Module 1: taalbouwstenen in het Nederlands
Wat is taal?
Taalcompetentie
= het geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om geschreven, gesproken
en multimodale teksten te begrijpen, te evalueren en te gebruiken zodat:
1. Volwaardige deelname aan de samenleving mogelijk wordt;
2. De eigen doelen gerealiseerd kunnen worden;
3. De eigen kennis en mogelijkheden levenslang en duurzaam kunnen worden ontwikkeld.
Taalcompetent zijn houdt de volgende zaken in:
je bezit taalkennis over aspecten van taal (taalbeschouwing), meer bepaald over
taalgebruik/taalgedrag en over het taalsysteem (over teksten, zinnen, woorden ...);
je bent taalvaardig, zowel in de mondelinge vaardigheden (luisteren, spreken) als in de
schriftelijke vaardigheden (lezen, schrijven);
je bezit een duidelijke attitude waarbij je voortdurend schaaft aan je houding, emotie en
motivatie over taal.
Taal is de hele dag door aanwezig in het leven van de lagereschoolkinderen. Zowel
binnen als buiten de school gebruiken ze voortdurend taal:
om te communiceren met vriendjes en vriendinnetjes
om samen plannen te smeden
om te leren
om nieuwe kennis toe te passen
om persoonlijke en gemeenschappelijke doelen te bereiken
taal is een belangrijke sleutelcompetentie: cruciaal om volwaardig deel te
nemen aan de 21e -eeuwse samenleving
Alle sleutelcompetenties doen een beroep op taal:
bewust omgaan met verandering
complexe informatie verwerken
kritisch en probleemoplossend denken
zelfstandig beslissingen nemen
creatief samenwerken
communiceren in diverse contexten
omgaan met nieuwe media en technologie
5 Vaardigheden van taal (taal kunnen):
luisteren
schrijven
lezen
spreken
gesprekken voeren
Functies van taal
Conceptualiserende functie: Communicatieve functie:
Om het mogelijk te maken om met elkaar over iets te Mensen gebruiken taal om boodschappen aan
praten, is er ook al taal nodig: om dingen te elkaar over te brengen, om met elkaar in interactie
benoemen, om naar iets te verwijzen, om verbanden te gaan.
uit te drukken, om gedachten vorm te geven. We
gebruiken taal om voor onszelf vat te krijgen op de
werkelijkheid. De conceptualiserende functie van taal
zorgt ervoor dat taal en denken zo nauw met elkaar
verweven zijn.
Expressieve functie: Sociale functie:
Mensen gebruiken taal ook om zichzelf op een Taal kan heel kenmerkend zijn voor een persoon en
creatieve manier te uiten. de sociale groepen waartoe die behoort.
Eigenschappen van taal:
Taal produceert betekenis
Taal is arbitrair (meestal)
Het aantal klanken van een taal is gelimiteerd
1
, (menselijke) taal kan ideeën/personen/voorwerpen buiten de huidige tijd en
ruimte benoemen of ernaar verwijzen
Taal is generatief: letters, woorden kunnen een ongelimiteerd aantal zinnen
genereren
taalbeschouwing
Waarom inzetten op taalbeschouwing?
Taalbeschouwing heeft drie belangrijke doelen:
inzicht krijgen in hoe het Nederlands in elkaar zit
Taal kunnen= taalvaardigheid ( lezen, schrijven, spreken, luisteren)
Taal weten: taalbeschouwing ( begrijpen hoe ze in elkaar zit, waaruit ze
bestaat, hoe we ze gebruiken en waarom) inzicht voor nodig
Inzicht in het taalsysteem ( ontdekken de structuur van zinnen en teksten,
bestuderen de manier waarop, en de reden waarom.
bv: bijvoeglijke naamwoorden, vraagzinnen
Nadenken over het eigen taalgebruik en dat van anderen.
denken en reflecteren over taal helpt leerlingen om de taal steeds beter te
beheersen.
Ze leren zichzelf ‘in het oog te houden’ wanneer ze taal gebruiken
(taalsturing)
De algemene culturele kennis vergroten
Taal ‘vat’ de werkelijkheid.
taal bepaalt hoe we communiceren en is het product van de culturele
omgeving waarin we opgroeien en leven
afhankelijk van de tijd en de plaats kan taal er dus anders uitzien, omdat ze
is afgestemd op hoe mensen denken en leven
in de middeleeuwen = een bril was zwarte magie, nu = een
hulpmiddel om beter te kunnen zien
stelt ons in staat om grip te krijgen op de (talige) wereld om ons heen. We
kunnen voorwerpen en handelingen benoemen, en daartussen ook
verbanden leggen
Metataal: een taal om over taal te spreken -> helpt kennis en inzichten in
taal te expliciteren en dus taalbewust te worden
Hoe taalvaardiger we zijn, hoe beter we over taal kunnen nadenken. En omgekeerd: hoe
meer we over taal weten, hoe taalvaardiger we kunnen worden.
