Inleiding Filosofie 2025-2026
Inhoudsopgave
H1: Ethiek: Over het goede en het juiste.......................................................................1
1.1 Begrippenkader......................................................................................................................... 2
1.2 Het funderingsprobleem............................................................................................................ 3
1.3 Vrijheid, authenticiteit, geluk.................................................................................................... 4
1.4 Utilitarisme VS plichtethiek van Kant........................................................................................ 5
H2: Sociale en politieke filosofie...................................................................................7
2.1 Politieke filosofie....................................................................................................................... 7
2.3 Hobbes, Aristoteles, Rousseau.................................................................................................. 8
2.4 Rechtvaardigheid.................................................................................................................... 10
2.5 debat over verzorgingsstaat.................................................................................................... 11
2.5.1 Liberale democratie.......................................................................................................... 11
H3 Cultuurfilosofie: identiteit en cultuur.....................................................................13
3.1 Het moderne cultuurbegrip..................................................................................................... 13
3.2 Klassenstrijd............................................................................................................................ 14
3.3 Massacultuur (20e eeuw)......................................................................................................... 16
3.4 Postmodernisme en globalisering............................................................................................ 17
H4: Wetenschap, technologie en samenleving.............................................................18
4.1 Inleiding.................................................................................................................................. 18
4.2 Het standaardbeeld van wetenschap......................................................................................18
4.2.1Standaarbeeld van intern functioneren..............................................................................19
4.2.2 Standaardbeeld van extern functioneren..........................................................................20
4.2.3: Sociaal constructivisme.................................................................................................... 21
H1: Ethiek: Over het goede en het juiste
,1.1 Begrippenkader
Waarden
= algemene morele uitgangspunten, aspecten van het leven die we belangrijk vinden
Vb. Eerlijkheid: de waarheid vertellen is belangrijk
Vb. Familie en vrienden: tijd samen doorbrengen is belangrijk
Deugden
= Waardevolle karaktereigenschappen van een persoon, het zijn karaktertrekken die
aantonen dat iemand volgens goede waarden leeft
! Niet elke karaktereigenschap is een deugd !
Normen
= concrete gedragsbepalingen, specifieke regels die ons voorschrijven wat we moeten doen
Ze drukken een plicht/ premisse/ verbod uit
Vb. breek nooit je belofte
Moreel
= wat overeenkomt met de heersende waarden en normen
Vb. verzorgen van zieken
Immoreel
= wat de heersende waarden en normen schendt
Vb. uitsluiting door racisme
Amoreel
= waarbij geen waarden en normen betrokken zijn
Vb. zon komt op in het oosten
Moraal
= stelsel van normen en waarden die mensen gebruiken om te weten wat goed en slecht
gedrag is
Vb. oude Grieken vonden moed belangrijk
Ethiek
= nadenken over waarom iets goed of belangrijk is ( moraalfilosofie)
Vb. waarom vinden we gezondheid belangrijk?
Kerntaak van de ethiek
- Niet beschrijven vb. antropologie/ rechtsgeleerdheid
- Niet verklaren vb. sociologie/ geschiedenis
- Geldigheid onderzoeken van waarden en normen
Ethiek stelt de vraag hoe het zou moeten zijn en zoekt daar argumenten voor
Hoe rechtvaardig je een norm?
Door redenen te formuleren voor die norm
- Welke normen en waarden kunnen we met goede redenen verdedigen?
- Wanneer kunnen we spreken van goede redenen?
Ethiek = normatief
= vormt oordeel over geldende N&W + geeft aan welke N&W we moeten nastreven
Ethiek = logische en duidelijke manier na te denken over wat goed en fout is
- Gelijkenis met wetenschap:
o Systematisch nadenken
, o Streven naar objectieve geldigheid
o Geen kwestie van persoonlijke mening
- Verschil met wetenschap:
o Geen verklaring/ loutere beschrijving van fenomenen (ethiek vraagt ook: is dit
juist?)
o Onderzoek of er goede redenen zijn voor een norm (vraag naar rechtvaardiging)
1.2 Het funderingsprobleem
Uit feiten geen normen
Logische kloof tussen zijn en behoren (moeten)
= uit de vaststelling dat iets het geval is, volgt NIET dat we iets moeten doen
! Uit een feit kan niet zonder meer een norm worden afgeleid !
