ONTWIKKELINGSFYSIOLOGIE
1. ONTWIKKELING: GROEI EN DIFFERENTIATIE
- Optimale opname water en mineralen
- Fotosynthese
- Reproductie(bestuiving en verspreiding)
- Planten voorzien bij alle leven van
o O2
o C-verbindingen
o Energie
o Bron van hernieuwbare grondstoffen (bv vezels)
- Planten
o = sedentaire organismen(meestal in bodem vast)
o Sessiel en autotroof
o Constant blootgesteld aan allerhande onvoorspelbare stressfactoren in een
constant veranderende omgeving
o Continue, open(modulair)
o Vooral Post-embryonale ontwikkeling in functie van de omgeving
- Eenvoudige embryogenese
o Apicale-basale polariteit:
● Apicale cel: embryo
● Basale cel: suspensor🡪vasthecht aan endosperm🡪voorzie
voedseltransport
o Globulaire stadium:
▪ Basisweefsels worden gegenereerd(dermaal,vasculair en grond)🡪radiaal
patroon en geen gastrulatie
o Ontwikkelen cotyledonen(zaadlobben)
▪ Bij dicotylen is die een hartvorm
o Torpedostadium
▪ Uitgroeien van deze cotyledonen
▪ Achteruitgaan suspensor
▪ Vestigen apicale meristemen
o Na (gebogen) cotyledonen stopt de embryogenese
o Mature zaad: droogt uit, dormant door kieming
, Ontwikeling (postembryonale)
Ontwikkelingsfysiologie: de controle van groei en differentiatie(fenotype) door
- Genotype
- Milieufactoren
- Groeifactoren/hormonen
2. GROEI
2.1 ALGEMEEN
o Eencellige organismen: toename aantal cellen in functie van de tijd
o Meercellige organismen: lengte toenemen- groei in één richting
▪ Andere gevallen: verandering in droogtegewicht versgewicht in
tijdseenheid
o Droge gewicht: kan toenemen zonder groei
o Versgewicht: sterk schommelen zonder groeiveranderingen (bv verdamping)