THEORIE GEDEELTE
1. Wanneer een Europese verordening tot stand kwam op basis van de
‘gewone’ wetgevingsprocedure:
(a) Welke Europese organen waren hierbij dan betrokken?
Het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese
Commissie
(b) Hoe zijn deze organen samengesteld?
Het Parlement is samengesteld uit volksvertegenwoordigers verkozen door de
burgers van alle Europese lidstaten
De Raad van de EU bestaat uit vertegenwoordigers van iedere lidstaat op
ministerieel niveau. Afhankelijk van de besproken aangelegenheden, komt de
Raad in verschillende samenstellingen/formaties samen.
De Europese Commissie bestaat uit een aantal leden gelijk met het aantal
lidstaten, die elks een bepaald domein krijgen toegewezen. Ook de Hoge
vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid maakt hier deel
van uit.
2. In het nieuw Strafwetboek worden vier doelstellingen van een straf naar
voren geschoven:
(a) Leg uit welke doestellingen dit zijn en
1° het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de
overtreding van de strafwet;
2° het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en van het
herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade;
3° het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de
dader;
4° het beschermen van de maatschappij.
(b) hoe ze zich verhouden tot elkaar.
Er is geen hiërarchie onder deze doelstellingen. De rechter kan één of meerdere
doelstellingen combineren in de motivatie voor een straf.
3. Aan het recht op menswaardige behandeling is een standstill beginsel
gekoppeld. Leg uit wat dit beginsel betekent, en geef een voorbeeld om aan te
tonen dat je het begrijpt.
Het standstilll beginsel houdt in dat het beschermingsniveau dat de overheid
reeds biedt op vlak van de bescherming van het recht op een menswaardig leven
(bv. recht op behoorlijke huisvesting, recht op arbeid) niet in aanzienlijke mate
mag worden verminderd, zonder dat daarvoor een reden van algemeen belang is.
+ voorbeeld: een hervorming van de pensioenen mag tot gevolg hebben dat de
sociale zekerheid van bepaalde groepen vermindert, maar het mag niet gaan om
, een grote vermindering, en dit moet steeds worden verantwoord door reden van
algemeen belang (bv. alle pensioenen betaalbaar houden)
4. Wanneer de Vlaamse Regering een advies inwint over een ontwerp van
decreet bij de afdeling Wetgeving van de Raad van State:
(a) Waaraan zal de Raad van State dit decreet toetsen?
De Raad van State, afdeling wetgeving gaat na of:
Het decreet wel in overeenstemming is met alle normen hoger in de hiërarchie
(o.a. Grondwet, Europees recht) en met de bevoegdheidsverdelende regels;
Er wel is voldaan aan alle vormvereisten bij de totstandkoming van het decreet;
Of de tekst van het decreet wel samenhangend / redactioneel sluitend is.
(b) Stel dat de Raad van State een negatief advies uitbrengt, maar de
Vlaamse Regering zet toch door, wat zijn dan hiervan de mogelijke
gevolgen?
Het advies RvS is niet bindend, er is dus geen sanctie aan verbonden. Wanneer
het decreet later wordt aangevochten bij het Grondwettelijk Hof, is de kans groot
dat die het advies volgt en dat het decreet wordt vernietigd.
5. Leg uit: wat is het verschil tussen het objectieve en subjectieve contentieux
in de rechtspraak?
Er bestaan twee soorten gerechtelijke procedures:
In het objectieve contentieux (Grondwettelijk Hof; bestuursrechtscolleges) kan je
een rechtsregel (= het objectieve recht) of handeling van de overheid zelf in
vraag stellen of aanvechten. Deze rechtscolleges kunnen deze regel of handeling
vernietigen.
In het subjectieve contentieux (gewone hoven en rechtbanken) wordt het
objectieve recht toegepast op een concrete individuele situatie. De rechter
spreekt zich dan uit over het subjectieve recht dat iemand al dan niet kan eisen
op basis van het objectieve recht. Voorbeeld: geschillen over contracten,
echtscheiding, aansprakelijkheid, …
6. Art. 1 van de Grondwet luidt:
“België is een federale Staat, samengesteld uit de gXXX en de gXXX.”
(a) Welke woorden moeten er staan in plaats van “gXXX” en
“gXXX”?
Gemeenschappen en gewesten
(b) Welke twee andere staatvormen bestaan er naast de “federale staat”
en wat houden die staatvormen in?
Bij een eenheidsstaat is er één centrale autoriteit die alles beslist.
Een confederatie is een staatsvorm waarbij er eigenlijk geen centraal
overkoepelend gezag is, louter autonome staten die hebben beslist een aantal
zaken samen te doen (bv. Verenigde Staten).
(c) Is dit artikel uit de Grondwet nog up to date?