseerde CGT, relaxatietherapie SSRI / SNRI (escitalopram, 1. Pregabaline 2. TCA Benzodiazepines alleen 2e keus
angststoornis (GAD) venlafaxine) (imipramine) 3. i.v.m. verslavingsrisico.
Benzodiazepines
(kortdurend)
Sociale angststoornis (SAD) CGT / psychotherapie SSRI / SNRI (venlafaxine 1. Benzodiazepines (voor Podiumvrees: bètablokker
voor onderhoud) gegeneraliseerde angst) 2. (propranolol) aanbevolen, géén
MAO-remmers benzo.
Paniekstoornis (PD) Psychotherapie, blootstelling SSRI / SNRI 1. TCA (clomipramine) 2. Antidepressiva: kans op herval bij
Benzodiazepines stoppen.
(kortdurend)
Specifieke fobie CGT + blootstellingstherapie Meestal geen medicatie 1. SSRI/TCA (bij dagelijks Medicatie zelden eerste keuze;
nodig lijden) 2. Benzodiazepine focus op therapie.
(incidenteel, lage dosis)
OCD CGT + Exposure & Response SSRI (vaak hoge dosis) 1. Ander SSRI 2. SSRI + Medicatie ondersteunt therapie.
Prevention antipsychoticum
(risperidon) 3.
Clomipramine (TCA) 4.
Clomipramine +
antipsychoticum
PTSD Traumatherapie (EMDR, SARI, SSRI (sertraline, 1. SNRI (venlafaxine) 2. Therapie is cruciaal; medicatie
blootstelling) paroxetine) Prazosine (voor ondersteunt.
nachtmerries)