KERNCONCEPTEN
TE KENNEN TEKST: DE COMPLEXE STAATSTRUCTUUR
Centrale vragen binnen het vak!!
1. Wat zijn de verschillende agogische sectoren?
a. Rond welke sociale vraagstukken werken ze vandaag? Welke groepen
willen ze bereiken? En waarom doen ze dit?
b. Wet zijn verschillende praktijken binnen deze sectoren?
c. Wat zijn belangrijke organisaties binnen de sectoren?
d. Met welke uitdagingen worden deze sectoren vandaag en in de toekomst
geconfronteerd?
2. 2. Wat is het beleidskader van de verschillende sectoren?
a. Wat zijn belangrijkste decreten en wat is de inhoud daarvan?
b. Welke invloed oefent het beleid op de sector uit, en omgekeerd?
c. Welke spanningsvelden bestaan er tussen beleid en praktijk binnen de
sectoren?
1. AGOGISCHE SECTOREN
‘Agogische sector’: een specifiek gebied dat zich richt op het begeleiden,
ondersteunen en stimuleren van individuen, groepen of gemeenschappen om positieve
veranderingen in hun leven te realiseren
4 agogische sectoren
- Culturele agogie (musea, cultuurcentra)
- Sociale agogie (buurtwerk, CAW, armoede organisaties)
- Vrijetijds agogie (jeugdwerk, verenigingen)
- Onderwijsagogie (basiseducatie, volwassenonderwijs)
Vaak idee dat ‘Agogiek’ synoniem is voor ‘Sociaal Cultureel Werk’ -> zeker link, maar
gaat veel breder!!
Verschil sociaal werk en agogische we = agogiek meer op organisatie niveau +
onderzoek, sociaal werk meer op meso en micro
Het kan elkaar ook overlappen vb. bij jeugdwerk/sportclubs het sociale waarbij ze
omgaan met kwetsbare situaties MAAR OOK, sociaal artistiek werk, kunst en cultuur
samenbrengen en combineren met maatschappelijke thema’s
1
Beleid en praktijk van de agogische sectoren
,Een agogische praktijk verwijst naar de concrete activiteiten, methoden en
interventies die worden ingezet binnen organisaties die actief zijn in de agogische sector.
- Het verwijst dus naar de wijze waarop een organisatie haar
missie/visie/doelstellingen vertaalt naar concrete acties, diensten of programma’s
(vb. Habbekrats?)
- Wijze waarop praktijk beoefend wordt: veranderingsgericht, focus op het proces,
belang van eigenaarschap
- Heel divers en moeilijk af te bakenen
o Dit kan gaan om het opzetten van trajectbegeleiding (micro-individu), het opzetten
van community-projecten (meso-organisaties), of het voeren van
beleidsbeïnvloeding (macro-beleid)
o Richten op verschillende groepen in de samenleving – van heel breed
(vb.jongeren/ouderen) tot specifiek (vb. ouderen met een mentale beperking,
moeders in kwetsbare situatie)
o Vb. Jeugdwerk – vrijetijdsbesteding maar wanneer focus specifiek ligt op
ondersteuning van jongeren in maatschappelijk kwetsbare situaties krijgt het
sociale ook de aandacht
o Vb. Sportclubs – vrijetijdsbesteding maar wanneer focus specifiek ligt op
ondersteuning van mensen in maatschappelijk kwetsbare situaties krijgt het
sociale ook de aandacht
o Vb. Sociaal artistiek werk – combinatie van culturele en sociale veld aangzien het
kunst en cultuur combineert met maatschappelijke thema’s
2. BELEID – INGEWIKKELDE STAATSSTRUCTUUR
‘Institutionele lasagne’ = maakt bevoegdheden versnipperd
- Lid van de Europese Unie
- Federale staat
- 3 gemeenschappen (Vlaamse, Franse, Duitstalige)
- 3 gewesten (Vlaanderen, Wallonië, Brussel Hoofdstedelijk gewest)
- 10 provincies
- 565 gemeenten – lokaal bestuur
6 beleidsniveaus die elk eigen bevoegdheden
hebben
Alle Belgische beleidsniveaus zijn ondergeschikt
aan het Europese beleidsniveau (geen
beslissingen nemen die hiermee in strijd zijn)
Geen hiërarchie tussen federale,
gemeenschaps- en gewestelijk beleidsniveau =
beslissingen op voet van gelijkheid maar in
verschillende domeinen
Provinciaal en gemeentelijk beleidsniveau
ondergeschikt aan bovenstaande niveaus
(van ‘Stichting van België als federale constitutionele monarchie 1830 tot 6 e staatshervorming
(sinds 2014))
2
Beleid en praktijk van de agogische sectoren
,Welk beleidsniveau heeft welke bevoegdheden?
