Semester 2
Inleiding
Terminologie: wat bedoelen we precies met “lezen” en “spellen”?
Technisch lezen of leren decoderen
Begrijpend lezen
Studerend lezen
Aanleren positieve houding leesmateriaal
Lezen
Technisch lezen
Vlot en correct decoderen van geschreven woorden. Letters klanken woorden
uitspreken. Het gaat niet over begrijpen wat je leest maar over juist en vlot lezen:
Juist/ accuraat
Vlot/ tempo/ automatisatie
Begrijpend lezen
Je leest een tekst en begrijpt wat er staat qua inhoud.
Studerend lezen
Je leest om informatie uit een tekst te halen en hieruit te leren.
Aanleren positieve houding leesmateriaal
Leerlingen motiveren om lezen leuk en interessant te vinden. Zodat ze er met meer
plezier en aandacht met bezig zijn.
Spellen
Het omzetten van klanken naar letters. Klanken horen en de juiste letters kunnen
schrijven. Lezen en spellen zijn elkaars spiegelbeeld:
Lezen: grafemen fonemen
Spellen: fonemen grafemen
Grafemen: Letters in een geschrift (wat je ziet)
Fonemen: Klanken in een taal (wat je hoort)
Ze ontwikkelen niet altijd even sterk. Een kind kan bijvoorbeeld goed lezen maar zwak
spellen, of omgekeerd.
Schrijven
Het motorische aspect. Het vasthouden van een potlood en letters vormen.
,Schrijfvaardigheid
Het goed kunnen schrijven en formuleren van zinnen, gedachten, ideeën, … Goed kunnen
communiceren via geschreven taal.
Factoren die lees- en spellingvaardigheid beïnvloeden
De lees- en spellingsontwikkeling ontstaat niet vanzelf. Ze is het resultaat van een
samenspel van verschillende factoren.
Cognitieve factoren
1. Fonologisch bewustzijn
Kunnen werken met klanken in woorden. Bv. rijmen, woord in klanken splitsen, …
Eén van de sterkste voorspellers van lees- en spellingvaardigheid.
2. Werkgeheugen
Nodig om klanken tijdelijk vast te houden tijdens lezen en spellen.
3. Aandacht en concentratie
Zwakke aandacht bemoeilijkt automatisatie.
Taalkundige factoren
1. Woordenschat
Helpt bij herkenning van woorden.
2. Fonologische representaties
Hoe scherp een woord “in het hoofd” zit opgeslagen.
vage klankrepresentaties = meer lees- en spellingsfouten.
Orthografische kennis en vaardigheden
Kennis van spellingregels en het correct kunnen schrijven van woorden. Het is een soort
taalgevoel, het besef van welke combinaties grafemen samengaan en welke niet. De
juiste schrijfwijze van moeilijke woorden onthouden en automatisch toepassen.
Omgevings- en onderwijsfactoren
Kwaliteit van leesonderwijs
Expliciete instructie in:
o Letter-klankkoppelingen
o Spellingregels
Oefenkansen (lezen thuis, voorgelezen worden)
Motivatie en emotionele factoren
Leesplezier
Zelfvertrouwen
Negatieve leeservaringen kunnen leiden tot: vermijding, minder oefenen en nog
tragere vooruitgang (vicieuze cirkel)
,Lees- en spellingfasen (ontwikkeling)
Kinderen leren lezen en spellen in fasen. Die fasen zijn belangrijk om te begrijpen:
Wat “normaal” is op een bepaalde leeftijd
Wanneer iets zorgwekkend is
Aanvankelijk lezen
De beginfase van leren lezen, waarin kinderen letters leren koppelen aan klanken en
eenvoudige woorden leren lezen.
Leren van leestechniek: Het technisch leren lezen. Letters verklanken,
samenvoegen tot woorden en steeds vlotter lezen.
Eisen fonologisch bewustzijn hoog: Bewustzijn klanken in woorden belangrijk. Bv.
kat bestaat uit k-a-t.
Gevorderd of voortgezet lezen
Fase na aanvankelijk lezen, waarin kinderen langere en moeilijkere teksten kunnen lezen.
Leestechniek verder automatiseren: Lezen gaat vlotter en meer automatisch, met
minder moeite voor het decoderen van woorden.
Eisen taal hoog: Goed begrip vraagt nu meer taalkennis. Grotere woordenschat,
inzicht in woordvormen en het begrijpen van zinsstructuren.
Taakgerelateerde functies
Vaardigheden die je nodig hebt om een specifiekere leer- of schooltaak goed uit te voeren
zoals lezen of schrijven.
Voorbereidende of intramodale vaardigheden: Basisvaardigheden binnen één
zintuigelijke modaliteit. Ze zijn visueel of auditief.
Grafeem-foneemkoppeling
Letter (grafeem) omzetten naar een klank (foneem). Nodig bij lezen.
Foneem-grafeemkoppeling
Klank (foneem) omzetten naar een letter (grafeem). Nodig bij schrijven/ spellen.
Auditief discrimineren en identificeren
Discrimineren: Klanken van elkaar kunnen onderscheiden.
Identificeren: Klanken herkennen en benoemen.
Leesontwikkeling
1. Logografische fase
Kind herkent woorden op basis van globaal beeld:
Eigen naam
Logo’s
Vaste woorden
Geen echte letterkennis nodig.
Lezen = raden op basis van context en vorm.
, 2. Alfabetische fase
Kind leert:
Letters herkennen
Klanken koppelen
Woorden letter voor letter decoderen
Voorbeeld: “kat” → /k/ – /a/ – /t/
Lezen is nog traag en hakkerig, maar wel correct.
3. Orthografische fase
Woorden worden in één keer herkend:
Veel voorkomende woorden
Woordbeelden worden opgeslagen in het mentale lexicon
Lezen wordt sneller, vlotter en minder inspannend. Hier ontstaat echte
leesvloeiendheid.
Spellingontwikkeling (parallel proces)
Spelling verloopt gelijkaardig:
Eerst fonetisch spellen: “boom” → “bom”
Later kennis van:
o Spellingregels
o Uitzonderingen
o Woordbeelden
Spelling vraagt vaak meer tijd om te automatiseren dan lezen.
Moeilijkheidsgraad van woorden en teksten
Niet elk woord even makkelijk te lezen of spellen.
Moeilijkheid = woordniveau
1. Klankstructuur
CV-structuur: “ma”, “no” → makkelijk
Medeklinkerclusters: “straat”, “splitsen” → moeilijker
2. Regelmaat
Regelmatige woorden: “maan”, “vis”
Onregelmatige woorden: “vliegtuig”, “yoghurt”
3. Lengte
Korte woorden makkelijker dan lange
4. Frequentie
Vaak voorkomende woorden worden sneller herkend (“de”, “en”, “is”)
Moeilijkheid = Tekstniveau