De attributietheorie verklaart hoe we ons eigen gedrag en het gedrag van anderen verklaren en
waaraan we successen en mislukkingen toeschrijven
Interne attributie = wanneer we het gedrag toeschrijven aan de persoon zelf
Externe attributie = wanneer we van oordeel zijn dat de situatie het gedrag heeft uitgelokt
Heider (1958) ontdekte dat we de neiging hebben om interne attributies te verkiezen boven externe
attributies wat het gedrag van anderen betreft: onze aandacht wordt vooral getrokken door mensen die
als een figuur verschijnen op een achtergrond die gevormd wordt door de situatie.
Gedrag kan zowel aan interne als externe factoren worden toegeschreven
Causale attributie (of de vraag waarom iemand zich zo gedraagt)
Waar leggen we de oorzaak van ons eigen gedrag en dat van anderen? Waaraan schrijven we
successen en mislukkingen toe?
Dit bepaalt ons gevoel en gedrag (bv therapietrouwheid, trainingsarbeid, stress, faalangst)
Casuale attributie
Alle mensen zijn amateurpsychologen: mensen zoeken steeds naar redelijke verklaring van
gedrag
Interne vs externe attributies: persoon of situatie is hoofdoorzaak van gedrag
Voorkeur voor interne attributies bij anderen omwille van figuur-achtergrond:
situatie vormt slechts de achtergrond waartegen we anderen waarnemen (=
fundamentele attributiefout, althans in het Westen)
De normatieve attributietheorie van Kelley: het covariatiemodel
Kelleys covariatiemodel: volgens dit model verklaren mensen gedrag in termen
van 3 mogelijke oorzaken
- de persoon
- de situatie
OF
- het moment
Mensen zoeken systematisch met alle beschikbare informatie naar de oorzaak van
het gedrag
Deze drie mogelijke attributies zijn vooral af te leiden uit drie bronnen van informatie:
- consistentie: gedraagt deze persoon zich steeds op deze manier?
- Consensus: gedragen anderen zich op dezelfde manier in deze situatie?
- Kenmerkendheid: lokken andere situaties bij deze persoon hetzelfde gedrag
uit?
Stel dat we een kennis ruzie zien maken in een bekend studentencafé. Volgens het covariatiemodel
stellen we ons vervolgens de vragen: (café = situatie)
- Maken veel mensen ruzie in dat studentencafé (maw in deze situatie)? = consensus
- Maakt deze kennis vaak ruzie met mensen in andere situaties? = consistentie
- Maakt deze kennis vaak ruzie in dit studentencafé, ongeacht hoeveel hij gedronken heeft, of hij
moe is, of het druk is in het café, enz? = kenmerkendheid
We schrijven het gedrag toe aan de persoon (‘het is een ruziezoeker’) indien: consensus en
kenmerkendheid laag zijn en consistentie hoog is. We maken dan een interne attributie.
Wanneer zowel conensus als kenmerkendheid hoog zijn en de consistentie laag is, dan schrijven we het
gedrag toe aan de situatie (‘in dit café wordt vaak ruzie gemaakt’ : een externe attributie).
Bij hoge kenmerkendheid maar lage concensus en consistentie schrijven we het gedrag toe aan de
specifieke omstandigheden van een bepaald moment (‘de man was waarschijnlijk erg moe of
gespannen toen hij ruziede met de cafébaas’).
Het covariatiemodel van Kelley is gebaseerd op de veronderstelling dat mensen hun attributies op een
rationele, logische manier maken
Interne oorzaken worden aangehaald als:
Consensus laag, consistentie hoog, kenmerkendheid laag
Externe oorzaken worden aangehaald als: