KTH2: Didactiek
Bach1 KINE | GV 2025-2026
Les 1 – Didactiek: Inleiding & Basiscomponenten
1. Bewegingsvormen, spelvormen en oefenvormen
Type Definitie Doel / Voorbeelden
Bewegingsvormen Basisvormen van bewegen; vaak Motorische basisvaardigheden; lopen,
natuurlijke bewegingen springen, kruipen, klimmen, rollen,
balanceren, werpen en vangen
Spelvormen Activiteiten met speels karakter, regels, Plezier, sociale interactie, cognitieve
competitie of samenwerking uitdaging; tikkertje, balspelen, estafettes
Oefenvormen Gestructureerde oefeningen met specifiek Kracht, lenigheid, coördinatie, functieherstel;
trainings- of revalidatiedoel squats, stretching, core stability,
evenwichtsoefeningen
Waarom spelvormen integreren? Ze hebben een hoge motivatiewaarde, creëren een groepsgebeuren en
spreken mentale én motorische functies aan. Ze zijn toepasbaar in educatie, recreatie en revalidatie.
Spelbegrippen: play (existentieel levensfenomeen) | game (spel met regels) | match (competitief,
georganiseerd, met winnaar).
2. Didactiek
Didactiek = het proces van analyseren, voorbereiden, uitvoeren en evalueren van onderwijs of training.
• Beginsituatie analyseren
• Les voorbereiden (doelen, subdoelen, differentiatie, materiaal, opstelling, lesopbouw)
• Uitvoeren
• Evalueren en reflecteren
3. Het didactisch model – 5 basisvragen
Vraag Wat
Wie geeft les? De instructor, kinesitherapeut of therapeut
Aan wie? De sporters of deelnemers
In welke omstandigheden? De omgeving (ruimte, materiaal, veiligheid)
Wat wil ik bereiken? De leerdoelen
Hoe bereik ik die doelen? De methoden
4. Methodiek
Methodiek = de systematische aanpak om een doel te bereiken. Het gaat over hóé je iets aanpakt.
Kenmerken: doelgericht, systematisch, didactisch onderbouwd, aangepast aan doelgroep en context.
Voorbeelden: van eenvoudig naar complex, stationsmethode, functionele training, circuittraining, coöperatieve
werkvormen.
5. Basiscomponenten van beweging
Gezondheid-gerelateerde fitness (GGF) – gezond leven, preventie
Component Definitie Determinanten Training
Cardiorespiratoire Langdurig energie Fysiologisch, Aerobe uithouding,
uithouding leveren, vermoeidheid neuromusculair, anaerobe uithouding
uitstellen psychologisch,
, biomechanisch, omgeving
Kracht Spanning ontwikkelen Biomechanica, Maximale kracht,
tegen weerstand neuromusculaire factoren, hypertrofie, explosief,
morfologie excentrisch
Krachtuithouding Langdurig submaximaal Metabool, Hoge herhalingen, lage–
kracht leveren spiervezelsamenstelling, matige belasting, circuits,
neuromusculair isometrie
Flexibiliteit Gewricht pijnvrij door Anatomie, spier- Statisch, dynamisch,
grote ROM bewegen peeskenmerken, PNF, ballistisch,
neuromusculair, extern myofasciaal
Lichaamssamenstelling Verhouding vetmassa / Genetica, leeftijd, Voeding + beweging
vetvrije massa geslacht, hormonen, (combinatie)
voeding, activiteit, slaap,
stress
Vaardigheid-gerelateerde fitness (VGF) – atletische capaciteiten
Component Definitie Determinanten Training
Evenwicht Lichaam in stabiele Sensorische input, Statisch, dynamisch,
positie houden spierkracht, proprioceptie, core
neuromusculaire controle, stability, progressie
leeftijd, omgeving
Reactietijd Tijd tussen prikkel en start Zenuwgeleiding, Reactieoefeningen,
motorische respons cognitieve verwerking, cognitieve drills,
aandacht, vermoeidheid, plyometrie, sportspecifiek
type stimulus
Coördinatie Lichaamsdelen efficiënt Sensorische integratie, Ritme, ladders,
laten samenwerken motor planning, ervaring, precisietaken, variaties in
neuromusculair snelheid en richting
Wendbaarheid Snel en efficiënt van Snelheid, kracht, Agility drills,
richting veranderen reactietijd, coördinatie, richtingsveranderingen,
mobiliteit plyometrie
Snelheid Beweging zo snel Type II vezels, techniek, Sprint, techniek,
mogelijk uitvoeren reactietijd, kracht, plyometrie,
neuromusculaire activatie weerstandstraining
Power Snel een grote kracht Max kracht, type II vezels, Plyometrie, olympische
produceren (kracht × peesstijfheid, lifts, medicinbalworpen,
snelheid) neuromusculair explosieve krachttraining
, Les 2 – De 5 Bouwstenen van Didactiek
Elke goede lesvoorbereiding steunt op vijf bouwstenen: Instructor – Context – Doelen – Deelnemers –
Methode.
