CELBIOLOGIE HOOFDSTUK 7
VRAAG 111
Vraag 111 – Uit welke drie hoofdbestanddelen bestaat de extracellulaire matrix (ECM)?
1. Collagenen → belangrijkste structurele eiwitten, zorgen voor treksterkte.
2. Proteoglycanen → eiwitten met lange suikerketens (GAG’s), zorgen voor waterbinding en compressie-
resistentie.
3. Multi-adhesieve glycoproteïnen (bv. fibronectine, laminine) → verbinden ECM-componenten met
cellen (via integrines).
VRAAG 112
Vraag 112 – Wat is de belangrijkste functie van collageen in de ECM?
• Collageen is het meest voorkomende eiwit in ons lichaam.
• Het vormt stevige vezels die zorgen voor treksterkte en structuur in weefsels.
• Voorbeeld: pezen (veel collageen type I → heel sterk, bijna niet rekbaar).
VRAAG 113
Vraag 113 – Wat doen proteoglycanen in de ECM?
• Proteoglycanen bestaan uit een eiwitkern met lange glycosaminoglycanen (GAG’s) eraan vast.
• GAG’s zijn sterk negatief geladen → trekken water en kationen aan.
• Functie:
o Houden de ECM gehydrateerd.
o Geven compressie-weerstand (ze werken als een spons → indrukbaar maar veert terug).
o Reguleren ook de beschikbaarheid van signaalmoleculen (bv. groeifactoren binden aan
GAG’s).
VRAAG 114
Vraag 114 – Noem een voorbeeld van een multi-adhesief glycoproteïne in de ECM en leg de functie uit.
• Voorbeelden:
o Fibronectine
o Laminine
• Functie:
o Werken als lijm-moleculen → verbinden ECM-componenten (collageen, proteoglycanen) met
cellen via integrines.
o Spelen een cruciale rol in celmigratie, hechting en signaaltransductie.
, VRAAG 115
Vraag 115 – Wat is de basale lamina en welke functies heeft ze?
• Definitie:
o Dunne, gespecialiseerde laag van de ECM.
o Ligt onder epitheelcellen en omringt sommige celtypes (bv. spiercellen, vetcellen,
Schwanncellen).
• Functies:
1. Verankering → verbindt epitheel met onderliggend bindweefsel.
2. Filtratie → bv. in de nierglomerulus.
3. Celgedrag reguleren → proliferatie, differentiatie, migratie.
4. Weefselherstel → speelt rol bij regeneratie en wondheling.
VRAAG 116
Vraag 116 – Welke belangrijke eiwitten vind je terug in de basale lamina?
• Laminine → cruciaal glycoproteïne, vormt netwerk en bindt aan integrines.
• Collageen type IV → speciaal netwerkvormend collageen, geeft stevigheid.
• Perlecan → groot proteoglycaan, zorgt voor filtering en waterbinding.
• Nidogen (entactine) → verbindend eiwit dat laminine en collageen IV koppelt.
VRAAG 117
Vraag 117 – Wat is het verschil tussen collageen type I en type IV?
• Collageen type I
o Komt het meest voor (pezen, bot, huid).
o Vormt lange, sterke fibrillen → hoge treksterkte.
o Functie = structuur & stevigheid.
• Collageen type IV
o Specifiek voor de basale lamina.
o Vormt een netwerk (niet fibrillen).
o Functie = flexibele steun + filterfunctie.
VRAAG 111
Vraag 111 – Uit welke drie hoofdbestanddelen bestaat de extracellulaire matrix (ECM)?
1. Collagenen → belangrijkste structurele eiwitten, zorgen voor treksterkte.
2. Proteoglycanen → eiwitten met lange suikerketens (GAG’s), zorgen voor waterbinding en compressie-
resistentie.
3. Multi-adhesieve glycoproteïnen (bv. fibronectine, laminine) → verbinden ECM-componenten met
cellen (via integrines).
VRAAG 112
Vraag 112 – Wat is de belangrijkste functie van collageen in de ECM?
• Collageen is het meest voorkomende eiwit in ons lichaam.
• Het vormt stevige vezels die zorgen voor treksterkte en structuur in weefsels.
• Voorbeeld: pezen (veel collageen type I → heel sterk, bijna niet rekbaar).
VRAAG 113
Vraag 113 – Wat doen proteoglycanen in de ECM?
• Proteoglycanen bestaan uit een eiwitkern met lange glycosaminoglycanen (GAG’s) eraan vast.
• GAG’s zijn sterk negatief geladen → trekken water en kationen aan.
• Functie:
o Houden de ECM gehydrateerd.
o Geven compressie-weerstand (ze werken als een spons → indrukbaar maar veert terug).
o Reguleren ook de beschikbaarheid van signaalmoleculen (bv. groeifactoren binden aan
GAG’s).
VRAAG 114
Vraag 114 – Noem een voorbeeld van een multi-adhesief glycoproteïne in de ECM en leg de functie uit.
• Voorbeelden:
o Fibronectine
o Laminine
• Functie:
o Werken als lijm-moleculen → verbinden ECM-componenten (collageen, proteoglycanen) met
cellen via integrines.
o Spelen een cruciale rol in celmigratie, hechting en signaaltransductie.
, VRAAG 115
Vraag 115 – Wat is de basale lamina en welke functies heeft ze?
• Definitie:
o Dunne, gespecialiseerde laag van de ECM.
o Ligt onder epitheelcellen en omringt sommige celtypes (bv. spiercellen, vetcellen,
Schwanncellen).
• Functies:
1. Verankering → verbindt epitheel met onderliggend bindweefsel.
2. Filtratie → bv. in de nierglomerulus.
3. Celgedrag reguleren → proliferatie, differentiatie, migratie.
4. Weefselherstel → speelt rol bij regeneratie en wondheling.
VRAAG 116
Vraag 116 – Welke belangrijke eiwitten vind je terug in de basale lamina?
• Laminine → cruciaal glycoproteïne, vormt netwerk en bindt aan integrines.
• Collageen type IV → speciaal netwerkvormend collageen, geeft stevigheid.
• Perlecan → groot proteoglycaan, zorgt voor filtering en waterbinding.
• Nidogen (entactine) → verbindend eiwit dat laminine en collageen IV koppelt.
VRAAG 117
Vraag 117 – Wat is het verschil tussen collageen type I en type IV?
• Collageen type I
o Komt het meest voor (pezen, bot, huid).
o Vormt lange, sterke fibrillen → hoge treksterkte.
o Functie = structuur & stevigheid.
• Collageen type IV
o Specifiek voor de basale lamina.
o Vormt een netwerk (niet fibrillen).
o Functie = flexibele steun + filterfunctie.