HOOFDSTUK 1: DE KERN
HET BESTUDEREN VAN CELLEN
DIVERSITEIT VAN CELLEN IN HET MENSELIJK LICHAAM
250 verschillende celtypes:
• Bloedcel • Eicel
• Zenuwcel • Botcel
• Vetcel • …
Ze hebben allemaal hetzelfde genoom (genotype, 25000 genen)
Het fenotype is het uitzicht/de functie. Dit wordt gemaakt door het aan en afzetten van genen.
(Specialisatie)
CYTOLOGIE
= Leer van de celstructuur & celfunctie
Zichtbaarheid van de cellen:
• Lichtmicroscopie (LM)
• Elektronenmicroscopie (EM)
o Scanning elektronenmicroscopie (SEM)
o Transmissie elektronenmicroscopie (TEM)
CELANATOMIE
• Extracellulaire vloeistof
= interstitiële vloeistof (vloeistof tussen cellen)
• Celmembraan
o Opgebouwd uit vetten & eiwitten
o Vormt grens tussen de inhoud van de vel & omgeving buiten de cel
• Cytoplasma
o Rond celkern
o Bevat cytosol & organellen
HET CYTOPLASMA
ORGANELLEN OMGEVEN DOOR MEMBRANEN
• Kern • Golgi-complex
• Mitochondriën • Lysosoom
• Endoplasmatisch reticulum • Peroxisomen
,ORGANELLEN NIET OMGEVEN DOOR MEMBRANEN
• Sytoskelet • Zweepharen
• Microvilli • Ribosomen
• Centriolen • Proteasomen
• Trilharen
DE CELKERN
EIGENSCHAPPEN
• Groter dan alle andere organellen (grootste & belangrijkste organel)
• Besturingscentrum voor celactiviteiten
o Bepaalt celstructuur
o Bepaalt celfunctie
• Kernmembraan vormt een scheiding tussen de inhoud vd kern & het cytoplasma
• De kernmembraan bevat poriën
o Maakt uitwisseling tussen kern & cytoplasma mogelijk (import & export)
Kern = nucleus, vloeibare inhoud = nucleoplasma
CHROMOSOOMSTRUCTUUR
• Cel in rust: genetisch materiaal komt voor in de vorm van chromatine (draadvormige,
ongeordende massa)
• Cel gaat delen: genetisch materiaal komt voor onder de vorm van chromosomen (X-
vormige structuren)
beiden (chromosomen of chromatine) bevatten dezelfde genetische informatie
namelijk alle info om onze cellen te vormen en te zorgen voor hun specifieke
functie. Het verschil tussen chromosomen en chromatine is enkel een andere
opvouwingsvorm.
• 23 paar (46) chromosomen in alle somatische cellen (bevatten DNA)
geslachtscellen: 23 chromosomen
o 44 autosomen
o 2 geslachtschromosomen
, • Histonen: vormen het eiwitskelet
o Belangrijkste chromosoomeiwitten
o Histoneiwitten binden met DNA
▪ H2A, H2B, H3 en H4: zijn de histoneiwitten die elk 2 keer voorkomen & een
octameer vormen
▪ DNA wordt op vaste afstanden rond het octameer gewonden
▪ De functionele eenheid van een chromosoom is een nucleosoom
= 200 nucleotiden (150 nucleotiden rond het octameer en 50 nucleotiden
naar het volgende octameer) + 8 histoneiwitten
De kern bevat DNA, de genetische instructies liggen opgeslagen id chromosomen. Deze
instructies geven aan hoe de eiwitten moeten w gevormd die de structuur & functie vd cel
bepalen. De chromosomen bevatten ook ≠ eiwitten die de expressie vd genetische informatie
bepalen.
GENETISCHE CODE
• Tripletcode
= triplet, codon, codewoord
o Bevat 3 stikstofhoudende basen
o Codeert voor een specifiek aminozuur
• Gen
o Functionele eenheid van erfelijkheid
o Een sequentie v tripletten die nodig zijn vr de vorming (synthese) ve specifiek eiwit
o Start steeds met een promotor en eindigt met een terminator
EIWITSYNTHESE
TRANSCRIPTIE
= de productie van RNA op basis van 1 DNA streng
• Vindt plaats in de celkern
• Produceert verschillende typen RNA
o mRNA: bij het aanmaken van eiwitten
o tRNA: aminozuren aanvoeren
o rRNA: in ribosomen
• Tripletten vormen de condons op het mRNA
De 2 DNA strengen gaan uit elkaar thv het gen & het RNA polymerase (enzym) bindt op de
promoter & start md aanmaak v een RNA. (1) RNA (enkelstreng) w gevormd dr aan elkaar
koppelen v complementaire basen, obv 1 vd DNA strengen (template). (2) Transcriptie gaat door
tot op het moment dat het RNA polymerase ad terminator komt & dat is ook het signaal vr het
einde vh gen. RNA polymerase verlaat het DNA. Het gevormde mRNA is beschikbaar voor
translatie. De 2 DNA strengen binden zich opnieuw aan elkaar & vormen opnieuw een DNA helix.
(3)