Examen 2024
Volledig examen — Deel I (Prof. Albers) + Deel II (Prof. Van Gompel)
,Deel I — Prof. Albers (meerkeuze)
Blok 1 — Globalisering, multilateralisme & conflicten
Vraag 1. Wat is globalisering?
A) het afschermen van nationale economieën
B) de verschuiving naar een meer geïntegreerde en onderling afhankelijke wereldeconomie
C) de groei van uitsluitend de financiële sector
D) het verdwijnen van internationale handel
Antwoord: B) de verschuiving naar een meer geïntegreerde en onderling afhankelijke
wereldeconomie — Globalisering = de overgang van onafhankelijke nationale economieën
naar een geïntegreerd, onderling afhankelijk internationaal systeem.
Vraag 2. Wat zijn de twee economische dimensies van globalisering?
A) handel en investeringen
B) productie en markten
C) import en export
D) arbeid en kapitaal
Antwoord: B) productie en markten — Men onderscheidt de globalisering van de productie
en de globalisering van de markten.
Vraag 3. De handelsbarrières (tarieven) zijn de afgelopen decennia:
A) sterk gestegen
B) afgenomen (tot ongeveer 4% begin jaren 2000)
C) gelijk gebleven
D) volledig afgeschaft
Antwoord: B) afgenomen (tot ongeveer 4% begin jaren 2000) — De tarieven zijn van hoge
niveaus gedaald tot ongeveer 4% begin jaren 2000.
Vraag 4. De handelsspanningen tussen China en de VS komen vooral voort uit:
A) een tekort aan grondstoffen
B) wederzijdse beschuldigingen van oneerlijkheid
C) een gebrek aan handelsverdragen
D) valutamanipulatie door de EU
Antwoord: B) wederzijdse beschuldigingen van oneerlijkheid — De spanningen komen
voort uit wederzijdse beschuldigingen van oneerlijke handelspraktijken.
Vraag 5. Het conflict tussen Airbus en Boeing bij de WTO draait om:
A) octrooien
B) oneerlijke (overheids)subsidies
C) milieuregels
D) arbeidsomstandigheden
Antwoord: B) oneerlijke (overheids)subsidies — Beide bedrijven beschuldigen elkaar van
oneerlijke subsidies.
Vraag 6. Wat is GEEN voorbeeld van multilateralisme?
A) de VN
B) de WTO
C) het Romeinse Rijk
D) de EU
Antwoord: C) het Romeinse Rijk — Het Romeinse Rijk is een voorbeeld van imperialisme;
de VN, WTO en EU zijn multilateraal.
Vraag 7. Wat zijn de drie coördinatiemogelijkheden van nationale belangen?
A) imperialisme, bilateralisme en multilateralisme
B) handel, investeringen en migratie
, C) tarieven, quota en subsidies
D) protectionisme, vrijhandel en autarkie
Antwoord: A) imperialisme, bilateralisme en multilateralisme — De drie manieren om
belangen te coördineren: imperialisme, bilateralisme en multilateralisme.
Vraag 8. Waarom maken landen regels om hun economische belangen te coördineren?
A) om de handel te verbieden
B) om stabiliteit en voorspelbaarheid voor bedrijven mogelijk te maken
C) om de wisselkoers te fixeren
D) om tarieven te verhogen
Antwoord: B) om stabiliteit en voorspelbaarheid voor bedrijven mogelijk te maken —
Regels creëren stabiliteit en voorspelbaarheid en helpen de tragedy of the commons te
beheersen.
Vraag 9. Welk fundamenteel conflict ligt aan de basis van de gevoeligheden rond globalisering?
A) tussen import en export
B) tussen kortetermijn-individuele belangen en langetermijn-collectieve belangen (tragedy of
the commons)
C) tussen producenten en de overheid
D) tussen rijke en arme landen alleen
Antwoord: B) tussen kortetermijn-individuele belangen en langetermijn-collectieve
belangen (tragedy of the commons) — De tragedy of the commons: individuele
kortetermijnbelangen botsen met collectieve langetermijnbelangen.
Blok 2 — Multinationals, cultuur & landverschillen
Vraag 10. Een multinationale onderneming is:
A) een bedrijf met buitenlandse aandeelhouders
B) elk bedrijf dat productieve activiteiten in twee of meer landen heeft
C) een bedrijf dat enkel exporteert
D) een bedrijf met een buitenlandse CEO
Antwoord: B) elk bedrijf dat productieve activiteiten in twee of meer landen heeft — Het
gaat om productieve activiteit (niet louter financieel) in twee of meer landen.
Vraag 11. Wat is een 'born global'?
A) een bedrijf dat nooit internationaliseert
B) een bedrijf dat heel snel (bv. binnen 3 jaar) een multinational wordt
C) een staatsbedrijf
D) een bedrijf dat enkel in eigen land actief is
Antwoord: B) een bedrijf dat heel snel (bv. binnen 3 jaar) een multinational wordt — Born
globals worden zeer snel multinational, vaak hightech en vaak met een kleine thuismarkt.
Vraag 12. Cultuur wordt (volgens Hofstede) omschreven als:
A) de wetgeving van een land
B) de collectieve programmering van de geest die de leden van een groep onderscheidt van
een andere
C) het bbp per capita
D) de religie van een land
Antwoord: B) de collectieve programmering van de geest die de leden van een groep
onderscheidt van een andere — Hofstede: de collectieve mentale programmering die
groepen van elkaar onderscheidt.
Vraag 13. Welke is GEEN culturele dimensie van Hofstede?
A) machtsafstand
B) individualisme/collectivisme
C) onzekerheidsvermijding