- De Belgische Federale overheid = bevoegdheden die niet expliciet toegewezen zijn aan
gemeenschappen of gewesten. Vb. buitenlandse zaken, landsverdediging, veiligheid,
justitie, sociale zakerheid, belangrijke delen van volksgezondheid en binnenlandse zaken
- De Gemeenschappen vertegenwoordigen de 3 taalgroepen. Ze zijn bevoegd voor
persoonsgebonden materies zoals cultuur (theater, bib, etc), onderwijs,
gezondheidsbeleid en bijstand aan personen (vb. jeugdhulp, familiehulp). In Brussel nog de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) als ‘vierde gemeenschap’.
- De 3 Gewesten hebben grote regionale autonomie Ze staan in voor de economische
belangen op hun grondgebied en de plaatsgebonden materies zoals ruimtelijke
ordening, wonen en huisvesting, leefmilieu, natuurbehoud, waterbeleid, landbouw en
zeevisserij, economie, toerisme, dierenwelzijn, energiebeleid, gemeenten, provincies,
openbare werken en vervoer, etc.
- De lokale besturen, de gemeentelijke bevoegdheden zijn erg ruim, omvatten alles wat te
maken heeft met gemeentelijk belang = collectieve noden van de inwoners. Gemeenten
zijn bevoegd voor openbare werken, sociale bijstand, huisvesting, onderwijs, etc (onder
toezicht van federale staat, gemeenschappen, gewesten en provincies).
2.1 8 BELEIDSDOMEINEN VAN DE VLAAMSE OVERHEID
(1 parlement en 1 regering voor de Vlaamse Gemeenschap en Vlaamse Gewest)
- Beleidsdomein Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie (KBBJ)
- Beleidsdomein Financiën en Begroting (FB)
- Beleidsdomein Onderwijs en Vorming (OV)
- Beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG)
- Beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media (CJSM)
- Beleidsdomein Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie, Landbouw en Sociale
Economie’ WEWILS
- Beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken (MOW)
- Beleidsdomein Omgeving (OMG)
Elk beleidsdomein bestaat uit een departement en 1 (of meer) agentschappen
Elk beleidsdomein (verschillende beleidsvelden): KENNE
N
Ministeriële verantwoordelijkheid
- Beleidsraad (= forum voor bevoegde ministers en de verbonden
agentschappen), managementcomité (=beheersmatig), strategische adviesraad
(=vertegenwoordigers uit middenveld, experten, etc)
- Departement = zorgt voor de beleidsvoorbereiding en de beleidsondersteuning.
Het werkt onder het directe gezag en onder de verantwoordelijkheid van de
minister (voorbereiding van regeringsbeslissingen)
o Departement luistert en na goedstemming -> agentschap -> beleid gaan vormen
- Agentschap = focus op ondersteuning en uitvoering van beleid (vb. toekennen
van subsidies). Het heeft een grotere mate van autonomie. Daarom spreekt men
ook over 'verzelfstandigde' agentschappen
3
Beleid en praktijk van de agogische sectoren
, o Intern verzelfstandigd agentschap = worden aangestuurd door bevoegde
minister (vb. Opgroeien)
o Extern verzelfstandigd agentschap = worden niet rechtstreeks geleid door
minister maar beschikken over eigen raad van bestuur en dus meer
autonomie in hun werking (vb. Agentschap integratie en inburgering)
4
Beleid en praktijk van de agogische sectoren