Bouwsteen 1 – Instructor
De instructor is een centrale factor. De Zelfdeterminatietheorie (ZDT) beschrijft drie kwaliteiten:
Autonomie
• Autonomieondersteunend lesgeven werkt motiverend
• Taalgebruik: 'je kunt' of 'misschien kun je' in plaats van 'je moet'
• Inspraak geven, perspectief innemen, keuzes aanbieden
Verbondenheid / Betrokkenheid
• Warmte tonen, interesse tonen
• Inleven in de deelnemer, vertrouwen opbouwen
Competentie
Structuur helpt deelnemers zich competent te voelen:
• Overzicht geven van lessenreeks en lesopbouw
• Verwachtingen en doelstellingen expliciteren
• Concrete feedback (sandwichprincipe)
• Vragen stellen en controleren voor begrip
Communicatie
Type Kenmerken
Verbaal Kort en to the point; timing en opbouw van complexiteit; concreet en specifiek;
aangepast aan groep; variatie in intonatie; verificatie van begrip
Non-verbaal Belangrijker dan verbale communicatie; moet overeenkomen met verbale
boodschap; veel gebruikt in sportcontext
Demonstratie Iedereen moet het kunnen zien; correct en volledig; minstens één keer op gewenst
tempo; vanuit verschillende hoeken; demo + instructie combineren
Tools Video, foto, whiteboard, kijkwijzers, tutorials
Bouwsteen 2 – Context
Aspect Aandachtspunten
Fysieke context Binnen vs. buiten, droog vs. nat, veiligheid, materiaalkeuze, overzicht behouden,
afstand tussen deelnemers
Sociale veiligheid Vertrouwen, mentale gezondheid, ethiek en integriteit, correcte omgang met
aanraking
Diversiteit Fysieke en motorische vaardigheden, cognitieve mogelijkheden, motivatie, ervaring,
leerstijl, mentale gezondheid
Groepskenmerken Homogeen vs. heterogeen; functioneel profiel: kracht, snelheid, lenigheid,
uithouding, cognitieve vaardigheden, motivatie, leeftijd, ervaring
Bouwsteen 3 – Doelen
Categorieën doelstellingen
Categorie Voorbeelden
Motorisch Armkracht ontwikkelen, looplooppatroon verbeteren
Psychomotorisch Lichaamsperceptie, ruimteperceptie, tijdsperceptie
Perceptueel-motorisch Oog-handcoördinatie
Bach1 KINE | GV 2025-2026
Les 1 – Didactiek: Inleiding & Basiscomponenten
1. Bewegingsvormen, spelvormen en oefenvormen
Type Definitie Doel / Voorbeelden
Bewegingsvormen Basisvormen van bewegen; vaak Motorische basisvaardigheden; lopen,
natuurlijke bewegingen springen, kruipen, klimmen, rollen,
balanceren, werpen en vangen
Spelvormen Activiteiten met speels karakter, regels, Plezier, sociale interactie, cognitieve
competitie of samenwerking uitdaging; tikkertje, balspelen, estafettes
Oefenvormen Gestructureerde oefeningen met specifiek Kracht, lenigheid, coördinatie, functieherstel;
trainings- of revalidatiedoel squats, stretching, core stability,
evenwichtsoefeningen
Waarom spelvormen integreren? Ze hebben een hoge motivatiewaarde, creëren een groepsgebeuren en
spreken mentale én motorische functies aan. Ze zijn toepasbaar in educatie, recreatie en revalidatie.
Spelbegrippen: play (existentieel levensfenomeen) | game (spel met regels) | match (competitief,
georganiseerd, met winnaar).
2. Didactiek
Didactiek = het proces van analyseren, voorbereiden, uitvoeren en evalueren van onderwijs of training.
• Beginsituatie analyseren
• Les voorbereiden (doelen, subdoelen, differentiatie, materiaal, opstelling, lesopbouw)
• Uitvoeren
• Evalueren en reflecteren
3. Het didactisch model – 5 basisvragen
Vraag Wat
Wie geeft les? De instructor, kinesitherapeut of therapeut
Aan wie? De sporters of deelnemers
In welke omstandigheden? De omgeving (ruimte, materiaal, veiligheid)
Wat wil ik bereiken? De leerdoelen
Hoe bereik ik die doelen? De methoden
4. Methodiek
Methodiek = de systematische aanpak om een doel te bereiken. Het gaat over hóé je iets aanpakt.
Kenmerken: doelgericht, systematisch, didactisch onderbouwd, aangepast aan doelgroep en context.
Voorbeelden: van eenvoudig naar complex, stationsmethode, functionele training, circuittraining, coöperatieve
werkvormen.
5. Basiscomponenten van beweging
Gezondheid-gerelateerde fitness (GGF) – gezond leven, preventie
Component Definitie Determinanten Training
Cardiorespiratoire Langdurig energie Fysiologisch, Aerobe uithouding,
uithouding leveren, vermoeidheid neuromusculair, anaerobe uithouding
uitstellen psychologisch,
, biomechanisch, omgeving
Kracht Spanning ontwikkelen Biomechanica, Maximale kracht,
tegen weerstand neuromusculaire factoren, hypertrofie, explosief,
morfologie excentrisch
Krachtuithouding Langdurig submaximaal Metabool, Hoge herhalingen, lage–
kracht leveren spiervezelsamenstelling, matige belasting, circuits,
neuromusculair isometrie
Flexibiliteit Gewricht pijnvrij door Anatomie, spier- Statisch, dynamisch,
grote ROM bewegen peeskenmerken, PNF, ballistisch,
neuromusculair, extern myofasciaal
Lichaamssamenstelling Verhouding vetmassa / Genetica, leeftijd, Voeding + beweging
vetvrije massa geslacht, hormonen, (combinatie)
voeding, activiteit, slaap,
stress
Vaardigheid-gerelateerde fitness (VGF) – atletische capaciteiten
Component Definitie Determinanten Training
Evenwicht Lichaam in stabiele Sensorische input, Statisch, dynamisch,
positie houden spierkracht, proprioceptie, core
neuromusculaire controle, stability, progressie
leeftijd, omgeving
Reactietijd Tijd tussen prikkel en start Zenuwgeleiding, Reactieoefeningen,
motorische respons cognitieve verwerking, cognitieve drills,
aandacht, vermoeidheid, plyometrie, sportspecifiek
type stimulus
Coördinatie Lichaamsdelen efficiënt Sensorische integratie, Ritme, ladders,
laten samenwerken motor planning, ervaring, precisietaken, variaties in
neuromusculair snelheid en richting
Wendbaarheid Snel en efficiënt van Snelheid, kracht, Agility drills,
richting veranderen reactietijd, coördinatie, richtingsveranderingen,
mobiliteit plyometrie
Snelheid Beweging zo snel Type II vezels, techniek, Sprint, techniek,
mogelijk uitvoeren reactietijd, kracht, plyometrie,
neuromusculaire activatie weerstandstraining
Power Snel een grote kracht Max kracht, type II vezels, Plyometrie, olympische
produceren (kracht × peesstijfheid, lifts, medicinbalworpen,
snelheid) neuromusculair explosieve krachttraining
, Les 2 – De 5 Bouwstenen van Didactiek
Elke goede lesvoorbereiding steunt op vijf bouwstenen: Instructor – Context – Doelen – Deelnemers –
Methode.
Bouwsteen 1 – Instructor
De instructor is een centrale factor. De Zelfdeterminatietheorie (ZDT) beschrijft drie kwaliteiten:
Autonomie
• Autonomieondersteunend lesgeven werkt motiverend
• Taalgebruik: 'je kunt' of 'misschien kun je' in plaats van 'je moet'
• Inspraak geven, perspectief innemen, keuzes aanbieden
Verbondenheid / Betrokkenheid
• Warmte tonen, interesse tonen
• Inleven in de deelnemer, vertrouwen opbouwen
Competentie
Structuur helpt deelnemers zich competent te voelen:
• Overzicht geven van lessenreeks en lesopbouw
• Verwachtingen en doelstellingen expliciteren
• Concrete feedback (sandwichprincipe)
• Vragen stellen en controleren voor begrip
Communicatie
Type Kenmerken
Verbaal Kort en to the point; timing en opbouw van complexiteit; concreet en specifiek;
aangepast aan groep; variatie in intonatie; verificatie van begrip
Non-verbaal Belangrijker dan verbale communicatie; moet overeenkomen met verbale
boodschap; veel gebruikt in sportcontext
Demonstratie Iedereen moet het kunnen zien; correct en volledig; minstens één keer op gewenst
tempo; vanuit verschillende hoeken; demo + instructie combineren
Tools Video, foto, whiteboard, kijkwijzers, tutorials
Bouwsteen 2 – Context
Aspect Aandachtspunten
Fysieke context Binnen vs. buiten, droog vs. nat, veiligheid, materiaalkeuze, overzicht behouden,
afstand tussen deelnemers
Sociale veiligheid Vertrouwen, mentale gezondheid, ethiek en integriteit, correcte omgang met
aanraking
Diversiteit Fysieke en motorische vaardigheden, cognitieve mogelijkheden, motivatie, ervaring,
leerstijl, mentale gezondheid
Groepskenmerken Homogeen vs. heterogeen; functioneel profiel: kracht, snelheid, lenigheid,
uithouding, cognitieve vaardigheden, motivatie, leeftijd, ervaring
Bouwsteen 3 – Doelen
Categorieën doelstellingen
Categorie Voorbeelden
Motorisch Armkracht ontwikkelen, looplooppatroon verbeteren
Psychomotorisch Lichaamsperceptie, ruimteperceptie, tijdsperceptie
Perceptueel-motorisch Oog-handcoördinatie