Vb. vlees eten veroorzaakt leed bij dieren we mogen geen vlees eten
Niet geldig
Twee verregaande implicaties:
1. Wetenschap alleen kan niet bepalen wat juist of fout is
= feiten, experimenten en bewijzen helpen om iets uit te leggen, maar zeggen niet
automatisch wat we moeten doen
2. Wetenschap kan ons leven niet volledig sturen
= kan tonen hoe wereld werkt, maar niet bepalen hoe we moeten leven/ welke keuzes
moreel juist zijn
Geen ultieme fundering
= meer nodig dan enkel feiten om te zeggen dat iets juist/ fout is ook waarden en normen
Vb. A) ritueel bepaalt onze identiteit
B) onze identiteit mag niet veranderen Wat rechtvaardigt stelling dat identiteit niet
mag veranderen?
We mogen ritueel niet afschaffen
Probleem: elke norm die elke norm die we aannemen, moet opnieuw gefundeerd worden. Er
is in de westerse samenleving geen algemeen aanvaarde geldige basis of bron voor morele
normativiteit (bv. god).
Leidt tot funderingsprobleem: onmogelijk om tot ultieme fundering voor ethische
stellingnamen te komen
Tussen objectivisme en relativisme
Objectivisme
= juistheid van algemene morele uitgangspunten kan bewezen worden
Relativisme
= uiteindelijk zijn waarden en normen altijd relatief, zinloos om ze te proberen rechtvaardigen
Tussenweg
= algemene morele uitgangspunten onderzoeken en na gaan welke morele consequenties dat
meebreng
Het probleem van het relativisme
Ten opzichte van wat zijn normen en waarden relatief?
1. Cultuurrelativisme (verschilt per plaats en tijd)
- Normen en waarden hangen af van cultuur en geschiedenis (vb. doodstraf,
besnijdenis)
Inhoudsopgave
H1: Ethiek: Over het goede en het juiste.......................................................................1
1.1 Begrippenkader......................................................................................................................... 2
1.2 Het funderingsprobleem............................................................................................................ 3
1.3 Vrijheid, authenticiteit, geluk.................................................................................................... 4
1.4 Utilitarisme VS plichtethiek van Kant........................................................................................ 5
H2: Sociale en politieke filosofie...................................................................................7
2.1 Politieke filosofie....................................................................................................................... 7
2.3 Hobbes, Aristoteles, Rousseau.................................................................................................. 8
2.4 Rechtvaardigheid.................................................................................................................... 10
2.5 debat over verzorgingsstaat.................................................................................................... 11
2.5.1 Liberale democratie.......................................................................................................... 11
H3 Cultuurfilosofie: identiteit en cultuur.....................................................................13
3.1 Het moderne cultuurbegrip..................................................................................................... 13
3.2 Klassenstrijd............................................................................................................................ 14
3.3 Massacultuur (20e eeuw)......................................................................................................... 16
3.4 Postmodernisme en globalisering............................................................................................ 17
H4: Wetenschap, technologie en samenleving.............................................................18
4.1 Inleiding.................................................................................................................................. 18
4.2 Het standaardbeeld van wetenschap......................................................................................18
4.2.1Standaarbeeld van intern functioneren..............................................................................19
4.2.2 Standaardbeeld van extern functioneren..........................................................................20
4.2.3: Sociaal constructivisme.................................................................................................... 21
H1: Ethiek: Over het goede en het juiste
,1.1 Begrippenkader
Waarden
= algemene morele uitgangspunten, aspecten van het leven die we belangrijk vinden
Vb. Eerlijkheid: de waarheid vertellen is belangrijk
Vb. Familie en vrienden: tijd samen doorbrengen is belangrijk
Deugden
= Waardevolle karaktereigenschappen van een persoon, het zijn karaktertrekken die
aantonen dat iemand volgens goede waarden leeft
! Niet elke karaktereigenschap is een deugd !