De talige en culturele identiteiten van de leerlingen integreren in de klas:
de wereld waarop we grip willen krijgen, is niet eentalig, maar meertalig. Het is
onze taak om leerlingen kennis te laten maken met andere talen en culturen
Bouwstenen van taal
taalsysteem Taalgebruik en taalgedrag
Klanken (fonologie) Nadenken over eigen taalgebruik: bewust
Woorden (morfologie) bepaalde spreek-, luister-, lees- en schrijf-
Woordgroepen en zinnen strategieën inzetten en daarop reflecteren en
Teksten nadenken over taalgebruik van anderen.
Spellingvormen Nadenken over taalgedrag: wie zegt/schrijft
Betekenissen (semantiek) iets? Wat? Aan wie? Waarover? Met welke
Woordenschat (lexicologie bedoeling? Hoe? In welke context? Via welke weg/
middelen? Met welk effect? 9 vragen vh
communictaiemodel
verschillen en gelijkenissen tussen talen en taalvariëteiten
2
, = TAALBESCHOUWING
Communicatiemodel:
Beschouwen van woorden
Zelfstanding naamwoord (zn)
Genus: mannelijk (de), vrouwelijk (de) of onzijdig (het)
Mogelijk voorafgegaan door lidwoord:
de-woord = mannelijk of vrouwelijk
het-woord = onzijdig
Meeste zn: enkelvoud, meervoud en verkleinwoord
Samenstelling en afleiding
Bijvoeglijk naamwoord (bn)
Duiden een eigenschap aan van een ander zelfstandig gebruikt woord. Meestal
verbuiging mogelijk: de grote kast
Attributief gebruik: een rode bloem
Predicatief gebruik: De bloem is rood (bn bij kww ‘zijn’)
Zelfstandig gebruik: de rode bloemen en de gele
Trappen van vergelijking: stellende, vergrotende, overtreffende trap
Deelwoorden als BN:
Voltooid deelwoord: de gegrilde tonijn
Tegenwoordig (of onvoltooid deelwoord): de zingende kinderen
Lidwoord (lw)
Bepaald: de (mannelijke of vrouwelijke woorden) of het (onzijdige woorden).
Onbepaald: een
Ontkennend: geen (bij Frans onbepaald voornaamwoord (pronom indéfini)
3
, Staat ALTIJD voor een ZN
Ze had het gisteren op televisie gezien.
In deze zin is ‘het’ een persoonlijk voornaamwoord!
Werkwoord (ww)
Drukt actie of toestand uit
Je kan een ww vervoegen
Infinitief/ stam/ uitgang/ persoonsvorm/ imperatief (gebiedende
wijs)/ persoon en getal
Werkwoordstijd: Verleden, tegenwoordige of toekomende tijd
Met of zonder klankverandering in de VT
Soorten werkwoorden:
Zelfstandig werkwoord Ze schildert graag.
Hulpwerkwoord Ze zal morgen schilderen.
Koppelwerkwoord (betekenis is ‘zijn’): ZWoBBeLS De brief is romantisch.
Zijn-worden-o-blijven-blijken-e-lijken-schijnen
Wederkerend werkwoord: zich vervelen
Samengesteld werkwoord:
o Scheidbaar: weggaan ze gaat weg
o Niet- scheidbaar: stofzuigen de poetsman stofzuigt
Voornaamwoord (vnm)
Persoonlijk voornaamwoord (onderwerp of voorwerp): ik - mij, jij - jou, hij - hem, wij, -
ons,…
Wederkerend voornaamwoord: ik was me, hij wast zich, jullie wassen je, …
Wederkerig voornaamwoord: We maken elkaar niets wijs.
Bezittelijk voornaamwoord: mijn, jouw, haar, ons, het mijne, het jouwe, …
Aanwijzend voornaamwoord: die, deze, dat, dit, diegene, dezelfde, …
Vragend voornaamwoord: wie, wat, waar, welke, hoe, hoeveel, …
Uitroepend voornaamwoord: Wat een grappig filmpje!
Betrekkelijk voornaamwoord: die, dat, wie, wat + bijzin (betr. vnw verwijst naar
antecedent)
Onbepaald voornaamwoord: men, iemand, niemand, iets, elke, …
Voorzetsel (vz)
Voorzetsel: naar, van, bij, door, met, naast, op, …
Voorzetseluitdrukking: met behulp van, in tegenstelling tot, omwille van, …
Achterzetsel: De fietser reed deze straat in.
Telwoord (telw)
Hoofdtelwoord: één, twee, honderd, …
Rangtelwoord: eerste, vierde, dertiende, duizendste, …
Voegwoord (vw)
Nevenschikkend: en, of, maar, want, dus, noch…noch…, …
Onderschikkend:
- Als het mooi weer wordt, maken we een fietstocht.
- Ze zei dat ze het niet geloofde.
- Ze nam de jas die aan de kapstok hing.
- nadat, hoewel, door, om (te), omdat, terwijl, …
Bijwoord (bw)
In lagere school: ‘verbindingswoord’ Meestal onveranderlijk
Bij een werkwoord: ‘Hij speelt prachtig blokfluit.
4