Normen
= concrete gedragsbepalingen, specifieke regels die ons voorschrijven wat we moeten doen
Ze drukken een plicht/ premisse/ verbod uit
Vb. breek nooit je belofte
Moreel
= wat overeenkomt met de heersende waarden en normen
Vb. verzorgen van zieken
Immoreel
= wat de heersende waarden en normen schendt
Vb. uitsluiting door racisme
Amoreel
= waarbij geen waarden en normen betrokken zijn
Vb. zon komt op in het oosten
Moraal
= stelsel van normen en waarden die mensen gebruiken om te weten wat goed en slecht
gedrag is
Vb. oude Grieken vonden moed belangrijk
Ethiek
= nadenken over waarom iets goed of belangrijk is ( moraalfilosofie)
Vb. waarom vinden we gezondheid belangrijk?
Kerntaak van de ethiek
- Niet beschrijven vb. antropologie/ rechtsgeleerdheid
- Niet verklaren vb. sociologie/ geschiedenis
- Geldigheid onderzoeken van waarden en normen
Ethiek stelt de vraag hoe het zou moeten zijn en zoekt daar argumenten voor
Hoe rechtvaardig je een norm?
Door redenen te formuleren voor die norm
- Welke normen en waarden kunnen we met goede redenen verdedigen?
- Wanneer kunnen we spreken van goede redenen?
Ethiek = normatief
= vormt oordeel over geldende N&W + geeft aan welke N&W we moeten nastreven
Ethiek = logische en duidelijke manier na te denken over wat goed en fout is
- Gelijkenis met wetenschap:
o Systematisch nadenken
, o Streven naar objectieve geldigheid
o Geen kwestie van persoonlijke mening
- Verschil met wetenschap:
o Geen verklaring/ loutere beschrijving van fenomenen (ethiek vraagt ook: is dit
juist?)
o Onderzoek of er goede redenen zijn voor een norm (vraag naar rechtvaardiging)
1.2 Het funderingsprobleem
Uit feiten geen normen
Logische kloof tussen zijn en behoren (moeten)
= uit de vaststelling dat iets het geval is, volgt NIET dat we iets moeten doen
! Uit een feit kan niet zonder meer een norm worden afgeleid !
Vb. vlees eten veroorzaakt leed bij dieren we mogen geen vlees eten
Niet geldig
Twee verregaande implicaties:
1. Wetenschap alleen kan niet bepalen wat juist of fout is
= feiten, experimenten en bewijzen helpen om iets uit te leggen, maar zeggen niet
automatisch wat we moeten doen
2. Wetenschap kan ons leven niet volledig sturen
= kan tonen hoe wereld werkt, maar niet bepalen hoe we moeten leven/ welke keuzes
moreel juist zijn
Geen ultieme fundering
= meer nodig dan enkel feiten om te zeggen dat iets juist/ fout is ook waarden en normen
Vb. A) ritueel bepaalt onze identiteit
B) onze identiteit mag niet veranderen Wat rechtvaardigt stelling dat identiteit niet
mag veranderen?
We mogen ritueel niet afschaffen
Probleem: elke norm die elke norm die we aannemen, moet opnieuw gefundeerd worden. Er
is in de westerse samenleving geen algemeen aanvaarde geldige basis of bron voor morele
normativiteit (bv. god).
Leidt tot funderingsprobleem: onmogelijk om tot ultieme fundering voor ethische
stellingnamen te komen
Tussen objectivisme en relativisme
Objectivisme
= juistheid van algemene morele uitgangspunten kan bewezen worden
Relativisme
= uiteindelijk zijn waarden en normen altijd relatief, zinloos om ze te proberen rechtvaardigen
Tussenweg
= algemene morele uitgangspunten onderzoeken en na gaan welke morele consequenties dat
meebreng
Het probleem van het relativisme
Ten opzichte van wat zijn normen en waarden relatief?
1. Cultuurrelativisme (verschilt per plaats en tijd)
- Normen en waarden hangen af van cultuur en geschiedenis (vb. doodstraf,
besnijdenis)